Waar is de tent?

President Henry B. Eyring

Eerste raadgever in het Eerste Presidium


Maar de tent die goddelijke hulp afschermt, bedekt God niet; die tent bedekt ons af en toe. God is nooit verborgen, maar wij soms wel.

In zijn diepste smart in de gevangenis te Liberty riep de profeet Joseph Smith uit: ‘O God, waar zijt Gij? En waar is de tent die uw schuilplaats bedekt?’1 Velen van ons hebben in ogenblikken van persoonlijk leed het gevoel dat God ver van ons vandaan is. De tent die goddelijke hulp afschermt, bedekt God niet; die tent bedekt ons af en toe. God is nooit verborgen, maar wij soms wel; omhuld door een tent van beweegredenen die ons wegtrekken van God waardoor het lijkt of Hij ver weg en ontoegankelijk is. Onze eigen verlangens in plaats van een gevoel van ‘Uw wil geschiede’,2 veroorzaken het gevoel van een tent die God buitensluit. God is niet beperkt in zijn vermogen om ons te zien of met ons te communiceren, maar wij zijn misschien onwillig om te luisteren en ons aan zijn wil en zijn tijd te onderwerpen.

Onze gevoelens van verwijdering van God zullen verminderen als we meer als een kind voor zijn aangezicht worden. Dat is niet makkelijk in een wereld waar de mening van andere mensen zoveel invloed kan hebben op onze motieven. Maar daardoor kunnen wij deze waarheid beter herkennen: God is dichtbij en Zich van ons bewust. Hij verschuilt Zich nooit voor zijn getrouwe kinderen.

Mijn driejarige kleindochter gaf een goed voorbeeld van de macht van onschuld en nederigheid om ons met God te verbinden. Ze ging met haar familieleden naar het open huis van de Brigham Citytempel in Utah. In een van de kamers van dat prachtige gebouw keek ze om zich heen en vroeg: ‘Mama, waar is Jezus?’ Haar moeder legde haar uit dat ze Jezus niet in de tempel zou zien, maar dat ze zijn invloed in haar hart kon voelen. Eliza dacht goed na over het antwoord van haar moeder en leek tevreden. ‘Jezus is iemand aan het helpen,’ concludeerde ze.

Eliza’s begrip noch haar zicht op de werkelijkheid werden verduisterd door een tent. God is dicht bij haar en zij voelt zich dicht bij Hem. Ze wist dat de tempel het huis van de Heer is, maar ze begreep ook dat de herrezen en verheerlijkte Jezus Christus een lichaam heeft en slechts op één plaats tegelijk kan zijn.3 Ze besefte dat Hij, als Hij niet in zijn huis was, op een andere plaats moest zijn. En met haar kennis van de Heiland wist ze dat Hij ergens iets goeds aan het doen was voor de kinderen van zijn Vader. Het was duidelijk dat ze had gehoopt dat ze Jezus zou zien, niet om een wonder te zien ter bevestiging van zijn bestaan, maar gewoon omdat ze van Hem hield.

De Geest kon aan haar kinderlijke geest en hart de troost openbaren die wij allen nodig hebben en wensen. Jezus Christus kent ons, waakt over ons en staat voor ons klaar. In tijden van pijn, eenzaamheid of verwarring hoeven we Jezus Christus niet te zien om te weten dat Hij op de hoogte is van onze omstandigheden en dat het zijn zending is om te zegenen.

Ik weet uit eigen ervaring dat wij hetzelfde kunnen meemaken als Eliza, lang na onze kindertijd. In de eerste jaren van mijn carrière werkte ik hard om een vaste aanstelling als hoogleraar aan de Stanford Universiteit te verwerven. Ik dacht dat ik voor mijzelf en voor mijn gezin een goed leven had gecreëerd. We woonden dichtbij de ouders van mijn vrouw in een heel comfortabele woning. Volgens wereldse normen had ik veel bereikt. Maar toen kreeg ik de kans om Californië te verlaten en naar Ricks College in Rexburg (Idaho) te gaan. Mijn professionele levensdoelen hadden een tent kunnen zijn die mij scheidde van een liefdevolle Vader die beter dan ik wist wat de toekomst voor mij in petto kon hebben. Maar ik was zo gezegend dat ik wist, dat alle succes dat ik tot dan toe in mijn carrière en gezinsleven had, een geschenk van God was. En dus knielde ik als een kind in gebed neer om te vragen wat ik moest doen. Ik was in staat om een zachte stem in mijn verstand te horen die zei: ‘Het is mijn school.’ Er was geen tent die me van God afscheidde. In geloof en nederigheid onderwierp ik me aan zijn wil en voelde zijn zorg en nabijheid.

Mijn jaren aan het Ricks College, waarin ik probeerde Gods wil te kennen en te doen, zorgden ervoor dat de tent mij niet bedekte of dat Gods actieve rol in mijn leven verhuld was. Terwijl ik zijn werk probeerde te doen, voelde ik me dicht bij Hem en voelde ik de zekerheid dat Hij van mijn leven op de hoogte was en intens zorg droeg voor mijn geluk. Maar net zoals in Stanford kwamen hier ook wereldse drijfveren naar boven. Een keer kwam er een kans op een aantrekkelijke baan net tegen het einde van mijn vijfde jaar als president van Ricks College. Ik dacht erover na, bad erover en besprak het zelfs met het Eerste Presidium. Zij reageerden hartelijk en met een beetje humor, maar ze duwden me zeker niet in een bepaalde richting. President Spencer W. Kimball luisterde aandachtig toen ik beschreef welk aanbod ik van een groot bedrijf had gekregen en zei daarna: ‘Nou Hal, dat klinkt als een mooie kans voor je! En als we je ooit nodig hebben, dan weten we je te vinden.’ Zij hadden me zeker weten te vinden, maar mijn verlangen naar professioneel succes had een tent kunnen creëren, waardoor het moeilijk voor mij zou zijn geweest om God te vinden en nog moeilijker om te luisteren naar wat Hij mij te bieden had en dat te volgen.

Mijn vrouw voelde dit aan en had sterk de indruk dat we Ricks College niet vaarwel moesten zeggen. Ik zei: ‘Dat is voor mij genoeg.’ Niettemin drong ze er in haar wijsheid op aan dat ik zelf openbaring moest krijgen. Dus bad ik weer. Dit keer kreeg ik duidelijke aanwijzingen in de vorm van een stem in mijn hoofd die zei: ‘Ik laat je nog wat langer op Ricks College blijven.’ Mijn persoonlijke ambitie had mijn zicht op de werkelijkheid kunnen benevelen en het moeilijk kunnen maken om openbaring te ontvangen.

Dertig dagen nadat ik gezegend werd met die geïnspireerde beslissing om de baan af te slaan en op Ricks College te blijven brak de Teton Dam. God wist dat de dam zou breken en dat honderden mensen hulp nodig zouden hebben. Hij liet toe dat ik om raad vroeg en redenen zag om op Ricks College te blijven. Hij kende alle redenen waarom mijn diensten op de school en in Rexburg nog gewenst waren. Dus vroeg ik mijn hemelse Vader vaak in gebed wat Hij wou dat ik deed voor hen van wie huis of leven schade had geleden. Urenlang werkte ik samen met anderen om de modder en het water uit de huizen te verwijderen. Mijn verlangen om zijn wil te kennen gaf me alle gelegenheid om boven mezelf uit te stijgen.

Dit voorval laat nog een manier zien waarop wij een obstakel kunnen opwerpen om Gods wil te leren kennen of zijn liefde voor ons te voelen: we mogen ons niet vasthouden aan ons eigen tijdsschema als de Heer zijn tijdschema heeft. Ik dacht dat ik genoeg tijd aan mijn opdracht in Rexburg had besteed en wilde snel aan iets nieuws beginnen. Soms wordt ons zicht op Gods wil voor ons verduisterd door onze eigen koppigheid om alles volgens ons eigen tijdschema te doen.

In de gevangenis te Liberty vroeg de profeet Joseph Smith de Heer om hen die de leden van de kerk in Missouri vervolgden te straffen. Hij bad om stellige, snelle vergelding. Maar de Heer antwoordde dat Hij die vijanden van de kerk ‘over enkele jaren’4 zou aanpakken. In vers 24 en 25 van afdeling 121 in de Leer en Verbonden zegt Hij:

‘Zie, mijn ogen aanschouwen en kennen al hun werken, en te zijner tijd heb Ik voor hen allen een snel oordeel gereed;

‘want er is voor ieder mens een tijd vastgesteld, naargelang zijn werken zullen zijn.’5

Wij breken de tent af als we ‘Uw wil geschiede’ en ‘op Uw tijd’ kunnen voelen en bidden. Dat moet voor ons genoeg zijn aangezien we weten dat Hij het beste met ons voorheeft.

Een van mijn schoondochters heeft jarenlang het gevoel gehad dat God een tent over haar heen geplaatst had. Ze was een jonge moeder van drie kinderen die nog meer kinderen wilde. Na twee miskramen werden haar smeekbeden wanhopig. Met het verstrijken van de onvruchtbare jaren neigde ze naar boosheid. Toen haar jongste naar school ging leek het lege huis met haar focus op het moederschap te spotten. En dat gold ook voor de niet voorziene en zelfs ongewenste zwangerschappen van kennissen. Ze voelde zich even toegewijd als Maria, die zei: ‘Zie de dienstmaagd des Heren.’6 Maar hoewel ze die woorden in haar hart uitsprak, kon ze geen antwoord horen.

In de hoop haar op te monteren vroeg haar man haar met hem mee te gaan op een zakenreis naar Californië. Terwijl hij zijn vergaderingen bijwoonde, liep zij op een prachtig, leeg strand. Vanuit een hart dat bijna brak bad ze hardop. Voor het eerst vroeg ze niet om nog een kind maar om een goddelijke opdracht. ‘Hemelse Vader’, riep ze uit, ‘ik geef u al mijn tijd; laat mij alstublieft zien wat ik er mee moet.’ Ze uitte haar gewilligheid om haar gezin overal naartoe te nemen waar Hij wilde. Door dat gebed kreeg ze een onverwacht vredig gevoel. Het bevredigde haar mentale drang naar zekerheid niet, maar voor het eerst in jaren werd ze kalm.

De Heer nam de tent weg en opende de vensters des hemels. Binnen twee weken hoorde ze dat ze in verwachting was. De baby was pas een jaar oud toen mijn zoon en schoondochter een zendingsoproep ontvingen. Omdat ze beloofd had dat ze overal heen zou gaan en alles zou doen, zette ze haar angst opzij en nam haar kinderen mee over zee. In het zendingsveld kreeg ze nog een kind, op een dag dat er overplaatsingen waren.

Ons volledig aan Gods wil onderwerpen, zoals de jonge moeder deed, is essentieel om de geestelijke tenten die we soms opzetten af te breken. Maar het is geen garantie voor een direct antwoord op ons gebed.

Het lijkt erop dat Abraham al lang voordat Sara zwanger werd en voordat zij hun beloofde land kregen een goed hart had. De Heer had eerst andere bedoelingen. Die doeleinden omvatten niet alleen het geloof van Abraham en Sara versterken maar ook hen in eeuwige waarheden onderwijzen die zij aan anderen moesten doorgeven op hun lange omwegen naar het land dat voor hen was bereid. De vertragingen van de Heer duren soms lang; sommige een heel leven. Maar ze zijn altijd bedoeld om ons tot zegen te zijn. Ze hoeven geen perioden van eenzaamheid, verdriet of ongeduld te zijn.

Hoewel zijn tijd niet altijd onze tijd is, kunnen we er zeker van zijn dat de Heer zijn beloften houdt. Tot iedereen die nu het gevoel heeft dat Hij moeilijk te bereiken is, getuig ik dat de dag zal komen dat wij Hem van aangezicht tot aangezicht zullen zien. Zoals nu niets zijn zicht op ons kan belemmeren, zal dan niets ons zicht op Hem belemmeren. We zullen allemaal voor Hem staan, lijfelijk. Net zoals mijn kleindochter willen we Jezus Christus nu zien, maar onze zekere hereniging met Hem voor de rechterstoel zal veel fijner zijn als we eerst datgene doen waardoor wij even vertrouwd met Hem worden als Hij met ons is. Als we Hem dienen, worden we zoals Hij en voelen we ons dichter bij Hem wanneer de dag nadert dat niets ons zicht zal belemmeren.

De beweging naar God toe kan continu zijn. ‘Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af,’7 zegt de Heiland. En dan vertelt Hij ons hoe:

‘Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt mij gehuisvest,

‘naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.

‘Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven?

‘Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt en hebben U gekleed?

‘Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen?

‘En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.’8

Als we voor de kinderen van zijn Vader doen wat Hij wil, beschouwt de Heer dat als goedheid jegens Hem en zullen we ons dichter bij Hem voelen doordat we zijn liefde en goedkeuring ervaren. Na verloop van tijd gaan we op Hem lijken en verheugen we ons met blijdschap op de dag des oordeels.

De tent die u van God afschermt bestaat misschien uit angst voor de mensen in plaats van dat verlangen om anderen te dienen. De enige motivatie van de Heiland was mensen helpen. Velen van u hebben angst gevoeld als u iemand wilde benaderen die u had gekwetst of door wie u zelf was gekwetst. Toch zie ik dat de Heer keer op keer harten doet smelten, met inbegrip van het mijne. Daarom spoor ik u aan om, ondanks de angst die u voelt, voor de Heer naar iemand toe te gaan en uw liefde en vergeving aan te bieden. Als u dat doet, beloof ik u dat u de liefde van de Heiland voor die persoon en zijn liefde voor u zult voelen, en u zult merken dat die niet van ver komt. Die opdracht ligt voor u misschien in uw familie, in uw gemeenschap of aan de andere kant van het land.

Maar als u voor de Heer gaat, ziet Hij het en beloont u. Als u dat vaak en lang genoeg doet, zult u door de verzoening van Jezus Christus een verandering in uw aard waarnemen. Niet alleen zult u zich dichter bij Hem voelen, maar u zult ook merken dat u op Hem gaat lijken. En als u Hem dan ziet — en wij zullen Hem allen zien — zal het voor u zijn zoals voor Moroni toen hij zei: ‘En nu zeg ik allen vaarwel. Spoedig ga ik rusten in het paradijs van God, totdat mijn geest en lichaam zich wederom verenigen en ik zegevierend door de lucht word gevoerd om u te ontmoeten voor het aangename gerecht van de grote Jehova, de eeuwige Rechter van zowel de levenden als de doden. Amen.’9

Als we dienen met geloof, nederigheid en het verlangen om Gods wil te doen, dan getuig ik dat de rechterstoel van de grote Jehova aangenaam zal zijn. We zullen onze liefdevolle Vader en zijn Zoon zien zoals Zij ons nu zien — met volmaakte helderheid en met volmaakte liefde. In de heilige naam van Jezus Christus. Amen.