Opoffering

van het Quorum der Twaalf Apostelen


Ons leven van dienstbetoon en opoffering is de beste uiting van onze toegewijde dienst aan de Meester en onze medemens.

Het zoenoffer van Jezus Christus is wel ‘de allesovertreffende gebeurtenis van de dageraad van de schepping tot de eindeloze tijden van de eeuwigheid’1 genoemd. Dat offer is de belangrijkste boodschap van alle profeten. Het werd voorafgeschaduwd door de dierenoffers voorgeschreven in de wet van Mozes. Een profeet heeft gezegd dat de betekenis daarvan volledig wees ‘op dat grote en laatste offer [van] de Zoon van God […], ja, oneindig en eeuwig’ (Alma 34:14). Jezus Christus doorstond onbegrijpelijk lijden om Zichzelf als offer te geven voor de zonden van alle mensen. Dat offer bood het grootste goed, het zuivere en onbevlekte Lam, voor de grootste mate van het kwaad: de zonden van de hele wereld. Met de gedenkwaardige woorden van Eliza R. Snow:

Onschuldig vloeide eens zijn bloed,
Zijn leven gaf Hij ons tot heil,
Een zondeloos offer voor schuld,
Om een stervende wereld te redden.2

Dat offer, de verzoening van Jezus Christus, staat centraal in het heilsplan.

Het onbevattelijke lijden van Jezus Christus maakte een eind aan het brengen van offers door bloedvergieten, maar het maakte geen eind aan het belang van offeren in het evangelieplan. Onze Heiland blijft ons vragen om offers te brengen, maar de offers die Hij nu gebiedt, houden in dat we Hem ‘als offer een gebroken hart en een verslagen geest brengen’ (3 Nephi 9:20). Hij gebiedt bovendien dat wij elkaar allen liefhebben en dienen, of met andere woorden dat we zijn eigen offer op symbolische wijze navolgen door zelf wat van onze tijd en zelfzuchtige prioriteiten op te offeren. In een geïnspireerde lofzang zingen we: ‘Opoff’ring brengt de zegen des hemels.’3

Ik spreek vandaag over deze sterfelijke offers die onze Heiland van ons vraagt. Ik heb het niet over offers die we gedwongen worden te maken, of over handelingen die worden ingegeven doordat we er persoonlijk voordeel door behalen, maar over dienstbetoon of opoffering (zie 2 Nephi 26:29).

I.

Het christelijk geloof heeft een geschiedenis vol offers, inclusief het ultieme offer. In de begintijd van het christelijk tijdperk lieten de Romeinen duizenden christenen de martelaarsdood sterven voor hun geloof in Jezus Christus. In latere eeuwen werden de christenen door leerstellige tegenstellingen verdeeld, werden sommige groeperingen vervolgd en zelfs ter dood gebracht door leden van andere groeperingen. Christenen die ter dood worden gebracht door andere christenen zijn de meest tragische martelaars van het christelijk geloof.

Veel christenen hebben vrijwillig offers gebracht, gemotiveerd door hun geloof in Christus en het verlangen om Hem te dienen. Sommigen hebben besloten hun hele volwassen leven in dienst van de Meester door te brengen. Onder deze edele mensen bevinden zich zowel leden van de godsdienstige ordes van de katholieke kerk als zij die zich hun leven lang als christelijk zendeling voor de verschillende protestantse kerken hebben ingezet. Hun voorbeeld is uitdagend en inspirerend. Maar van de meeste gelovigen in Christus wordt niet verwacht dat zij hun hele leven aan godsdienstig werk wijden, noch zijn zij daartoe in staat.

II.

Voor de meeste volgelingen van Christus geldt dat onze opoffering inhoudt dat we in ons dagelijks leven doen wat we kunnen. En in die zin kan ik geen andere groep mensen bedenken waarvan de leden zich meer offers getroosten dan heiligen der laatste dagen. Hun offers — uw offers, broeders en zusters — staan in schril contrast met het bekende wereldse streven naar persoonlijke vervulling.

Mijn eerste voorbeeld is onze mormoonse pioniers. De heroïsche wijze waarop zij hun leven, familierelaties, woning en gemakken opofferden, maken deel uit van het fundament van het herstelde evangelie. ‘Dit was echt een tijd van beproeving voor zowel mijn man als mij; maar de plicht riep ons op om enige tijd van elkaar gescheiden te zijn, en weten dat we de wil van de Heer gehoorzaamden, bracht ons ertoe onze gevoelens op te offeren voor de vestiging van het werk (…) aan de opbouw van Gods koninkrijk op aarde.’4

Tegenwoordig is de opvallendste kracht van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen het onzelfzuchtige dienstbetoon en de opoffering van haar leden. Voor de inwijding van een van onze tempels vroeg een christenpredikant aan president Gordon B. Hinckley waarom er geen afbeelding van een kruis op te zien was, daar dit het meest voorkomende symbool van het christelijk geloof is. President Hinckley antwoordde dat het symbool van ons christelijk geloof ‘het leven van onze leden’5 is. Een leven vol dienstbetoon en opoffering is echt de meest gepaste uiting van onze toewijding aan de Meester en onze medemens.

III.

We hebben geen professioneel opgeleide en gesalarieerde predikanten in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Het gevolg is dat de leken die geroepen worden om onze kerkgemeentes aan te voeren de last moeten dragen van het leiden van de talrijke bijeenkomsten, programma’s en activiteiten van de kerk. Alleen al in de Verenigde Staten en Canada doen zij dat in meer dan veertienduizend kerkunits. Natuurlijk zijn wij niet de enigen die leken als leerkracht of leider in onze kerkgemeentes hebben. Maar wij zijn wel uniek in de vele uren die onze leden besteden om elkaar te instrueren en te dienen. Onze inzet om alle families in onze kerkunits maandelijks door huisonderwijzers te laten bezoeken, en elke volwassen vrouw door huisbezoeksters van de zustershulpvereniging te laten bezoeken, is hier een voorbeeld van. Wij kennen geen enkele organisatie in de wereld die een vergelijkbare dienst levert.

De bekendste voorbeelden van unieke dienstbaarheid en opoffering in onze kerk zijn onze zendelingen. Momenteel zijn het meer dan vijftigduizend jonge mannen en jonge vrouwen, en meer dan vijfduizend volwassen mannen en vrouwen. Zij wijden een half tot twee jaar van hun leven aan het geven van onderricht in het evangelie van Jezus Christus en het verschaffen van humanitaire hulp in ruim 160 landen over de hele wereld. Hun werk vereist altijd opoffering, inclusief de jaren die zij geven aan het werk van de Heer, en de financiële middelen die ze aan hun levensonderhoud besteden.

Zij die thuis achterblijven — ouders en andere gezinsleden — brengen ook een offer door het gezelschap en de hulp van de uitgezonden zendeling op te geven. Een voorbeeld: een jonge Braziliaan kreeg een zendingsoproep terwijl hij voor zijn broertjes en zusjes de kostwinner was sinds de dood van zijn vader en moeder. Een algemeen autoriteit vertelde dat de kinderen beraadslaagden en zich herinnerden dat hun ouders ze hadden geleerd dat ze altijd klaar moesten staan om de Heer te dienen. De jongeman aanvaardde zijn zendingsoproep en een zestienjarige broer nam de taak als kostwinner voor het gezin over.6 Wij kennen geen enkele andere organisatie in de wereld met een vergelijkbare inzet van vrijwilligers die dergelijke offers vereist.

Men vraagt ons vaak: ‘Hoe haalt u uw jonge mensen of uw oudere leden over om hun studie of hun pensioen achter zich te laten en deze offers te brengen?’ Ik heb al velen deze uitleg horen geven: ‘Wetend wat mijn Heiland voor mij heeft gedaan — de barmhartigheid die Hij me heeft betoond door te lijden voor mijn zonden en de dood te overwinnen zodat ik kan herleven — vind ik het een voorrecht om dit kleine offer te brengen dat van mij wordt gevraagd om Hem te dienen. Ik wil het begrip dat ik van Hem heb gekregen graag doorgeven.’ Hoe halen we dergelijke volgelingen van Christus over om te dienen? Zoals de profeet heeft uitgelegd: ‘We vragen het [gewoon] aan ze.’7

Andere offers als gevolg van zendingswerk zijn de offers gebracht door hen die handelen naar het onderricht van de zendelingen en lid van de kerk worden. Voor veel bekeerlingen zijn deze offers bijzonder groot, bijvoorbeeld als ze vrienden of de omgang met familieleden kwijtraken.

Vele jaren geleden werd tijdens deze conferentie verteld over een jonge man die het herstelde evangelie leerde kennen tijdens zijn studie in de Verenigde Staten. Toen hij op het punt stond terug te keren naar zijn geboorteland, vroeg president Gordon B. Hinckley hem wat er met hem zou gebeuren als hij als christen naar huis terugkeerde. ‘Mijn familie zal teleurgesteld zijn’, antwoordde de jonge man. ‘Ze kunnen me verstoten en als dood beschouwen. Wat mijn toekomst en mijn loopbaan betreft, zouden alle kansen uitgesloten kunnen zijn.’

‘Ben je bereid om zo’n grote prijs te betalen voor het evangelie?’ vroeg president Hinckley.

Met tranen in zijn ogen antwoordde de jonge man: ‘Het is toch waar?’ Op het bevestigende antwoord zei hij: ‘Wat maakt al het andere dan uit?’8 Dat is de geest van opoffering onder veel nieuwe leden van de kerk.

Andere voorbeelden van dienstbetoon en opoffering zijn zichtbaar in het leven van getrouwe leden die dienst doen in onze tempels. Het tempelwerk dat heiligen der laatste dagen doen, is uniek. Maar alle christenen zouden moeten kunnen begrijpen wat het belang is van de offers die ze zich getroosten. Heiligen der laatste dagen hebben geen kloostertraditie, maar we hebben wel begrip en respect voor de opoffering van hen die er door hun christelijke geloof toe gedreven worden om hun leven aan die godsdienstige activiteit te wijden.

Precies een jaar geleden vertelde president Thomas S. Monson tijdens deze conferentie over een voorbeeld van opoffering met betrekking tot tempelwerk. Een getrouwe mormoonse vader van een afgelegen eiland in de Stille Oceaan deed ver van huis zes jaar lang zwaar lichamelijk werk om het geld te verdienen dat hij nodig had om met zijn vrouw en tien kinderen voor eeuwige verzegelingen naar de tempel in Nieuw-Zeeland te gaan. President Monson legde uit: ‘Zij die de eeuwige zegeningen van de tempel begrijpen, weten dat geen offer te groot is, geen prijs te hoog, geen worsteling te zwaar om die zegeningen te ontvangen.’9

Ik ben dankbaar voor de geweldige voorbeelden van christelijke naastenliefde, dienstbaarheid en opoffering die ik onder de heiligen der laatste dagen heb gezien. Ik zie u uw kerkroepingen vervullen, vaak ten koste van grote offers in tijd en geld. Ik zie u op eigen kosten op zending gaan. Ik zie u opgewekt uw beroepsvaardigheden bijdragen om uw medemens te helpen. Ik zie u met persoonlijke inzet en door bijdragen aan de welzijnszorg en humanitaire acties van de kerk zorgen voor de armen.10 Dit wordt allemaal bevestigd door een landelijk onderzoek [in Amerika] waarin werd geconcludeerd dat actieve leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen ‘aanzienlijk meer vrijwilligerswerk doen en hogere bijdragen geven aan liefdadigheid dan de gemiddelde Amerikaan, en dat ze zelfs guller geven van hun tijd en geld dan de twintig procent meest godsdienstige mensen in Amerika.’11

Wij allen putten kracht uit dergelijke voorbeelden. Ze herinneren ons aan de lering van de Heiland:

‘Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf (…).

‘Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden’ (Matteüs 16:24–25).

IV.

Misschien wel de bekendste en belangrijkste voorbeelden van onzelfzuchtig dienstbetoon en opoffering komen voor in ons gezin. Moeders wijden zich aan het baren en opvoeden van hun kinderen. Echtgenoten zetten zich in voor het onderhoud van hun vrouw en kinderen. De opofferingen die gepaard gaan met de dienstbaarheid aan ons gezin, die van eeuwig belang is, zijn te talrijk om te noemen en te bekend om te hoeven noemen.

Ik zie ook onzelfzuchtige heiligen der laatste dagen kinderen adopteren, ook kinderen met bijzondere behoeften, en zich opgeven als pleegouders voor kinderen die de hoop op een gezin en kansen zijn ontzegd door vroegere omstandigheden. Ik zie u zorgen voor familieleden en buren die lijden aan aangeboren afwijkingen, mentale en fysieke kwalen, en de gevolgen van een hoge leeftijd. De Heer ziet u ook, en Hij heeft zijn profeten de uitspraak ingegeven dat ‘als u zich opoffert voor elkaar en voor uw kinderen, de Heer u zal zegenen’.12

Ik geloof dat heiligen der laatste dagen die onzelfzuchtig dienstbetoon verlenen en offers brengen in aanbidding en navolging van onze Heiland, zich merendeels meer aan eeuwige waarden houden dan enige andere groep mensen. Heiligen der laatste dagen zien hun offers van tijd en geld als onderdeel van hun leergeld en zien het als een manier om in aanmerking te komen voor de eeuwigheid. Dat is een waarheid geopenbaard in Lectures on Faith: ‘Een godsdienst die niet vergt dat men alles opoffert, heeft nooit voldoende macht om het geloof te ontwikkelen dat nodig is voor leven en eeuwig heil; (…) door deze opoffering, en uitsluitend hierdoor, heeft God verordineerd dat de mens het eeuwige leven zal ontvangen.’13

Net zoals het zoenoffer van Jezus Christus centraal staat in het heilsplan, moeten wij als volgelingen van Christus ervoor zorgen dat onze eigen opofferingen ons voorbereiden op de bestemming die dit plan ons verschaft.

Ik weet dat Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God, de eeuwige Vader, is. Ik weet dat wij door zijn zoenoffer verzekerd zijn van de onsterfelijkheid en kans maken op het eeuwige leven. Hij is onze Heer, onze Heiland en onze Verlosser, en ik getuig van Hem in de naam van Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1. Bruce R. McConkie, The Promised Messiah: The First Coming of Christ (1981), p. 218

  2.  

    2. Naar ‘How Great the Wisdom and the Love’, Hymns, nr. 195.

  3.  

    3. ‘Ere de man’, lofzang 24.

  4.  

    4. Sarah Rich, geciteerd in Guinevere Thomas Woolstenhulme, ‘I Have Seen Many Miracles’. In: Richard E. Turley jr. en Brittany A. Chapman, Women of Faith in the Latter Days: deel 1, 1775–1820 (2011), p. 283.

  5.  

    5. Gordon B. Hinckley, ‘Het symbool van ons geloof’, Liahona, april 2005, p. 4.

  6.  

    6. Zie Harold G. Hillam, ‘Sacrifice in the Service’, Ensign, november 1995, p. 42.

  7.  

    7. Gordon B. Hinckley, ‘Het wonder van geloof’, Liahona, juli 2001, p. 84.

  8.  

    8. Zie Gordon B. Hinckley, ‘Het is toch waar?’, Liahona, oktober 1993, pp. 3–4; zie ook Neil L. Andersen, ‘Het is toch waar? Dan doet al het andere er niet toe!’, Liahona, mei 2007, p. 74.

  9.  

    9. Thomas S. Monson, ‘De heilige tempel: een baken voor de wereld,’ Liahona, mei 2011, pp. 91–92.

  10.  

    10. Zie bijvoorbeeld Naomi Schaefer Riley, ‘What the Mormons Know about Welfare’, Wall Street Journal, 18 februari 2012, p. A11.

  11.  

    11. Ram Cnaan en anderen, ‘Called to Serve: The Prosocial Behavior of Active Latter-day Saints’ (concept), p. 16.

  12.  

    12. Ezra Taft Benson, ‘To the Single Adult Brethren of the Church’, Ensign,, mei 1988, p. 53.

  13.  

    13.  Lectures on Faith (1985), p. 69.