Op ’s Heren eigen wijze

Dieter F. Uchtdorf

Tweede raadgever in het Eerste Presidium


De welzijnsbeginselen van de kerk zijn meer dan alleen maar goede ideeën: ze zijn geopenbaarde waarheden van God; ze zijn de manier waarop Hij de behoeftigen helpt.

Vijfenzestig jaar geleden, kort na de Tweede Wereldoorlog, ondervond ik aan den lijve de zegeningen van het welzijnsprogramma van de kerk. Ik was nog een klein kind, maar ik herinner me nog de zoete smaak van de ingeblikte perziken met gekookte tarwe en de aparte geur van de gedoneerde kleding die zorgzame kerkleden in de Verenigde Staten na de oorlog naar de Duitse heiligen stuurden. Ik zal die daden van liefde en vriendelijkheid aan diegenen onder ons die zich in de grootste nood bevonden altijd koesteren.

Deze persoonlijke ervaring en het vijfenzeventigjarig jubileum van het geïnspireerde welzijnsplan geven mij aanleiding om nog eens de fundamentele beginselen te overwegen van de zorg voor de armen en behoeftigen, zelfredzaam worden en onze medemens dienen.

De grondslag van ons geloof

Soms zien we welzijnszorg als slechts een van de vele evangelieonderwerpen, als een van de vele takken van de evangelieboom. Maar ik geloof dat in het plan van de Heer onze toewijding aan de welzijnsbeginselen verbonden zou moeten zijn met de grondslag van ons geloof en onze toewijding aan Hem.

Sinds het begin der tijden heeft onze hemelse Vader Zich heel duidelijk over dit onderwerp uitgesproken: van de liefhebbende smeekbede: ‘Indien gij Mij liefhebt, zult gij (…) aan de armen denken, en hetgeen gij hun te geven hebt van uw bezittingen voor hun onderhoud, toewijden’;1 tot de rechtstreekse opdracht: ‘Denkt in alles aan de armen en de behoeftigen, de zieken en de bezochten, want wie die dingen niet doet, is mijn discipel niet’;2 en tot de krachtige waarschuwing: ‘Indien iemand neemt van de overvloed die Ik heb gemaakt, en niet zijn deel, volgens de wet van mijn evangelie, aan de armen en behoeftigen geeft, zal hij, onder kwelling, met de goddelozen, zijn ogen opslaan in de hel.’3

Het stoffelijke en het geestelijke zijn met elkaar verbonden

De twee grote geboden — God en onze naaste liefhebben — zijn een combinatie van het stoffelijke en het geestelijke. Het is van belang om op te merken dat deze twee geboden de ‘grote’ geboden heten omdat alle andere geboden ervan afhangen.4 Met andere woorden, hierop moeten al onze prioriteiten aangaande onszelf, ons gezin en de kerk op gebaseerd zijn. Alle andere doelen en handelingen zouden uit de bron van deze twee grote geboden moeten ontspringen, uit onze liefde voor God en voor onze naaste.

Als twee kanten van een en dezelfde kwestie zijn het stoffelijke en het geestelijke niet van elkaar te scheiden.

De Gever van al het leven heeft verklaard: ‘Ik zeg u dat alle dingen voor Mij geestelijk zijn, en nimmer heb Ik u een wet gegeven die stoffelijk was.’5 Dit betekent voor mij dat ‘een geestelijk leven in eerste instantie een leven is. Het is niet slechts iets om bekend mee te zijn en te bestuderen, het moet geleefd worden.’6

Helaas zijn er mensen die het stoffelijke over het hoofd zien omdat ze het als minder belangrijk beschouwen. Ze koesteren het geestelijke en bagatelliseren het stoffelijke. Hoewel het belangrijk is om onze gedachten hemelwaarts te richten, zien we de kern van onze godsdienst over het hoofd als onze handen niet tevens op onze medemens zijn gericht.

Een voorbeeld: Henoch bouwde een Zionsgemeenschap op door in geestelijke zin een volk eensgezind te maken in hart en zin, en door het stoffelijke werk om ervoor te zorgen dat er onder hen geen armen waren.7

Zoals altijd kunnen wij tot Jezus Christus opzien als ons volmaakte voorbeeld. Zoals president Reuben J. Clark ons heeft geleerd: ‘Toen de Heiland op aarde kwam, had Hij twee grote zendingen: de ene om zijn rol als Messias uit te werken, de verzoening voor de val, en de vervulling van de wet; de andere bestond uit het werk dat Hij deed onder zijn broeders en zusters in het vlees door hun lijden te verlichten.’8

Zo is ook onze geestelijke vooruitgang verbonden met de stoffelijke diensten die wij voor anderen verrichten.

Het een vult het ander aan. Het een zonder het ander is een vervalsing van Gods plan van geluk.

Op ’s Heren wijze

Er zijn in de wereld veel goede mensen en organisaties die proberen te voorzien in de dringende behoeften van de armen en behoeftigen overal. Wij zijn hier dankbaar voor, maar de wijze waarop de Heer voor de behoeftigen zorgt, verschilt van de wijze waarop de wereld dit doet. De Heer heeft gezegd: ‘Het moet wél gebeuren op mijn eigen wijze.’9 Hij is niet alleen geïnteresseerd in onze onmiddellijke behoeften; Hij is ook bezorgd om onze eeuwige vooruitgang. Daarom heeft de wijze van de Heer altijd niet alleen zorg voor de armen omvat, maar ook zelfredzaamheid en dienstbaarheid.

In 1941 trad in Arizona de Gila River buiten zijn oevers en overstroomde de Duncan Valley. Een jonge ringpresident, die Spencer W. Kimball heette, vergaderde met zijn raadgevers, beoordeelde de schade, en stuurde een telegram naar Salt Lake City met een verzoek om een grote som geld.

In plaats van geld te sturen, zond president Heber J. Grant drie mannen: Henry D. Moyle, Marion G. Romney en Harold B. Lee. Zij spraken met president Kimball en leerden hem een belangrijke les: ‘Dit is geen programma van “Geef mij”,’ zeiden ze. ‘Dit is een “zelfhulpprogramma”.’

Vele jaren later zei president Kimball: ‘Ik denk dat het heel makkelijk zou zijn geweest voor de algemene autoriteiten om ons [het geld] destijds te sturen. En het zou niet moeilijk voor me zijn geweest om in mijn kantoor te zitten en het uit te delen. Maar wat kwam er veel goeds uit voort toen honderden [van ons] naar Duncan gingen om hekken te vervaardigen, hooi binnen te halen, grond te egaliseren en alles te doen wat er nodig was. Dat is zelfhulp.’10

Door de wijze van de Heer te gebruiken, voorzagen de leden van de ring van president Kimball niet alleen in hun onmiddellijke behoeften, maar werden ze bovendien zelfredzaam, verlichtten ze door hun dienstbaarheid het leed van anderen, en namen ze toe in liefde en eensgezindheid.

Moedig doen wij mee

Momenteel lijden er veel leden van de kerk. Ze hebben honger, hebben het financieel moeilijk, en worstelen met allerhande lichamelijke, emotionele en geestelijke moeilijkheden. Zij bidden met al het vuur in hun ziel om hulp, om verlichting.

Broeders, denk alstublieft niet dat dit de taak van iemand anders is. Het is uw taak en mijn taak. Moedig doen wij mee — wij allemaal. En ‘allemaal’ betekent iedereen: alle Aäronisch- en Melchizedeks-priesterschapsdragers, rijk en arm, in alle landen. In het plan van de Heer kan iedereen iets bijdragen.11

De les die wij van generatie op generatie leren, is dat rijk en arm allemaal dezelfde heilige plicht hebben om hun naaste te helpen. Om met succes de beginselen van welzijnszorg en zelfredzaamheid toe te passen, moeten we allemaal samenwerken.

Maar al te vaak merken we de behoeften van de mensen om ons heen op, in de hoop dat er als bij toverslag iemand van ver zal komen om in die behoeften te voorzien. Misschien wachten we op deskundigen met speciale expertise om bepaalde problemen op te lossen. Doen we dat, dan ontzeggen we onze naaste de dienst die wij kunnen verlenen, en ontzeggen we onszelf de kans om ons dienstbaar te maken. Hoewel er niets mis is met deskundigen, moeten we onder ogen zien dat er nooit genoeg deskundigen zullen zijn om alle problemen aan te pakken. In plaats daarvan heeft de Heer zijn priesterschap en organisatie op onze stoep gezet in alle landen waar de kerk gevestigd is. En daar vlak naast heeft Hij de zustershulpvereniging gezet. Zoals wij priesterschapsdragers weten, is geen enkele poging tot welzijnszorg geslaagd als er geen gebruik wordt gemaakt van de opmerkelijke gaven en talenten van onze zusters.

De wijze van de Heer is niet om naast het stroompje te gaan zitten wachten tot het water voorbij is gegaan alvorens we oversteken. Het is bij elkaar komen, de mouwen opstropen, aan de slag gaan en een brug of een boot bouwen om de wateren van onze moeilijkheden over te steken. U, mannen van Zion; u, priesterschapsdragers, bent degenen die het voortouw kunt nemen en hulp verlenen aan de heiligen, door de geïnspireerde beginselen van het welzijnsprogramma toe te passen! Het is uw zending om uw ogen open te houden, uw priesterschap te gebruiken en aan de slag te gaan op de wijze van de Heer.

De geweldigste organisatie op aarde

Tijdens de grote economische crisis vond Harold B. Lee het moeilijk om een oplossing te vinden voor de drukkende armoede, smart en honger die toen zo wijdverbreid waren. Hij legde de kwestie aan de Heer voor en vroeg: ‘Wat voor organisatie hebben we nodig (…) om hier wat aan te doen?’

En ‘het leek wel of de Heer [tegen hem] zei: “Luister, mijn zoon. Je hebt geen andere organisatie nodig. Ik heb je de geweldigste organisatie op aarde gegeven. Geen enkele organisatie is geweldiger dan die van de priesterschap. Al wat je in de wereld hoeft te doen, is de priesterschap aan het werk te zetten. Dat is alles.”’12

En dat is onze tijd ook het uitgangspunt. We hebben de organisatie van de Heer al. De uitdaging is te bepalen hoe die te gebruiken.

Het eerste wat we moeten doen, is ons op de hoogte stellen van wat de Heer al heeft geopenbaard. We moeten niet aannemen dat wij het allemaal al weten. We moeten het onderwerp benaderen met de nederigheid van een kind. Elke generatie moet opnieuw de leerstellingen leren die ten grondslag liggen aan de wijze waarop de Heer voor de behoeftigen zorgt. Zoals veel profeten ons in de loop der jaren hebben gezegd, zijn de welzijnsbeginselen van de kerk meer dan alleen maar goede ideeën: ze zijn geopenbaarde waarheden van God; ze zijn de manier waarop Hij de behoeftigen helpt.

Broeders, bestudeer eerst de geopenbaarde beginselen en leerstellingen. Lees de handboeken aangaande de kerkelijke welzijnszorg;13 maak gebruik van de internetsite providentliving.org ; lees het artikel in de Liahona van juni 2011 over het welzijnsplan van de kerk nog eens door. Zoek uit op welke wijze de Heer in de behoeften van zijn heiligen voorziet. Verneem hoe de beginselen van de zorg voor de behoeftigen, dienstbaarheid aan onze naaste en zelfredzaamheid elkaar aanvullen. De wijze waarop de Heer voor zelfredzaamheid zorgt, omvat op evenwichtige wijze veel facetten van het leven, waaronder opleiding, gezondheid, werk, gezinsfinanciën en geestelijke kracht. Stel u op de hoogte van het hedendaagse welzijnsprogramma van de kerk.14

Hebt u eenmaal de leringen en beginselen van de kerkelijke welzijnszorg bestudeerd, streef er dan naar om het geleerde toe te passen op de behoeften van de mensen voor wie u als rentmeester verantwoordelijk bent. Wat dit inhoudt, is dat u in grote mate zelf zult moeten bepalen wat u moet doen. Elk gezin, elke gemeente, elk deel van de wereld is anders. Er is geen universeel antwoord in de kerkelijke welzijnszorg. Het is een zelfhulpprogramma waarin het individu zelf verantwoordelijk is om zelfredzaam te worden. Onze hulpmiddelen omvatten het gebed, de talenten en capaciteiten die we van God gekregen hebben, de hulpbronnen die ons in ons gezin en onze familie ter beschikking staan, alsmede in de gemeenschap, en natuurlijk de zorg en steun van priesterschapsquorums en de zustershulpvereniging. Daarmee worden wij door het geïnspireerde patroon van zelfredzaamheid heengeleid.

U zult een koers moeten uitzetten die overeenkomt met de leer van de Heer en die aansluit bij de omstandigheden in uw geografische gebied. Om goddelijke welzijnsbeginselen toe te passen, hoeft u niet altijd aan Salt Lake City te vragen hoe het moet. In plaats daarvan kijkt u in het handboek, in uw hart en naar de hemel. Vertrouw op inspiratie van de Heer en volg zijn wijze.

Uiteindelijk moet u in uw gebied doen wat discipelen van Christus in elke bedeling hebben gedaan: samen overleggen, alle beschikbare middelen gebruiken, naar inspiratie van de Heilige Geest streven, de Heer om bevestiging vragen, en dan de mouwen opstropen en aan de slag gaan.

Ik beloof u: als u deze werkwijze aanhoudt, zult u concrete aanwijzingen ontvangen met betrekking tot het wie, wat, wanneer en waar aangaande de zorg op de wijze van de Heer.

De zegeningen van zorgen op de wijze van de Heer

De profetische beloften en zegeningen van de kerkelijke welzijnszorg, van zorgen op de wijze van de Heer, maken deel uit van de geweldigste en grootste zegeningen die de Heer over zijn kinderen heeft uitgesproken. Hij heeft gezegd: ‘Wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten verzadigt, dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag. En de Here zal u voortdurend leiden.’15

Zijn we nu rijk of arm, waar we ook wonen op deze aardbol, we hebben elkaar allemaal nodig, want in het opofferen van onze tijd, talenten en middelen wordt onze geest in het vuur van de smelter gelouterd.

Zorgen op de wijze van de Heer is meer dan een van de vele artikelen in de catalogus met kerkprogramma’s. We mogen het niet verwaarlozen of opzijschuiven. Het is een kernpunt van onze leer; het is het wezen van onze godsdienst. Broeders, het is ons grote en bijzondere voorrecht als priesterschapsdragers om de priesterschap aan het werk te zetten. Wij mogen ons hart niet afsluiten voor, of ons hoofd afwenden van, de noodzaak om zelfredzamer te worden, beter voor de behoeftigen te zorgen en liefdediensten te verrichten.

Het stoffelijke is verweven met het geestelijke. God heeft ons deze sterfelijke ervaring en de bijbehorende stoffelijke moeilijkheden gegeven als een kweekkas waarin wij kunnen uitgroeien tot wie onze hemelse Vader wil dat wij worden. Mogen wij de grote plicht en zegening begrijpen die voortvloeien uit de zorg op de wijze van de Heer, dat is mijn gebed. In de naam van Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1.  Leer en Verbonden 42:29, 30.

  2.  

    2.  Leer en Verbonden 52:40.

  3.  

    3.  Leer en Verbonden 104:18.

  4.  

    4. Zie Matteüs 22:36–40.

  5.  

    5.  Leer en Verbonden 29:34.

  6.  

    6. Thomas Merton, Thoughts in Solitude (1956), p. 46.

  7.  

    7.  Mozes 7:18.

  8.  

    8. J. Reuben Clark jr., Conference Report, april 1937, p. 22.

  9.  

    9.  Leer en Verbonden 104:16; zie ook vers 15.

  10.  

    10. Spencer W. Kimball, Conference Report, april 1974, pp. 183, 184.

  11.  

    11. Zie Mosiah 4:26; 18:27.

  12.  

    12. Harold B. Lee, toespraak gehouden tijdens een vergadering van agrarische welzijnsbedrijven, 3 oktober 1970, p. 20.

  13.  

    13. Zie Handboek 1: ringpresidenten en bisschoppen (2010), hoofdstuk 5, ‘Kerkelijke welzijnszorg verlenen’; Handboek 2: de kerk besturen (2010), hoofdstuk 6, ‘Welzijnszorg: beginselen en leidinggevenden’; Op ’s Heren eigen wijze: samenvatting van een welzijnszorgleidraad voor leiders (brochure, 2009).

  14.  

    14. Ouderling Glen L. Rudds boek Pure Religion: The Story of Church Welfare since 1930 (1995) (verkrijgbaar via het distributiecentrum van de kerk) is een prima bron van informatie over de leerstellingen en de geschiedenis van het welzijnsprogramma van de Heer.

  15.  

    15.  Jesaja 58:10–11; zie ook vss. 7–9.