Het Boek van Mormon — een boek van God

Tad R. Callister

van het Presidium der Zeventig


Samen met de Bijbel is het Boek van Mormon een onmisbaar getuigenis van de leerstellingen van Christus en zijn goddelijke aard.

Jaren geleden kreeg mijn betovergrootvader voor het eerst een exemplaar van het Boek van Mormon in handen. Hij sloeg het ergens in het midden open en las een paar bladzijden. Toen zei hij: ‘Dat boek is door God of de duivel geschreven, en ik wil erachter komen wie het heeft geschreven.’ Gedurende de volgende tien dagen las hij het twee keer door en zei toen: ‘De duivel kan het niet geschreven hebben — het moet van God afkomstig zijn.’1

Dat is het vernuft van het Boek van Mormon — er is geen middenweg. Of het is het woord van God, of het is bedrog. Dit boek beweert niet alleen een moreel document, een theologisch verslag of een verzameling inzichtelijke geschriften te zijn. Het beweert het woord van God te zijn — iedere zin, ieder vers, iedere pagina. Joseph Smith verklaarde dat een engel van God hem naar de gouden platen had geleid, die de geschriften van profeten uit het oude Amerika bevatten, en dat hij ze met de macht van God had vertaald. Als dat waar is, dan is het Boek van Mormon heilige Schriftuur, wat het ook beweert te zijn; zo niet, dan is het een geavanceerde, maar duivelse vervalsing.

C. S. Lewis sprak over een soortgelijk dilemma toen hij geconfronteerd werd met iemand die de goddelijkheid van de Heiland moest aanvaarden of verwerpen waarbij ook geen middenweg is: ‘Ik probeer iemand ervan te weerhouden om de dwaze dingen te zeggen die veel mensen over Hem zeggen: “Ik ben bereid om Jezus als een groot leermeester te aanvaarden, maar ik kan Hem niet als God accepteren.” Dat is iets wat we niet mogen zeggen. Een mens die slechts een mens was en verkondigde wat Jezus heeft verkondigd, zou geen groot leermeester zijn. (…) U moet kiezen. Deze man was en is de Zoon van God. Zo niet, dan was hij waanzinnig of erger. (…) Maar laten we geen denigrerende onzin spreken over Hem als groot leermeester. Die interpretatie heeft Hij ons niet gegeven. En dat was ook niet zijn bedoeling.’2

Daarom moeten we een ook eenvoudige keuze doen wat het Boek van Mormon betreft: het is van God of van de duivel. Er is geen andere mogelijkheid. Ik wil u uitnodigen een toets te doen om achter de ware aard van dit boek te komen. Vraag uzelf af of de volgende teksten uit het Boek van Mormon u dichter tot God of tot de duivel brengen:

‘Vergast u aan de woorden van Christus; want zie, de woorden van Christus zullen u alle dingen zeggen die gij behoort te doen’ (2 Nephi 32:3).

Of deze woorden van een liefdevolle vader aan zijn zoons: ‘En nu, mijn zonen, bedenkt, bedenkt, het is op de rots van onze Verlosser, die Christus is, de Zoon Gods, dat gij uw fundament moet bouwen’ (Helaman 5:12).

Of deze woorden van een profeet: ‘Komt tot Christus en wordt vervolmaakt in Hem’ (Moroni 10:32).

Kunnen deze uitspraken uit het Boek van Mormon door de duivel zijn geschreven? Nadat de Heiland bepaalde duivels had uitgeworpen, beweerden de Farizeeën dat Hij dat ‘door Beëlzebul, de overste der geesten’ had gedaan. De Heiland antwoordde dat zo’n conclusie onzinnig was. Hij zei: ‘Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen (…) huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden.’ En dan zijn aangrijpende conclusie: ‘En indien de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden?’ (Matteüs 12:24–26; cursivering toegevoegd.)

Als de voorgaande teksten uit het Boek van Mormon ons leren dat we de Heiland moeten aanbidden, liefhebben en dienen (en dat doen ze), hoe kunnen ze dan van de duivel afkomstig zijn? Als dat zo zou zijn, zou hij tegen zichzelf verdeeld zijn en zou hij zijn eigen koninkrijk verdelgen — een omstandigheid die volgens de Heiland niet kan bestaan. Als iemand het Boek van Mormon oprecht en zonder vooroordelen leest, zal hij of zij tot dezelfde conclusie komen als mijn betovergrootvader: ‘De duivel kan het niet geschreven hebben — het moet van God afkomstig zijn.’

Maar waarom is het Boek van Mormon zo essentieel als we al de Bijbel hebben om ons over Jezus Christus te vertellen? Hebt u zich ooit afgevraagd waarom er tegenwoordig zoveel christelijke kerken zijn, die hun leerstellingen in principe uit dezelfde Bijbel halen? Dat komt omdat ze de Bijbel verschillend interpreteren. Als ze de Bijbel hetzelfde zouden interpreteren, zouden ze dezelfde kerk zijn. Dat is geen situatie die de Heer verlangt, want de apostel Paulus heeft gezegd dat er ‘één Here, één geloof, één doop’ is (Efeziërs 4:5). Om die eenheid te scheppen, heeft de Heer een goddelijke wet van getuigen ingesteld. Paulus heeft gezegd: ‘Op de verklaring van twee getuigen of van drie zal iedere zaak vaststaan’ (2 Korintiërs 13:1).

De Bijbel is een getuige van Jezus Christus; het Boek van Mormon ook. Waarom is een tweede getuige zo essentieel? Het volgende voorbeeld kan nuttig zijn: hoeveel rechte lijnen kunt u door een enkele punt op een vel papier trekken? Het antwoord is: ontelbaar. Stel u even voor dat die enkele punt de Bijbel voorstelt en dat er honderden rechte lijnen door dat punt lopen die verschillende interpretaties van de Bijbel voorstellen en dat iedere interpretatie een andere kerk vertegenwoordigt.

Maar wat gebeurt er als er op dat vel papier een tweede punt staat dat het Boek van Mormon voorstelt? Hoeveel rechte lijnen kunt u trekken tussen deze twee punten: de Bijbel en het Boek van Mormon? Maar één. Slechts één interpretatie van de leerstellingen van Christus voldoet aan het getuigenis van deze twee getuigen.

Steeds opnieuw is het Boek van Mormon een bevestigende, verduidelijkende, samenhangende getuige van de leerstellingen in de Bijbel, zodat er slechts ‘één Here, één geloof, één doop’ is. Sommige mensen begrijpen bijvoorbeeld niet goed dat de doop essentieel is voor het eeuwig heil, hoewel de Heiland tegen Nicodemus heeft gezegd: ‘Tenzij iemand geboren wordt uit water en geest, kan hij het koninkrijk Gods niet binnengaan’ (Johannes 3:5). Het Boek van Mormon neemt alle twijfel over dat onderwerp weg: ‘En Hij gebiedt alle mensen zich te bekeren en zich in zijn naam te laten dopen, (…) anders kunnen zij niet worden behouden in het koninkrijk Gods’ (2 Nephi 9:23).

Er zijn tegenwoordig verschillende manieren om te dopen, hoewel er in de Bijbel staat hoe de Heiland, ons grote Voorbeeld, werd gedoopt: ‘[Hij] steeg op uit het water’ (Matteüs 3:16). Had Hij uit het water kunnen komen als Hij niet eerst in het water was gegaan? Mocht er enige twijfel over dit onderwerp bestaan, dan neemt het Boek van Mormon die twijfel weg met een duidelijke uitspraak over de manier van dopen: ‘En dan zult gij hen in het water onderdompelen’ (3 Nephi 11:26).

Velen geloven dat openbaring na de Bijbel ophield, hoewel de Bijbel zelf een getuigenis is van Gods openbaringen in de eerste vierduizend jaar van de mens op aarde. Maar een enkele onjuiste leerstelling zoals deze kan een sneeuwbaleffect hebben waardoor juiste leerstellingen te gronde gaan. Geloven dat er geen openbaring meer is, tast de leer aan ‘dat God dezelfde is gisteren, heden en voor eeuwig’ (Mormon 9:9); maar ook de leer die Amos verkondigde, namelijk: ‘De Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten’ (Amos 3:7); en niet te vergeten de leer ‘dat er bij God geen aanneming des persoon is’ (Handelingen 10:34) en dus tot alle mensen in alle tijdperken spreekt. Maar gelukkig staaft het Boek van Mormon de Bijbelse waarheid wat voortdurende openbaring betreft:

‘En voorts spreek ik tot u die de openbaringen van God verloochent en zegt dat zij zijn weggedaan, dat er geen openbaringen zijn. (…)

‘Lezen wij niet dat God dezelfde is gisteren, heden en voor eeuwig (…)?’ (Mormon 9:7, 9).

Met andere woorden, als God, die onveranderlijk is, in het verleden sprak, zal Hij ook in het heden spreken.

De lijst met leerstellige bevestigingen en verduidelijkingen is lang, maar geen ervan is krachtiger en diepzinniger dan de leerstellingen in het Boek van Mormon over de verzoening van Jezus Christus. Zou u niet in uw ziel het onloochenbare getuigenis willen ontvangen dat de Heiland tot onder het niveau van uw zonden is afgedaald, en dat er geen zonden of aardse problemen zijn die buiten het barmhartige bereik van zijn verzoening vallen — dat Hij voor al uw moeilijkheden een oplossing met superieure genezingskracht heeft? Lees dan het Boek van Mormon. Het zal u leren en tot u getuigen dat de verzoening van Christus oneindig is, en iedere aardse zwakheid van de mens omvat en overstijgt. Daarom heeft de profeet Mormon gezegd ‘dat gij door de verzoening van Christus (…) zult hopen’ (Moroni 7:41).

Het is dan ook niet vreemd dat het Boek van Mormon onbeschroomd verklaart: ‘En indien gij in Christus gelooft, zult gij in deze woorden geloven, want het zijn de woorden van Christus’ (2 Nephi 33:10). Samen met de Bijbel is het Boek van Mormon een onmisbaar getuigenis van de leerstellingen van Christus en zijn goddelijke aard. Samen met de Bijbel leert het ‘alle mensen dat zij goed moeten doen’ (2 Nephi 33:10). En samen met de Bijbel brengt het ons tot ‘één Here, één geloof, één doop’. Daarom is het Boek van Mormon voor ons van zo’n cruciaal belang.

Enkele jaren geleden bezocht ik een avondmaalsdienst in Toronto (Canada). Een meisje van veertien hield een toespraak. Ze zei dat ze met een van haar schoolvriendinnen over godsdienst had gesproken. Haar vriendin vroeg: ‘Bij welke kerk hoor je dan?’

Ze antwoordde: ‘De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, ofwel mormonen.’

Haar vriendin zei: ‘Ik ken die kerk, en ik weet dat die kerk niet waar is.’

‘Hoe weet je dat?’, vroeg ze.

Haar vriendin zei: ‘Omdat ik die kerk heb onderzocht.’

‘Heb je het Boek van Mormon gelezen?’

‘Nee’, zei ze. ‘Dat heb ik niet.’

Toen zei dit lieve meisje: ‘Dan heb je onze kerk niet echt onderzocht want ik heb elke pagina van het Boek van Mormon gelezen en ik weet dat het waar is.’

Ook ik heb elke pagina van het Boek van Mormon keer op keer gelezen, en net als mijn betovergrootvader geef ik u mijn getuigenis dat het van God afkomstig is. In de naam van Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1. Willard Richards. In: LeGrand Richards, A Marvelous Work and a Wonder, herziene uitgave (1972), pp. 81, 82.

  2.  

    2. C. S. Lewis, Mere Christianity (1952), pp. 40–41.