Kunt gij nu zo gestemd zijn?

Ouderling Quentin L. Cook

van het Quorum der Twaalf Apostelen


Sommigen in de kerk zijn van mening dat ze Alma’s vraag niet volmondig kunnen beamen. Ze zijn nu niet ‘zo gestemd’.

President Monson, we hebben u lief, en eren en steunen u! Deze historische en belangrijke bekendmaking in verband met het zendingswerk is inspirerend. Ik kan mij nog goed de opwinding herinneren toen in 1960 de minimumzendingsleeftijd voor jongemannen van 20 naar 19 werd verlaagd. Ik arriveerde in de Britse Zending nog als 20-jarige. De eerste 19-jarige in ons zendingsgebied was ouderling Jeffrey R. Holland, een formidabele aanwinst. Hij zou pas een paar maanden later twintig worden. Daarna begonnen er meer 19-jarigen te arriveren. Dat waren gehoorzame, getrouwe zendelingen en het werk breidde zich uit. Ik heb er alle vertrouwen in dat de oogst nog groter zal worden naarmate meer rechtschapen, toegewijde zendelingen gehoor geven aan het gebod van de Heiland om het evangelie te prediken.

Naar mijn mening zijn de jongeren van de huidige generatie beter voorbereid dan alle voorgaande generaties. Jullie kennis van de Schriften is in het bijzonder indrukwekkend. De problemen waarmee jullie generatie wordt geconfronteerd bij jullie voorbereiding op een zending, zijn echter grotendeels vergelijkbaar met die van alle leden van de kerk. We weten allemaal dat de cultuur in de wereld niet bijdraagt tot rechtschapenheid of geestelijke toewijding. Door de eeuwen heen hebben kerkleiders de mensen gewaarschuwd en bekering gepredikt. In het Boek van Mormon lezen we dat Alma de jonge zich zo’n zorgen maakte over de heersende ongerechtigheid en het gebrek aan toewijding dat hij aftrad als opperrechter, de hoogste leider van het volk van Nephi, en zich volledig concentreerde op zijn profetische roeping.1

In een van de diepzinnigste verzen van alle Schriftuur zegt Alma: ‘Indien gij een verandering van hart hebt ondergaan, en indien gij gestemd waart het lied der verlossende liefde te zingen, zou ik willen vragen: kunt gij nu zo gestemd zijn?’2

Priesterschapsleiders wereldwijd rapporteren dat de kerk als geheel nooit sterker is geweest, vooral onze jongeren. Maar bijna altijd spreken ze twee zorgen uit: ten eerste de toenemende ongerechtigheid in de wereld en, ten tweede, de lusteloosheid en het gebrek aan toewijding van sommige leden. Ze willen weten hoe ze de leden ertoe kunnen bewegen de Heiland te volgen en een diepgaande en blijvende bekering te bewerkstelligen.

Deze vraag, ‘Kunt gij nu zo gestemd zijn?’ wordt al eeuwenlang gesteld. Gelet op wat wij allemaal in deze bedeling hebben ontvangen — onder meer de herstelling van de volheid van het evangelie van Jezus de Christus, de uitstorting van geestelijke gaven en de onbetwistbare hemelse zegeningen — is deze uitdaging van Alma nog nooit zo belangrijk geweest.

Kort nadat Ezra Taft Benson in 1943 als apostel was geroepen, gaf president George Albert Smith3 de raad: ‘Uw zending [is] de mensen […] op een zo vriendelijk mogelijke manier te waarschuwen dat bekering de enige remedie is tegen de kwalen van de wereld.’4 Ten tijde van deze raad was de Tweede Wereldoorlog in volle gang.

Tegenwoordig is de morele teloorgang geëscaleerd. Een vooraanstaand schrijver heeft onlangs gezegd: ‘Iedereen weet dat de cultuur is vergifigd, en niemand verwacht dat dat zal veranderen.’5 De constante uitbeelding van geweld en onzedelijkheid in muziek, amusement, kunst en andere media in onze dagelijkse cultuur is ongeëvenaard. Dat werd puntig onder woorden gebracht door een gerespecteerd theoloog van doopsgezinde huize, die verklaarde: ‘Het geestelijke immuunsysteem van een gehele beschaving is verzwakt geraakt.’6

Het is niet verwonderlijk dat sommigen in de kerk van mening zijn dat ze Alma’s vraag niet volmondig kunnen beamen. Ze zijn ‘nu niet zo gestemd’. Ze hebben het gevoel dat ze geestelijk uitgedroogd zijn. Anderen zijn boos, gekwetst of teleurgesteld. Als u zich hierin herkent,7 is het belangrijk dat u nagaat waarom u niet ‘zo gestemd’ bent.

Velen die geestelijk zijn uitgedroogd en toewijding missen, hebben niet noodzakelijkerwijs grote zonden of overtredingen begaan, maar wel onverstandige keuzes gemaakt. Sommigen komen de heilige verbonden minder nauw na. Anderen besteden veel tijd en aandacht aan minder belangrijke zaken. Sommigen laten hun trouw aan het evangelie van Jezus Christus schieten voor zwaarwegende culturele en politieke standpunten. Anderen schenken veel aandacht aan internetsites waarop de zwakheden van vroegere kerkleiders worden uitvergroot, overdreven en, in sommige gevallen, verzonnen. Daarna trekken ze de verkeerde conclusies die hun getuigenis op losse schroeven kunnen zetten. Wie dergelijke keuzes heeft gemaakt, kan zich bekeren en zich geestelijk herbronnen.

Nauwgezette Schriftstudie is van wezenlijk belang voor geestelijke voeding.8 Het woord Gods zet aan tot toewijding en fungeert als een geneeskrachtig balsem tegen gekwetste gevoelens, boosheid of teleurstelling.9 Als onze toewijding om welke reden dan ook verminderd is, maakt bekering deel uit van de oplossing.10 Toewijding en bekering zijn nauw verwant aan elkaar.

C. S. Lewis, de ijverige, pragmatische christelijke schrijver heeft de kwestie helder onder woorden gebracht. Hij verzekerde zijn lezers dat het christendom mensen oproept zich te bekeren en hun vergeving belooft; maar dat het christendom zwijgt zolang mensen niet beseffen en voelen dat ze vergeving nodig hebben. Hij verklaarde: ‘Pas als u ziek bent, luistert u naar de dokter.’11

De profeet Joseph Smith heeft uitgelegd dat u zich vóór uw doop op neutraal terrein tussen goed en kwaad bevond. Maar ‘toen u lid werd van deze kerk, ging u in dienst bij God. Toen u dat deed, verliet u het neutrale terrein, en u kunt daar nooit meer terugkeren.’ Hij raadde ons aan de Meester nooit te verlaten.12

Alma benadrukte dat de verzoening van Jezus de Christus het mogelijk maakt dat ‘de armen der barmhartigheid zijn […] uitgestrekt’ naar hen die zich bekeren.13 Daarna stelt hij indringende en belangrijke vragen zoals: Zijn we gereed om God te ontmoeten? Houden we onszelf schuldeloos? Iedereen behoort over die vragen na te denken. Alma had zelf een krachtige en dwingende ervaring met ongehoorzaamheid aan zijn getrouwe vader, om vervolgens op dramatische wijze tot het inzicht te komen dat hij vergeving nodig had en wat het betekende om het lied der verlossende liefde te zingen.

Hoewel alles wat de toewijding vermindert, aandacht verdient, zijn er twee culturele problemen die de boventoon voeren. De eerste is ruwheid, geweldpleging en huiselijk geweld. De tweede is seksuele onzedelijkheid en onreine gedachten. Deze gaan vaak vooraf aan en liggen ten grondslag aan de keuze om minder toegewijd te zijn.

Hoe wij onze vrouw en kinderen behandelen is van groot belang. Geweld, mishandeling, gebrek aan hoffelijkheid en respect in het gezin zijn onacceptabel — onacceptabel voor volwassenen en onacceptabel voor het opkomende geslacht. Mijn vader was niet actief in de kerk, maar hij was een goed voorbeeld, vooral in hoe hij mijn moeder behandelde. Hij zei altijd: ‘God houdt mannen verantwoordelijk voor elke traan die zij hun vrouw laten schreien.’ Datzelfde idee wordt in ‘Het gezin: een proclamatie aan de wereld’ benadrukt. Daar staat: ‘Degenen die […] hun partner of kinderen mishandelen, [zullen] op een dag aan God rekenschap moeten afleggen.’14 In welke cultuur we ook zijn opgegroeid, en of onze ouders ons wel of niet mishandelden, we mogen niemand anders lichamelijk, emotioneel of verbaal mishandelen.15

De behoefte aan hoffelijkheid in onze samenleving is nog nooit zo groot geweest. Het fundament van minzaamheid en hoffelijkheid wordt thuis gelegd. Het is niet verrassend dat onze omgangsvormen op straat in gelijke mate zijn afgenomen met het verval van het gezin. Het gezin is de plek waar liefde zijn oorsprong vindt en spiritualiteit wordt gehandhaafd. In het gezin kan godsdienst tot bloei komen. Met recht kunnen we zeggen dat ‘elk schoonheid in het rond [ziet] als er [thuis] liefde heerst.’16

Seksuele onzedelijkheid en onreine gedachten zijn in tegenspraak met de normen die de Heer heeft gesteld.17 We zijn aan het begin van deze bedeling gewaarschuwd dat seksuele onzedelijkheid weleens het grootste probleem kon worden.18 Dergelijk gedrag zal, zonder bekering, leiden tot geestelijke uitdroging en verlies van toewijding. In films, op de tv en het internet komen vaak immorele boodschappen en beelden voor. President Dieter F. Uchtdorf en ik waren onlangs in een dorpje in het Amazonegebied en zagen daar satellietschotels op zelfs het kleinste hutje staan. We vonden het prachtig dat er in dat afgelegen gebied informatie beschikbaar is. Ook zagen we in dat er bijna geen plek meer op aarde te vinden is, die verschoond is gebleven van obscene, onzedelijke en prikkelende beelden. Dat is een van de redenen dat pornografie tegenwoordig zo’n plaag is.

Onlangs had ik een verhelderend gesprek met een 15-jarige Aäronisch-priesterschapsdrager. Door hem werd het mij duidelijk hoe gemakkelijk jongeren in dit digitale tijdperk ongewild in aanraking komen met oneerbare en zelfs pornografische beelden. Hij legde uit dat de kerk al jaren beginselen verkondigt waarvan men nu in de maatschappij inziet dat de veronachtzaming van die beginselen kwalijke gevolgen voor de gezondheid en het welzijn in het algemeen heeft. Hij noemde roken, drugsgebruik en alcoholgebruik onder jongeren. Maar hij vervolgde dat de maatschappij over het algemeen niets onderneemt tegen pornografie en onzedelijkheid.

Geliefde broeders en zusters, deze jongeman had het bij het rechte eind. Is er een antwoord op? De profeten en apostelen verkondigen al jaren hoe belangrijk het is om onze godsdienst thuis na te leven.19

Ouders, de tijd is voorbij dat geregelde deelname aan de bijeenkomsten en programma’s van de kerk, hoe belangrijk ook, voldoende was om uw kinderen een moreel en rechtschapen leven en een godvruchtige levenswijze bij te brengen. In het licht van president Monsons bekendmaking is het van groot belang dat dat thuis wordt gedaan, het toevluchtsoord waar minzaamheid, vergevensgezindheid, waarheid en rechtschapenheid de regel zijn. Ouders moeten de moed hebben om regels te stellen voor het internet, televisie, films en muziek. Ouders moeten de moed hebben om ‘nee’ te zeggen, de waarheid te verdedigen, en krachtig te getuigen. Uw kinderen dienen te weten dat u in de Heiland gelooft, van uw hemelse Vader houdt, en de leiders van de kerk steunt. Er moet thuis sprake zijn van spirituele wasdom. Ik hoop dat het iedereen na deze conferentie duidelijk is dat er van hen wordt verwacht dat ze de morele kwesties van tegenwoordig thuis aan de orde stellen. De bisschoppen en de leidinggevenden van priesterschap en hulporganisaties dienen gezinnen te steunen en erop toe te zien dat er in spirituele beginselen wordt onderricht. Huisonderwijzers en huisbezoeksters kunnen bijstaan, vooral bij de kinderen van alleenstaande ouders.

De jongeman over wie ik het eerder had, was serieus toen hij vroeg of de apostelen wisten op welke leeftijd het onderwijs tegen de invloeden van pornografie en onreine gedachten diende te beginnen. Hij stelde uitdrukkelijk dat het in sommige gebieden niet te vroeg is als dat al in het jeugdwerk begint.

Jongeren die zich al heel jong in hun leven hebben ingelaten met onzedelijke beelden zijn doodsbenauwd dat ze daardoor niet meer in aanmerking komen voor een zending en de tempel. Dat kan hun geloof grote schade toebrengen. Ik wil jullie laten weten, jongeren, dat jullie door je te bekeren in aanmerking kunnen komen voor alle hemelse zegeningen.20 Daar is nu juist de verzoening van de Heiland voor. Praat maar met je ouders of iemand anders die je vertrouwt. Vraag raad aan je bisschop.

Wat zedelijkheid aangaat, geloven sommige volwassenen dat het niet nodig is om zich aan Jezus’ leringen te houden, zo lang ze maar liefdadig zijn. Ze houden zichzelf voor dat onzedelijkheid ‘zo erg niet is [zolang] ik maar menslievend en liefdadig ben.’21 Met een dergelijke denkwijze misleidt u uzelf. Van sommige jongeren hoor ik dat het in onze huidige cultuur niet ‘cool’ is om al te zeer je best te doen, om je al te strikt aan rechtschapen beginselen te houden.22 Zorg dat je niet in die val trapt.

Bij de doop beloven we ‘de naam van [Jezus] Christus’ op ons te nemen, ‘vastbesloten […] Hem tot het einde te dienen.’23 Een dergelijk verbond vergt dat we moedig ons best doen, en toegewijd en integer zijn als we het lied der verlossende liefde willen blijven zingen en werkelijk bekeerd willen blijven.

Een historisch voorbeeld van grote, onwrikbare toewijding voor jong en oud is dat van een Britse atleet die in 1824 in Parijs aan de Olympische Spelen meedeed.

Eric Liddell was de zoon van een Schotse zendeling in China en een godvruchtig man. Hij kreeg het hele Britse Olympische Comité over zich heen door te weigeren deel te nemen aan een kwalificatiewedstrijd op de honderd meter die op zondag werd gehouden. Maar hij zou uiteindelijk wel de vierhonderd meter hardlopen winnen. Vooral Liddells weigering om op zondag aan een wedstrijd mee te doen spreekt tot de verbeelding.

In beschrijvingen en op gedenktekens ter zijner nagedachtenis staan deze inspirerende woorden van Jesaja: ‘Wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat.’24

Liddells prijzenswaardige stellingname was van grote invloed op de beslissing van onze jongste zoon om op zondag niet te gaan sporten, en wat nog belangrijker was, om af te zien van onrechtvaardig en werelds gedrag. Hij leverde het citaat uit Jesaja in voor opname in het jaarboek van zijn school. Liddell liet een krachtig voorbeeld van vastberadenheid en beginselvastheid na.

Als onze jongeren de raad van president Monson om zich op een zending voor te bereiden opvolgen, en als we allemaal de beginselen naleven die de Heiland verkondigde en ons gereedmaken om God te ontmoeten,25 winnen we een veel belangrijkere wedloop.26 Dan zullen we de Heilige Geest als onze gids hebben, die ons geestelijke leiding geeft. Tegen ieder van wie het leven niet in orde is, zeg ik dat het nooit te laat is om de verzoening van de Heiland het fundament van ons geloof en ons leven te maken.27

Jesaja heeft gezegd: ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.’28

Ik bid oprecht dat ieder van ons de nodige stappen zal nemen om nu de Heilige Geest te voelen, zodat we met geheel ons hart het lied der verlossende liefde kunnen zingen. Ik getuig van de kracht van zijn verzoening in de naam van Jezus Christus. Amen. ◼

Show References

  1.  

    1. Zie Alma 4:15–19.

  2.  

    2.  Alma 5:26.

  3.  

    3. George Albert Smith was toen president van het Quorum der Twaalf Apostelen. Pas op 21 mei 1945 werd hij president van de kerk. (Zie Deseret News 2012 Church Almanac [2012], p. 98.)

  4.  

    4. George Albert Smith. In: Sheri L. Dew, Ezra Taft Benson: A Biography (1987), p. 184.

  5.  

    5. Peggy Noonan, ‘The Dark Night Rises’, Wall Street Journal, 28–29 juli 2012, p. A17.

  6.  

    6. Dr. R. Albert Mohler Jr., president, The Southern Baptist Theological Seminary, presentatie aan godsdienstleiders, New York City, 5 september 2012.

  7.  

    7. Zie 2 Nephi 2:27.

  8.  

    8. Zie Johannes 5:39; Amos 8:11; zie ook James E. Faust, ‘A Personal Relationship with the Savior’, Ensign, november 1976, pp. 58–59.

  9.  

    9. Zie Alma 31:5.

  10.  

    10. Zie Alma 36:23–26.

  11.  

    11. C. S. Lewis, Mere Christianity (1952), pp. 31–32. Lewis studeerde Engelse literatuur aan de Oxford University en was voorzitter van de faculteit Middeleeuws en Renaissance-Engels aan Cambridge University.

  12.  

    12. Zie Leringen van kerkpresidenten: Joseph Smith (2007), p. 350; zie ook Openbaring 3:15–16.

  13.  

    13.  Alma 5:33.

  14.  

    14. ‘Het gezin: een proclamatie aan de wereld’, Liahona, november 2010, p. 129.

  15.  

    15. Zie Richard G. Scott, ‘Hindernissen voor geluk verwijderen’, De Ster, juli 1998, pp. 95. Sommige culturele gebruiken zijn in tegenspraak met de leringen van de Heiland en kunnen ons de verkeerde kant opsturen. Toen ik in Zuid-Oceanië was, ontmoette ik een man die de kerk vele jaren had onderzocht. Hij vertrouwde mij toe dat hij diep onder de indruk was toen hij een kerkleider in een priesterschapsvergadering hoorde zeggen: ‘De handen die u eerder gebruikte om uw kinderen te slaan, moet u gebruiken om uw kinderen te zegenen.’ Hij volgde de zendingslessen, liet zich dopen en is een groot leider geworden.

  16.  

    16. ‘Als er liefde heerst’, lofzang 192.

  17.  

    17. Zie Alma 39.

  18.  

    18. Zie Ezra Taft Benson, ‘Cleansing the Inner Vessel’, Ensign, mei 1986, p. 4.

  19.  

    19. President Gordon B. Hinckley las ‘Het gezin: een proclamatie aan de wereld’ in september 1995 voor in de algemene ZHV-bijeenkomst. President Thomas S. Monson gaf leiding aan de veranderingen in het eerste hoofdstuk van Handboek 2: de kerk besturen (2010), ‘Het gezin en de kerk in het plan van God’.

  20.  

    20. Zie Alma 13:27–30; 41:11–15.

  21.  

    21. Ross Douthat, Bad Religion: How We Became a Nation of Heretics (2012), p. 238; zie ook Alma 39:5.

  22.  

    22. Sta niet toe dat een cultuur die bol staat van geweld en onzedelijkheid, en die kritiek uit op wie de beginselen die Jezus leerde proberen na te leven, uw geloof ondermijnt. De dichter Wordsworth zei het zo: ‘Voed [uw geest] met verheven gedachten, opdat geen boze tong noch hard oordeel, noch de sneren van zelfzuchtige mensen […] u overwinnen […] of uw blijmoedige geloof verstoren’ (‘Lines Composed a Few Miles above Tintern Abbey’. In: The Oxford Book of English Verse, ed. Christopher Ricks [1999], p. 346).

  23.  

    23.  Moroni 6:3; cursivering toegevoegd; zie ook Mosiah 18:13.

  24.  

    24.  Jesaja 40:31; zie Robert L. Backman, ‘Day of Delight’, New Era, juni 1993, pp. 48–49.

  25.  

    25. Zie Alma 34:32.

  26.  

    26. Zie 1 Korintiërs 9:24–27.

  27.  

    27. Zie Helaman 5:12. Oliver Wendell Holmes gaf deze raad: ‘Ik vind dat het belangrijkste in deze wereld is, niet zo zeer waar we ons bevinden, maar in welke richting we ons begeven. Om de poort van de hemel te bereiken, moeten we soms voor de wind zeilen en soms tegen de wind in — maar zeilen moeten we, en niet drijven, noch moeten we voor anker gaan.’ (The Autocrat of the Breakfast-Table [1858], p. 105).

  28.  

    28.  Jesaja 1:18.