Anderen zien zoals zij kunnen worden

President Thomas S. Monson


We moeten het vermogen ontwikkelen om mensen niet te zien zoals ze nu zijn, maar zoals ze kunnen worden.

Mijn geliefde broeders, twee keer per jaar zit dit Conferentiecentrum helemaal vol met dragers van het priesterschap van God die naar inspirerende boodschappen komen luisteren. Er heerst een geweldige geest, die de algemene priesterschapsbijeenkomst van de kerk doordringt. Die geest gaat uit van het Conferentiecentrum en strekt zich uit tot elk gebouw waar de zonen Gods samenkomen. Wij hebben die geest vanavond beslist gevoeld.

Een aantal jaren geleden, voordat dit prachtige Conferentiecentrum werd gebouwd, woonde een bezoeker aan Salt Lake City in de Tabernakel op Temple Square een bijeenkomst van de algemene conferentie bij. Hij luisterde naar de boodschappen van de algemene autoriteiten. Hij luisterde naar de gebeden. Hij hoorde de prachtige muziek van het Tabernakelkoor. Hij verwonderde zich over de grandeur van het magnifieke Tabernakelorgel. Toen de bijeenkomst was afgelopen, hoorde iemand hem zeggen: ‘Ik zou er alles voor geven om te weten of wat die sprekers vandaag zeiden waar was.’ Wat hij in feite zei, was: ‘Ik zou willen dat ik een getuigenis van het evangelie had.’

Er is beslist niets in deze wereld wat meer troost en geluk geeft dan een getuigenis van de waarheid. Ik geloof dat iedere man of jongeman die hier vanavond is in zekere mate een getuigenis heeft. Als u meent dat uw getuigenis niet zo groot is als u zou willen, dan spoor ik u aan om eraan te werken dat te bereiken. Als het sterk en diepgeworteld is, werk er dan aan om het zo te houden. Wat zijn we gezegend met kennis van de waarheid.

Mijn boodschap vanavond, broeders, is dat er talloze mensen zijn die nu maar een bescheiden of helemaal geen getuigenis hebben die dit kunnen en zouden ontvangen als wij bereid zouden zijn om het onze te geven, en ze te helpen met veranderen. In sommige gevallen kunnen wij ze de motivatie geven om te veranderen. Ik noem allereerst hen die wel lid zijn, maar momenteel niet volledig toegewijd zijn aan het evangelie.

Vele jaren geleden hoorde ik tijdens een gebiedsconferentie in het Finse Helsinki in een bijeenkomst voor moeders en dochters een krachtige, gedenkwaardige, motiverende boodschap. Ik heb die boodschap nooit vergeten, ook al zijn er bijna veertig jaren verstreken sinds ik hem heb gehoord. Een van de vele waarheden die de spreker behandelde, was dat ze zei dat je een vrouw moet zeggen dat ze mooi is. Ze wil horen dat ze gewaardeerd wordt. Ze wil horen dat ze de moeite waard is.

Broeders, ik weet dat mannen in dit opzicht heel erg op vrouwen lijken. Wij moeten horen dat we iets waard zijn, dat we capabel zijn en de moeite waard. We moeten de kans krijgen om te dienen. Voor die leden die uit activiteit zijn weggegleden, of die op de achtergrond blijven en zich niet echt willen toewijden, kunnen we onder gebed naar manieren zoeken om hen te bereiken. Ze vragen voor de een of andere taak kan precies de motivatie zijn die ze nodig hebben om weer helemaal actief te worden. Maar de leidinggevenden die hiermee kunnen helpen, aarzelen soms om dit te doen. We moeten in gedachten houden dat mensen kunnen veranderen. Ze kunnen slechte gewoonten achterwege laten. Ze kunnen zich bekeren van overtredingen. Ze kunnen het priesterschap waardig zijn. En ze kunnen de Heer vol ijver dienen. Ik wil graag enkele voorbeelden geven.

Toen ik pas lid van het Quorum der Twaalf Apostelen was geworden, vergezelde ik president N. Eldon Tanner, raadgever van president David O. McKay, naar een ringconferentie in Alberta, in Canada. Tijdens de bijeenkomst las de ringpresident de namen op van vier broeders die in aanmerking kwamen om als ouderling geordend te worden. President Tanner kende die mannen, want hij had ooit in die omgeving gewoond. Maar president Tanner kende en herinnerde zich hen zoals ze ooit waren geweest en wist niet dat ze hun leven hadden veranderd en volledig in aanmerking kwamen om ouderling te worden.

De ringpresident las de naam van de eerste man op en vroeg hem om te gaan staan. President Tanner fluisterde tegen mij: ‘Kijk hem eens. Ik had nooit gedacht dat hij het zou halen.’ De ringpresident las de naam van de tweede man op, en die ging staan. President Tanner stootte me weer aan en meldde zijn grote verbazing. En zo ging dat met alle vier broeders.

Na de bijeenkomst waren president Tanner en ik in de gelegenheid om die vier broeders te feliciteren. Ze hadden aangetoond dat een mens kan veranderen.

In de jaren veertig en vijftig stond een Amerikaanse cipier, Clinton Duffy, bekend om zijn werk in het rehabiliteren van de mannen in zijn gevangenis. Een criticus zei: ‘Weet je niet dat je de aard van het beestje niet kunt veranderen?’

Waarop Duffy antwoordde: ‘Ik wijs erop dat ik niet met beesten werk. Ik werk met mensen, en die veranderen elke dag.’1

Vele jaren geleden was ik president van het Canadese zendingsgebied. We hadden daar een gemeente met erg weinig priesterschapsdragers. De gemeente werd altijd gepresideerd door een zendeling. Ik kreeg sterk het gevoel dat de gemeente door een plaatselijk lid gepresideerd moest worden.

We hadden één volwassen man in de gemeente die diaken in het Aäronisch priesterschap was, maar die niet naar de kerk ging en niet actief genoeg was om een hoger priesterschapsambt te bekleden. Ik voelde me geïnspireerd om hem als gemeentepresident te roepen. Ik zal me altijd de dag herinneren dat ik hem sprak. Ik zei hem dat de Heer me had geïnspireerd om hem als gemeentepresident te roepen. Na veel protesten en veel bemoediging van zijn vrouw zei hij dat hij het zou doen. Ik ordende hem tot priester.

Dat was het begin van een nieuwe levensfase voor die man. Hij bracht zijn leven al snel op orde en hij verzekerde me dat hij de geboden zou naleven zoals van hem verwacht werd. Binnen een paar maanden was hij tot ouderling geordend. Hij ging uiteindelijk met zijn vrouw en kinderen naar de tempel, waar ze aan elkaar verzegeld werden. Hun kinderen zijn op zending geweest en zijn in het huis van de Heer getrouwd.

Soms kan tegen onze broeders zeggen dat ze nodig zijn en dat we ze waarderen hen helpen om die stap tot toewijding en volledige activiteit te doen. En dat geldt voor alle priesterschapsdragers, ongeacht hun leeftijd. Het is onze taak hen de kans te geven om te leven zoals het behoort. We kunnen ze helpen om hun tekortkomingen te overwinnen. We moeten het vermogen ontwikkelen om mensen niet te zien zoals ze nu zijn, maar zoals ze kunnen worden als ze een getuigenis van het evangelie van Christus hebben.

Ik woonde eens een bijeenkomst bij in Leadville, in de Amerikaanse staat Colorado. Leadville ligt op een hoogte van ruim drieduizend meter. Ik herinner me die bijeenkomst vanwege de grote hoogte, maar ook vanwege wat er die avond gebeurde. Er waren maar weinig priesterschapsdragers aanwezig. Net als die gemeente in de Canadese Zending, werd die gemeente gepresideerd door een zendeling, en dat was altijd zo geweest.

Die avond hadden we een hele fijne bijeenkomst, maar tijdens de slotlofzang kreeg ik de ingeving dat er een plaatselijke gemeentepresident zou moeten zijn. Ik wendde me tot de zendingspresident en vroeg: ‘Is er niet iemand die hier zou kunnen presideren, een man van hier?’

Hij antwoordde: ‘Ik ken er geen.’

Tijdens het zingen van die lofzang keek ik eens goed naar de mannen op de voorste drie rijen. Ik leek me vooral te concentreren op een van de broeders. Ik zei tegen de zendingspresident: ‘Zou hij gemeentepresident kunnen zijn?’

Hij antwoordde: ‘Ik weet het niet. Misschien wel.’

Ik zei: ‘President, ik neem hem mee naar een andere ruimte en houd een gesprek met hem. Spreekt u na de slotlofzang de broeders toe tot ik terugkom.’

Toen we met zijn tweeën weer terugkwamen in de zaal, besloot de zendingspresident zijn getuigenis. Ik stelde die broeder voor als de nieuwe gemeentepresident. Vanaf die dag had Leadville in Colorado een plaatselijk lid als leider van de unit.

Datzelfde beginsel, broeders, geldt voor hen die nog geen lid zijn. We moeten het vermogen ontwikkelen om mensen niet te zien zoals ze zijn, maar zoals ze kunnen worden als ze lid van de kerk zijn, als ze een getuigenis van het evangelie hebben, als hun leven in overeenstemming met de evangelieleringen is.

Lang geleden, in het jaar 1961, werd er een wereldwijde conferentie voor zendingspresidenten gehouden en werden alle zendingspresidenten in de kerk voor de bijeenkomsten naar Salt Lake City gehaald. Ik kwam vanuit mijn zendingsgebied in Toronto naar Salt Lake City.

In een van de bijeenkomsten was N. Eldon Tanner aanwezig. Hij was toen assistent van het Quorum der Twaalf en was net teruggekeerd na het presideren van de zendingsgebieden in Groot-Brittannië en het westen van Europa. Hij vertelde over een zendeling die van alle zendelingen die hij had gesproken het meeste succes had gehad. Hij vertelde dat hij in dat gesprek tegen hem had gezegd: ‘Ik neem aan dat alle mensen die u hebt gedoopt door leden van de kerk geïntroduceerd zijn.’

De jonge man antwoordde: ‘Nee, we hebben ze allemaal gevonden door langs de deuren te gaan.’

Broeder Tanner vroeg hem wat er anders was aan zijn benadering — waarom hij zo’n fenomenaal succes had gehad terwijl anderen dat niet hadden. De jonge man zei dat hij probeerde om ieder die hij ontmoette te dopen. Hij zei dat als hij ergens aanklopte en een man zag die een sigaar rookte, oude kleren droeg en die schijnbaar nergens in geïnteresseerd was — en met name godsdienst — hij zich die man voorstelde onder andere omstandigheden. In gedachten zag hij hem gladgeschoren en gekleed in een wit overhemd en een witte pantalon. En de zendeling zag zichzelf de man de wateren van de doop in leiden. Hij zei: ‘Als ik zo naar iemand kijk, kan ik tot hem getuigen op een manier die zijn hart raakt.’

Wij moeten op die manier kijken naar onze vrienden, kennissen en buren. Wij moeten die mensen niet zien zoals ze zijn, maar zoals ze kunnen worden. Ik smeek u om op die manier aan ze te denken.

Broeders, de Heer heeft ons iets gezegd over het belang van het priesterschap dat we dragen. Hij heeft ons gezegd dat we het ontvangen met een eed en een verbond. Hij heeft ons de opdracht gegeven om trouw te zijn in alles wat wij ontvangen, en dat we dit verbond tot het einde toe moeten nakomen. En dan zal alles wat de Vader heeft aan ons worden gegeven.2

Moed is het woord dat we in ons hart moeten koesteren: de moed om ons af te keren van verleiding, de moed om onze stem te verheffen en te getuigen tot alle mensen die we tegenkomen, waarbij we moeten bedenken dat iedereen de kans moet krijgen om onze boodschap aan te horen. De meesten vinden het niet makkelijk om dat te doen. Maar we kunnen deze woorden van Paulus aan Timoteüs gaan geloven:

‘Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid.

‘Schaam u dus niet voor het getuigenis van onze Here.’3

In mei 1974 bevond ik me met broeder John H. Groberg op de eilanden van het Tongaanse rijk. We hadden een afspraak met de koning van Tonga, en we ontmoetten hem op een officiële audiëntie. We wisselden de gebruikelijke beleefdheden uit. Maar voordat we vertrokken, zei John Groberg iets bijzonders. Hij zei: ‘Majesteit, u en uw onderdanen zouden eigenlijk mormoon moeten worden, want dan zouden uw problemen en hun problemen grotendeels opgelost worden.’

De koning glimlachte breed en antwoordde: ‘John Groberg, misschien hebt u gelijk.’

Ik dacht aan de apostel Paulus die voor koning Agrippa stond. Ik dacht aan Agrippa’s antwoord op het getuigenis van Paulus: ‘U overtuigt mij bijna om christen te worden!’4 Broeder Groberg had de moed om een koning zijn getuigenis te geven.

Vanavond zijn er vele duizenden van onze broeders op een voltijdzending voor de Heer. Gehoor gevend aan een oproep hebben zij familie, vrienden en school achtergelaten en zijn op pad gegaan om te dienen. Wie dat niet begrijpen, vragen vaak: ‘Waarom geven ze daar zo makkelijk gehoor aan en geven ze bereidwillig zoveel op?’

Onze zendelingen zouden heel goed met de woorden van Paulus, die onvergelijkelijke zendeling uit vroeger tijden, kunnen antwoorden: ‘Want indien ik het evangelie verkondig, heb ik geen stof tot roemen. Immers ik ben ertoe genoodzaakt. Want wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig!’5

De heilige Schriften bevatten geen relevantere verklaring, geen bindender taak, geen directere instructie dan de opdracht die de herrezen Heer in Galilea bij zijn verschijning aan de elf discipelen gaf. Hij zei:

‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde.

‘Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes

‘en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.’6

Dit goddelijke gebod, met de bijbehorende heerlijke belofte, is in deze tijd ons parool, net als in het midden des tijds. Zendingswerk is een onderscheidend kenmerk van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo zijn. Zoals de profeet Joseph Smith heeft gezegd: ‘Uiteindelijk komt het erop neer dat het onze grootste en belangrijkste taak is om het evangelie te prediken.’7

Binnen twee korte jaren zullen alle voltijdzendelingen die momenteel dienst doen in dit koninklijke leger van God hun voltijdwerk hebben afgerond en naar hun dierbaren thuis zijn teruggekeerd. Hun opvolgers zijn vanavond te vinden in de gelederen van de Aäronische priesterschap in de kerk. Jongemannen, zijn jullie klaar om gehoor te geven aan de oproep? Zijn jullie bereid om je in te zetten? Zijn jullie bereid om te dienen?

President John Taylor heeft de vereisten als volgt opgesomd: ‘De soort mannen die we als de brengers van deze evangelieboodschap op het oog hebben, zijn mannen die in God geloven; mannen die in hun godsdienst geloven; mannen die hun priesterschap eren; mannen [die] vervuld zijn van de Heilige Geest en de kracht van God, […] mannen van eer, integriteit, deugd en zuiverheid.’8

Broeders, ieder van ons krijgt de opdracht om anderen over het evangelie van Christus te vertellen. Als ons leven voldoet aan Gods norm, zullen de mensen met wie wij in contact komen nooit klagen: ‘Voorbij is de oogst, ten einde de zomer, en wij zijn niet verlost!’9

De volmaakte Herder van de ziel, de Zendeling die de mensheid heeft verlost, heeft ons zijn goddelijke verzekering gegeven:

‘En al ware het zo dat u al uw dagen arbeidde om dit volk bekering toe te roepen, en slechts één ziel tot Mij bracht, hoe groot zal dan uw vreugde met hem zijn in het koninkrijk van mijn Vader!

‘En nu, indien uw vreugde groot zal zijn met één ziel die u tot Mij hebt gebracht in het koninkrijk van mijn Vader, hoe groot zal dan uw vreugde zijn indien u vele zielen tot Mij brengt!’10

Van Hem die deze woorden heeft gesproken, getuig ik. Hij is de Zoon van God, onze Verlosser en onze Heiland.

Ik bid dat wij de moed zullen hebben om mensen de hand van vriendschap te reiken, de vasthoudendheid om het telkens weer te proberen, en de ootmoed om onze Vader om leiding te vragen bij het uitvoeren van onze opdracht om andere mensen over het evangelie te vertellen. Dat is onze taak, broeders. In de naam van Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1. In Bill Sands, The Seventh Step (1967), p. 9.

  2.  

    2. Zie Leer en Verbonden 84:33–39.

  3.  

    3.  2 Timoteüs 1:7–8.

  4.  

    4.  Handelingen 26:28.

  5.  

    5.  1 Korintiërs 9:16.

  6.  

    6.  Matteüs 28:18–20.

  7.  

    7.  Leringen van kerkpresidenten: Joseph Smith (2007), p. 337.

  8.  

    8.  Leringen van kerkpresidenten: John Taylor (2001), p. 73.

  9.  

    9.  Jeremia 8:20.

  10.  

    10.  Leer en Verbonden 18:15–16.