De tempelnorm

Ouderling Scott D. Whiting

van de Zeventig


De hoge normen voor de tempelbouw die de kerk hanteert, zijn een zinnebeeld van hoe we zelf moeten leven.

Toen ik onlangs een rondleiding door de mooie Brigham Citytempel (Utah) kreeg, moest ik denken aan de tijd dat ik coördinator was tijdens het open huis, de herinwijding en de culturele viering van de historische Laietempel (Hawaï).

Een paar maanden voordat de uitgebreide renovatie voltooid was, kreeg ik een rondleiding met de algemeen bestuurder van de afdeling tempelzaken, ouderling William R. Walker, en andere afdelingsmedewerkers. Daarnaast waren er verschillende leden van het aannemersbedrijf aanwezig. We kregen de rondleiding deels omdat we de vooruitgang en kwaliteit van het verrichte werk moesten overzien. Toen we die rondleiding kregen, was het werk al voor 85 procent klaar.

Toen we door de tempel liepen, observeerde ik hoe ouderling Walker en de andere medewerkers het werk controleerden en met de aannemer overlegden. We gingen van de ene naar de andere ruimte. Af en toe zag ik iemand met zijn hand langs de muur strijken. Daarna wreef hij soms zijn vingers over elkaar en sprak de algemeen aannemer erop aan: ‘Ik voel gruis van deze muur af komen. Gruis voldoet niet aan de tempelnorm. U zult deze muur opnieuw moeten schuren en polijsten.’ De aannemer maakte overal plichtsgetrouw aantekeningen van.

We kwamen in het gedeelte van de tempel waar gewoonlijk nooit iemand komt. Dezelfde man hield ons tegen en richtte onze aandacht op een prachtig nieuw glas-in-loodraam. Het raam was ongeveer een halve meter breed en bijna twee meter hoog, en er zat een klein geometrisch patroon in. Hij wees een klein, gekleurd, glazen vierkantje van zo’n vijf bij vijf centimeter in het patroon aan en zei: ‘Dit vierkantje staat scheef.’ Ik keek er eens goed naar, maar volgens mij stond het vierkantje gewoon recht. Maar toen ik van dichterbij keek en het opmat, zag ik dat het kleine vierkantje inderdaad fout geplaatst was en drie millimeter scheef stond. De aannemer kreeg te horen dat hij het raam moest laten vervangen omdat het niet aan de tempelnorm voldeed.

Ik geef toe dat ik me erover verbaasde dat we een heel raam moesten vervangen omdat er zo’n kleine, nauwelijks waarneembare afwijking in zat. Niemand zou dit raam op deze afgezonderde plek in de tempel toch ooit zien of opmerken?

Toen ik die dag naar huis reed, dacht ik na over alles wat ik van deze ervaring geleerd had, of in elk geval, wat ik geleerd dacht te hebben. Een paar weken later kreeg ik weer een rondleiding door de tempel, die tegen die tijd voltooid was. Toen kreeg ik pas een helder begrip van de rondleiding die ik eerder had gekregen.

Ik liep de volledig gerenoveerde Laietempel (Hawaï) binnen en was diep onder de indruk dat hij zo mooi en secuur was afgewerkt. U begrijpt vast wel hoe benieuwd ik was toen ik naar de muren ‘met gruis’ en het ‘raam met de fout’ toeliep. Zou de aannemer de muren opnieuw geschuurd en gepolijst hebben? Zou hij er echt een nieuw raam in gezet hebben? Het verbaasde mij dat er geen gruis meer van de muren af kwam en dat de muren met mooi behang waren bedekt. Eerst dacht ik: dus zo heeft de aannemer het gruis weggewerkt — hij heeft het bedekt. Maar nee, later kwam ik erachter dat ze toch al van plan waren om deze muren te behangen. Ik vroeg mij af: als de muren toch behangen werden, wat doet een beetje, nauwelijks zichtbaar gruis er dan toe? Ik ging snel naar de plek met het raam met de fout. Het verbaasde mij dat er recht vóór het raam een mooie potplant stond die tot het plafond reikte. Opnieuw dacht ik: dus zo heeft de aannemer het scheve vierkantje weggewerkt — hij heeft het verstopt. Ik kwam dichterbij en duwde de bladeren van de plant opzij. Ik moest glimlachen omdat ik zag dat er een nieuw raam in zat. Het vierkantje dat eerst scheef stond, stond nu recht en effen in het patroon. Later kwam ik erachter dat de plant vóór het raam toch al deel van het interieur zou uitmaken.

Waarom was het zo belangrijk dat er een beetje gruis of een scheef raam verholpen en zelfs vervangen werd, ondanks dat het maar weinig mensen zou opvallen? Waarom moest een aannemer zich aan zulke hoge normen houden?

Terwijl ik met dergelijke gedachten de tempel uitliep, kreeg ik mijn antwoord toen ik omhoog keek en op gerenoveerde buitenmuur ‘De Here gewijd — het huis des Heren’ zag staan.

Dat is precies wat de tempels van deze kerk zijn. Wij mogen van die heilige gebouwen gebruik maken en er heilige heilsverordeningen in verrichten. Maar niemand hoeft zich af te vragen van wie het huis werkelijk is. Door tot in de kleinste details aan die strenge bouweisen te voldoen, tonen we liefde en respect voor de Heer Jezus Christus, en laten we aan iedereen zien dat we de Eigenaar van het huis vereren en aanbidden.

De Heer openbaarde aan de profeet Joseph Smith dat hij in Nauvoo een tempel moest bouwen en droeg hem op:

‘Komt met al uw goud en uw zilver en uw edelstenen en met al uw antiquiteiten; en met allen die verstand hebben van antiquiteiten; […] en brengt […] alle kostbare bomen der aarde;

‘[…] en bouwt een huis voor mijn naam, voor de Allerhoogste om erin te wonen.’1

Koning Salomo gaf in oudtestamentische tijden het voorbeeld door een tempel met enkel het beste materiaal en vakmanschap voor de Heer te bouwen.2 We bouwen de tempels van de kerk met gepaste soberheid nu nog steeds op die manier.

Hoewel wij, stervelingen, misschien niet zien of voelen wat eraan scheelt, heb ik geleerd dat de Heer weet of wij ons uiterste best doen. Hij weet ook of wij zó proberen te leven dat wij de tempelzegeningen waardig zijn. De Heer heeft gezegd:

‘En voor zoverre mijn volk een huis voor Mij bouwt in de naam des Heren, en niet duldt dat er iets onreins binnengaat, zodat het niet verontreinigd wordt, zal mijn heerlijkheid erop rusten;

‘ja, en mijn tegenwoordigheid zal daar zijn, want Ik zal er binnengaan, en alle reinen van hart die er binnengaan, zullen God zien.

‘Doch indien het wordt verontreinigd, zal Ik het niet binnengaan, en zal mijn heerlijkheid er niet zijn, want Ik wil geen onheilige tempelen binnengaan.’3

Net als de aannemer moeten wij, als we ons bewust worden dat we iets doen dat niet in overeenstemming met de leringen van de Heer is, of als we niet ons uiterste hebben gedaan, zo snel mogelijk onze fouten herstellen en erkennen dat we onze zonden niet voor de Heer kunnen verbergen. We mogen dit niet vergeten: ‘Wanneer wij trachten onze zonden te bedekken […], dan trekken de hemelen zich terug; de Geest des Heren is gegriefd.’4

Ik heb ook geleerd dat de hoge normen van de tempelbouw die de kerk hanteert, een zinnebeeld zijn van hoe we zelf moeten leven. Wij kunnen de leringen waar de apostel Paulus de leden van de vroegchristelijke kerk in onderwees, op onszelf toepassen:

‘Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?

‘Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig!’5

Wij zijn allemaal van het beste materiaal gemaakt. Wij zijn het wonderbaarlijke resultaat van goddelijk vakmanschap. Maar als we de toerekeningsvatbare leeftijd bereiken en ons op het slagveld van zonde en verleiding begeven, kan het gebeuren dat onze eigen tempel aan een renovatie of reparatie toe is. Misschien zijn er muren in ons waar gruis vanaf komt of die gepolijst moeten worden, of zijn de ramen van onze ziel aan vervanging toe, zodat wij op heilige plaatsen kunnen staan. Gelukkig houden de tempelnormen waar wij aan moeten voldoen niet in dat we volmaakt moeten zijn, ook al streven we daarnaar, maar dat we de geboden onderhouden en als discipel van Jezus Christus leven. Het is mijn gebed dat wij allemaal ons best doen om de zegeningen van de tempel waardig te zijn door de nodige veranderingen aan te brengen, en door fouten en onvolmaaktheden ongedaan te maken, zodat Gods Geest altijd bij ons zal blijven. In de naam van Jezus Christus. Amen.