Onderwijzen naar de wijze van de Geest

Matthew O. Richardson

Tweede raadgever in het algemeen zondagsschoolpresidium


Hoewel we allen leerkracht zijn, moeten we beseffen dat het de Heilige Geest is die de echte leerkracht en getuige van alle waarheid is.

Lang geleden was ik met mijn collega in het opleidingscentrum voor zendelingen toen ik een kind hoorde zeggen: ‘Oma, zijn dat echte zendelingen?’ Ik draaide mij om en zag een meisje dat de hand van haar oma vasthield en naar mij en mijn collega wees. Ik glimlachte en stak mijn hand naar haar uit, keek haar recht in de ogen en zei: ‘Hallo, ik ben ouderling Richardson, en wij zijn echte zendelingen.’ Haar gezicht straalde terwijl ze naar ons keek, opgetogen dat ze in het gezelschap van echte zendelingen was.

Die ervaring bracht in mij een hernieuwde toewijding teweeg. Ik wilde de soort zendeling zijn die de Heiland, mijn familie, en dit jonge meisje van mij verwachtten. In de daaropvolgende twee jaar deed ik er alles aan om eruit te zien als, te denken als, te handelen als, en vooral te onderwijzen als een echte zendeling.

Toen ik weer thuis was, werd het mij in toenemende mate duidelijk dat hoewel ik klaar was met mijn zending, mijn zending niet met mij klaar was. Zelfs na al die jaren blijf ik het gevoel houden dat mijn zending de beste twee jaar voor mijn leven zijn geweest. En een van de dingen die ik aan mijn zending overhield, was de stem van dat meisje. Alleen hoorde ik nu in mijn gedachten: ‘Oma, is dat een echte priesterschapsdrager?’ ‘Oma, is dat een echte echtgenoot of een echte vader?’ Of ‘Oma, is dat een echt lid van de kerk?’

Het is mij duidelijk geworden dat als wij in elk aspect van ons leven echt willen worden, we zo moeten onderwijzen dat het leerproces niet aan banden wordt gelegd. Ziet u, een echt leven vereist echt leren, dat afhankelijk is van echt onderwijs. ‘De taak om anderen [effectief] te onderwijzen geldt niet alleen voor hen die formeel als leerkracht zijn geroepen.’1 In feite is iedereen — familielid, kerkleider en kerklid (inclusief jongeren en kinderen) — een leerkracht.

Hoewel we allen leerkracht zijn, moeten we beseffen dat het de Heilige Geest is die de echte leerkracht en getuige van alle waarheid is. Wie dat niet volledig begrijpen, proberen het ofwel van de Heilige Geest over te nemen en alles zelf te doen — waarbij ze de Geest bij hun onderwijs uitnodigen, maar slechts in een ondersteunende rol — ofwel leven in de veronderstelling dat ze al hun onderwijs aan de Geest kunnen overlaten, terwijl ze in feite niet de moeite nemen om zich goed voor te bereiden. Het is de verantwoordelijkheid van alle ouders, leiders en leerkrachten om ‘door de Geest’2 te onderwijzen. Zij behoren niet ‘voor de Geest’ te onderwijzen of ‘achter de Geest’, maar ‘door de Geest’, zodat de Geest onbelemmerd in de waarheid kan onderwijzen.

Moroni maakt ons duidelijk hoe we ‘door de Geest’ kunnen onderwijzen, zonder de Heilige Geest als de echte leerkracht te vervangen, te beperken of weg te sturen. Moroni zei dat de heiligen hun bijeenkomsten leidden ‘naar [de wijze van] de werkingen van de Geest’.3 Dat vergt meer dan slechts de Geest bij ons hebben. Onszelf naar de wijze van de Heilige Geest gedragen, betekent dat we onze manier van onderwijzen dienen te veranderen om te gaan onderwijzen zoals de Geest dat doet. Als we onze werkwijze afstemmen op de werkwijze van de Heilige Geest, kan de Heilige Geest onbelemmerd onderwijzen en getuigen. Sta mij toe deze belangrijke afstemming met het volgende voorbeeld te illustreren.

Jaren geleden maakten mijn kinderen en ik een klimtocht naar de top van South Sister, een berg van 3.157 meter in Oregon (VS). Na een paar uur kwamen we bij een vrij steile helling die bedekt was met kleine vulkanische steentjes. Daar de top in zicht was, trokken we verder, hoewel we bij elke stap wegzakten in de steentjes, waardoor onze voeten steeds weggleden. Mijn twaalfjarige zoon zwoegde verder terwijl ik bij mijn achtjarige dochter bleef. Ze was moe en teleurgesteld, omdat ze dacht dat ze nooit de top zou halen zoals haar broer. Mijn eerste reactie was om haar te dragen. Mijn geest was wel gewillig, maar jammer genoeg was mijn vlees zwak. We gingen op een rots zitten, bespraken onze situatie en bedachten een nieuwe strategie. Ik zei tegen haar dat ze zich goed aan de achterzakken van mijn broek moest vasthouden, en dat het heel belangrijk was dat zij, zodra ik mijn voet oplichtte en een stap nam, hetzelfde deed. Ze deed elke beweging van mij na en vertrouwde op de opwaartse beweging die het gevolg was van het vasthouden aan mijn achterzakken. Na wat een eeuwigheid leek, bereikten we de top van de berg. Daar vierde mijn dochter haar overwinning uitbundig. En ja, zij en haar broer waren, naar mijn mening, echte klimmers.

Het succes van mijn dochter was het gevolg van haar doorzettingsvermogen en hoe goed ze klom naar de wijze van haar vader. Doordat ze haar bewegingen met die van mij synchroniseerde, bereikten we een ritmische samenwerking, waardoor ik meer kracht kon zetten. Dat is ook het geval als we ‘naar [de wijze van] de werkingen van de Geest’ onderwijzen. Als we onze manier van onderwijzen schikken naar die van de Heilige Geest, sterkt de Geest ons en wordt Hij, tezelfdertijd, niet belemmerd. Met dit in gedachten vraag ik u twee fundamentele ‘werkingen van de Geest’ te overwegen die onze navolging waard zijn.

Ten eerste: de Heilige Geest onderwijst op zeer persoonlijke wijze. Dat maakt het mogelijk dat wij de waarheid op heel persoonlijke wijze zelf te weten kunnen komen. Vanwege onze verschillende behoeften, omstandigheden en ontwikkeling onderwijst de Heilige Geest ons wat we moeten weten en doen, zodat we worden wie we moeten zijn. Denk er aan dat de Heilige Geest, hoewel Hij in ‘de waarheid van alle dingen’ onderwijst,4 niet in alle waarheid ineens onderwijst. De Geest leert ons ‘regel op regel (…), voorschrift op voorschrift, hier een weinig en daar een weinig’.5

Wie naar de wijze van de Geest onderwijzen, begrijpen dat ze mensen onderwijzen, en niet slechts een les presenteren. Als zodanig breken zij met de neiging om alles wat in het lesboek staat te willen behandelen of alles te willen overbrengen wat zij van het onderwerp weten, maar concentreren zij zich in plaats daarvan op wat hun gezinsleden of leerlingen dienen te weten of te doen. Ouders, leiders en leerkrachten die de manier van onderwijzen van de Geest weerspiegelen, leren snel dat echt onderwijs veel meer inhoudt dan alleen praten en vertellen. Dat maakt dat zij bewust luisteren, aandachtig observeren en inzien wat ze vervolgens moeten doen.6 Als ze dat doen, krijgt de Heilige Geest de kans om zowel de leerling als de leerkracht te leren wat ze moeten doen en zeggen.7

Ten tweede: de Heilige Geest onderwijst door uit te nodigen en in te fluisteren, te stimuleren en te inspireren tot handelen. Christus verzekerde ons dat we de waarheid leren kennen als we de leer naleven en overeenkomstig handelen.8 De Geest leidt, begeleidt en toont ons wat we moeten doen.9 Hij zal echter niets voor ons doen wat we zelf kunnen doen. Ziet u, de Heilige Geest kan niet voor ons leren, voor ons voelen of voor ons handelen, want dat zou indruisen tegen de leer van de keuzevrijheid. Hij kan wel mogelijkheden scheppen en ons uitnodigen om te leren, te voelen en te handelen.

Wie naar deze wijze van de Geest onderwijzen, nodigen uit, stimuleren en scheppen mogelijkheden zodat anderen hun keuzevrijheid kunnen gebruiken. Ouders, leiders en leerkrachten beseffen dat ze het voelen, leren of zelfs bekeren niet voor hun gezin, wijk of gemeente, of leerlingen kunnen doen. In plaats van zich de vraag te stellen: ‘Wat kan ik voor mijn kinderen, leerlingen of anderen doen?’ is hun vraag: ‘Hoe breng ik anderen ertoe dat ze het leerproces zelf ter hand nemen?’ Ouders die de werkingen van de Heilige Geest weerspiegelen, scheppen een thuis waar kinderen leren om beginselen op waarde te schatten in plaats van slechts over beginselen te praten. In dezelfde trant behandelen leerkrachten niet slechts de leer, maar helpen zij hun leerlingen begrip te krijgen van de evangeliebeginselen en die na te leven. De Heilige Geest kan het meeste doen als de leerlingen hun keuzevrijheid naar behoren gebruiken.

Zoals de wereld zich nu ontwikkelt, is het van groot belang dat we in ons gezin, onze bijeenkomsten en onze evangelielessen echt leren en onderwijzen. Ik kan mij voorstellen dat het u soms niet gemakkelijk afgaat om u te verbeteren. Raak alstublieft niet ontmoedigd als het voor uw gevoel niet wil vlotten. Dan moet ik denken aan die klimtocht met mijn kinderen. We besloten elke keer als we een pauze inlasten ons niet bezig te houden met hoe ver we nog te gaan hadden, maar ons om te draaien en de berg af te kijken. We genoten dan van het uitzicht en zeiden tegen elkaar: ‘Kijk eens hoe ver we al gekomen zijn.’ Daarna kwamen we even op adem, draaiden ons weer om, keken omhoog en klommen weer stap voor stap naar boven. Broeders en zusters, u kunt opvoeden, leiden en onderwijzen naar de wijze van de werkingen van de Geest. Ik weet dat u dat kunt. Ik getuig dat u het kunt en dat u veranderingen in anderen zult zien.

Ik ben een beter mens geworden door echte leerkrachten die met de Geest onderwezen en in het bijzonder door de Geest. Ik nodig u uit om bij alles wat u doet uw manier van onderwijzen te schikken naar de wijze van de Heilige Geest. Ik getuig dat Jezus Christus onze Heiland is en dat zijn evangelie is hersteld. Op grond daarvan moeten we echte ouders, echte leiders, echte leerkrachten en echte leerlingen zijn. Ik getuig dat God u daarbij zal helpen, in de heilige naam van onze Heiland, Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1.  Onderwijzen — geen grotere roeping: handleiding voor evangelieonderwijs (1999), p. 3.

  2.  

    2.  Leer en Verbonden 50:14.

  3.  

    3.  Moroni 6:9.

  4.  

    4.  Moroni 10:5; zie ook Leer en Verbonden 50:14; Trouw aan het geloof: evangeliewijzer (2004), p. 72.

  5.  

    5.  2 Nephi 28:30.

  6.  

    6. Zie David A. Bednar, ‘Zoek kennis door geloof’, Liahona, september 2007, pp. 16–24.

  7.  

    7. Zie Lucas 12:12.

  8.  

    8. Zie Johannes 7:17.

  9.  

    9. Zie 2 Nephi 32:1–5.