De Vader en de Zoon

Ouderling Christoffel Golden jr.

van de Zeventig


Een juist begrip van de Vader en de Zoon is de kern van het evangelie van Jezus Christus en zijn reddende macht.

Mijn geliefde broeders en zusters, ik ben dankbaar dat ik u vanmiddag op deze inspirerende algemene conferentie mag toespreken.

Ik wil een onderwerp aansnijden dat ik als heilig beschouw, maar eerst wil ik mijn dankbaarheid betuigen voor de toewijding van veel christenen door de eeuwen heen, waaronder mijn voorouders, Franse protestanten en Ierse katholieken. Vanwege hun geloof en aanbidding hebben velen van hen hun positie, bezittingen en zelfs hun leven geofferd ter verdediging van hun God en hun geloof.1

Als heiligen der laatste dagen en christenen hebben wij ook een sterk en diep geloof in God de eeuwige Vader en zijn Zoon, Jezus Christus. Toewijding aan God is altijd een heilige, persoonlijke aangelegenheid tussen ieder van ons individueel en zijn of haar Maker.

Ons streven naar eeuwig leven is niets anders dan een streven om te begrijpen wie God is en hoe wij weer bij Hem kunnen terugkeren. De Heiland bad tot zijn Vader: ‘Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.’2

Zelfs in het licht van deze uitspraak door de Heiland zelf is het heersende beeld van de aard van de Vader en de Zoon bij een groot deel van de mensheid door de eeuwen heen duidelijk niet in overeenkomst met de leringen in de heilige Schriften.

Vol eerbied gaan wij ervan uit dat een juist begrip van de Vader en de Zoon de kern is van het evangelie van Jezus Christus en zijn macht om te redden.3

Het belang van dit fundamentele beginsel van het evangelie van Jezus Christus werd in 1820 door het eerste visioen van de profeet Joseph Smith bevestigd. De profeet schreef: ‘[Ik zag] twee Personen, wier glans en heerlijkheid elke beschrijving tarten, boven mij in de lucht staan. Een van Hen sprak tot mij, mij bij de naam noemend, en zei, wijzend op de ander: Dit is mijn geliefde Zoon. Hoor Hem!’4

Die ervaring van de jonge Joseph, gevolgd door veel andere visioenen en openbaringen, maakt duidelijk dat God werkelijk bestaat. De Vader en zijn Zoon, Jezus Christus, zijn twee afzonderlijke wezens. De mens is naar het beeld van God geschapen. Onze hemelse Vader is letterlijk de Vader van Jezus Christus. God openbaart Zich nog steeds aan de mens. God is dicht bij ons en in ons geïnteresseerd, en Hij beantwoordt onze gebeden.

Hoewel er weinig soortgelijke verschijningen van de Vader en de Zoon in de heilige Schriften voorkomen, is het opmerkelijk dat het eerste visioen zo goed overeenkomt met andere gebeurtenissen in de heilige Schriften.

In het Nieuwe Testament lezen we bijvoorbeeld het laatste getuigenis van Stefanus toen hij gestenigd werd: En hij zei: ‘Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.’5

Toen Johannes op het eiland Patmos een groots visioen ontving, zag hij ‘de Here God, de Almachtige’6 en het Lam dat ons ‘gekocht [heeft] met [zijn] bloed.’7

In het Boek van Mormon staat de leer van de Vader en de Zoon als een vorstelijk getuige naast dat van de Bijbel. In het Boek van Mormon staat een verslag van het bezoek van onze Heiland aan de Nephieten, waarbij de stem van de Vader in de aanwezigheid van zo’n 2.500 Nephieten de opgestane Christus introduceert: ‘Ziet mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb, in wie Ik mijn naam heb verheerlijkt; luistert naar Hem.’8

In de vier evangeliën verwijst Christus zelf 160 keer naar zijn Vader in de hemel en tijdens zijn korte driedaagse bediening onder de Nephieten, zoals beschreven in het Boek van Mormon, noemt Hij zijn Vader 122 keer.

In Matteüs zegt Jezus bijvoorbeeld: ‘Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is.’9

In Johannes getuigt Hij: ‘De Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het de Vader zien doen.’10

En in Lucas roept Hij uit: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’11

Iedere keer dat onze Heer naar zijn hemelse Vader verwijst, doet Hij dat met grote eerbied en onderdanigheid.

Laat er geen misverstand over bestaan. Jezus Christus is de grote Jehova, de God van Israël, de beloofde Messias. Omwille van zijn oneindige verzoening is Hij onze Heiland en de Verlosser van de wereld. Van Hem heeft de apostel Paulus gezegd: ‘Daarna komt het einde, wanneer [Christus] het koningschap aan God en de Vader heeft overgegeven, wanneer [Christus] alle heerschappij en alle macht en kracht heeft tenietgedaan.’12

Op de avond van zijn verzoening sprak de Heiland zijn prachtige hogepriesterlijk gebed tot de Vader uit. Hij bad:

‘Ik bid niet alleen voor dezen [waarmee Hij zijn apostelen bedoelde], maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven,

‘opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.

‘En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn.’13

De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn afzonderlijke wezens, maar Ze zijn volkomen één in macht en doel. Die eenheid is niet alleen aan Hen voorbehouden, maar Zij verlangen naar die eenheid met alle mensen die hun geboden toegewijd naleven en gehoorzamen.

Hoe kan degene die oprecht naar God zoekt bekend worden met de Vader en de Zoon? Onze Heiland heeft beloofd: ‘Maar de Trooster, de Heilige Geest (…) zal u alles leren.’14

In het Boek van Mormon zegt Nephi als hij over de leer van Christus spreekt, dat de Heilige Geest ‘van de Vader en de Zoon getuigt.’15

Het is waar dat de macht of invloed van de Heilige Geest incidenteel en naar Gods wil door ieder mens, ongeacht diens geloof, gevoeld kan worden. Maar de volledige gave van de Heilige Geest komt pas nadat iemand met ‘een gebroken hart en een verslagen geest’16 de verordeningen van de doop en van de gave des Heiligen Geestes17 door oplegging der handen heeft ontvangen. Deze en andere heilige verordeningen worden bediend onder leiding en door de macht van het priesterschap van God. Daarover is ons gezegd:

‘En dit grotere priesterschap bedient het evangelie en omvat de sleutel van de verborgenheden van het koninkrijk, ja, de sleutel van kennis van God.

‘Daarom, in de verordeningen daarvan is de macht der goddelijkheid kenbaar.’18

In het ware licht gezien is de leer van de Vader en de Zoon de leer van het eeuwige gezin. Ieder mens bestond vroeger als geesteskind van hemelse Ouders19 en Christus was de Eerstgeborene van de Vader in dat hemelse gezin.20

En dat geldt ook voor ons. Wij zijn de kinderen van onze hemelse Vader.

President Ezra Taft Benson heeft met profetisch inzicht gezegd: ‘Als we door de sluier naar de andere kant gaan, zal niets ons meer verbazen dan hoe goed we onze Vader kennen en hoe vertrouwd zijn gezicht eruitziet.’21

Ik heb geleerd dat het onmogelijk is om in mensentaal de kennis over te brengen die alleen door de Heilige Geest en de macht van God wordt kenbaar gemaakt. In die geest getuig ik plechtig van het bestaan, de nabijheid en de goedheid van onze eeuwige Vader en zijn heilige Zoon, Jezus Christus. In de naam van Jezus Christus. Amen.

Mostrar referencias

  1.  

    1. Zie Kenneth Scott Latourette, A History of Christianity: Beginnings to 1500, (rev. ed., 1975) en A History of Christianity, Volume 2: Reformation to the Present, (rev. ed., 1975); zie ook Diarmaid MacCulloch, The Reformation (2003).

  2.  

    2. Johannes 17:3.

  3.  

    3. Zie Lectures on Faith (1985), pp. 38–44.

  4.  

    4. Geschiedenis van Joseph Smith 1:17.

  5.  

    5. Handelingen 7:56

  6.  

    6. Matteüs 4:8.

  7.  

    7. Openbaring 5:9.

  8.  

    8. 3 Nephi 11:7.

  9.  

    9. Matteüs 12:21; cursivering toegevoegd.

  10.  

    10. Johannes 5:19; cursivering toegevoegd.

  11.  

    11. Lucas 23:46; cursivering toegevoegd.

  12.  

    12. 1 Korintiërs 15:24 (HSV). Voor meer begrip van de Heiland en zijn zending, zie ‘Liahona, april 2000, pp. 2–3

  13.  

    13. Johannes 17:20–22; cursivering toegevoegd.

  14.  

    14. Johannes 14:26.

  15.  

    15. 2 Nephi 31:13.

  16.  

    16. 3 Nephi 9:20; Moroni 6:2.

  17.  

    17. Zie Johannes 3:5; 3 Nephi 11:31–38.

  18.  

    18. Leer en Verbonden 84:88.

  19.  

    19. Zie ‘Het gezin: een proclamatie aan de wereld’, Liahona, november 2010, p. 129.

  20.  

    20. Zie Kolossenzen 1:15; Leer en Verbonden 109:21.

  21.  

    21. Ezra Taft Benson, ‘Jesus Christ — Gifts and Expectations’. In: Speeches of the Year, 1974 (1975), p. 313; zie ook ‘Jesus Christ — Gifts and Expectations,’ Tambuli, May 1977, p. 124.