De Heiland wil vergeven

Ouderling Craig A. Cardon

van de Zeventig


De Heer houdt van ons en wil ons zijn bereidheid om te vergeven duidelijk maken.

De Heiland werd tijdens zijn aardse bediening door velen gevolgd, waaronder ook wetgeleerden en Farizeeën ‘uit alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem’.1 Een bedlegerige, verlamde man die genezing zocht, werd naar een plek gebracht waar veel mensen bijeen waren. Zijn vrienden konden met hem niet dicht bij de Heiland komen en besloten daarom het dak op te gaan van het huis waar de Heiland was, en lieten hem neer. De Heiland zag hun geloof en verklaarde met een groot doel voor ogen dat zijn toehoorders nog niet kenden: ‘Mens, uw zonden zijn u vergeven.’2

De man moet daardoor zijn verrast, en hoewel de Schriften niets over zijn reactie zeggen, vroeg hij zich misschien af of de Heiland wel begreep waarom hij was gekomen.

De Heiland wist dat veel mensen Hem volgden vanwege zijn machtige wonderen. Hij had eerder al water in wijn veranderd,3 onreine geesten uitgeworpen,4 de zoon van een hoveling genezen,5 een melaatse,6 de schoonmoeder van Petrus7 en vele anderen.8

Maar bij deze verlamde man verkoos de Heer bewijs te leveren aan zowel discipel als criticaster van zijn unieke rol als Heiland van de wereld. Bij het horen van de woorden van de Heiland begonnen de schriftgeleerden en Farizeeën met elkaar te overleggen. Ze spraken in hun onwetendheid van godslastering en concludeerden dat alleen God zonden kan vergeven. De Heiland doorzag hun overleggingen en zei tot hen:

‘Wat overlegt gij in uw harten?

‘Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?’9

De Heiland wachtte hun antwoord niet af en vervolgde: ‘Maar, opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven [Zich daarna wendend tot de verlamde]: Tot u zeg Ik, sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.’10 En dat deed hij!

Door deze wonderlijke lichamelijke genezing bevestigde de Heiland aan ons allemaal deze geestelijke waarheid die oneindig veel krachtiger is: de Zoon des mensen vergeeft zonden!

Hoewel die waarheid door alle gelovigen grif wordt aangenomen, geldt dat in mindere mate voor de essentiële waarheid die daarmee gepaard gaat: de Heiland vergeeft zonden ‘op aarde’ en niet alleen bij het laatste oordeel. Hij vergeeft ons niet in onze zonden.11 Hij keurt onze terugkeer naar vroegere zonden niet goed.12 Maar als wij ons bekeren en zijn evangelie gehoorzamen, vergeeft Hij ons.13

In die vergeving zien we het ondersteunend vermogen en de verlossende macht van de verzoening hand in hand toegepast. Als we geloof in de Heer Jezus Christus oefenen, sterkt het ondersteunend vermogen van de verzoening ons op momenten dat we dat nodig hebben,14 en heiligt zijn verlossende macht ons als we ‘de natuurlijke mens [afleggen]’.15 Daar kunnen we allemaal hoop uit putten, vooral wie denken dat de Heiland ons vanwege onze aanhoudende menselijke zwakheden niet wil helpen en redden.

Ons begrip wordt verruimd16 door het antwoord van de Heiland op de vraag van Petrus hoe vaak hij zijn broeder moest vergeven: ‘Tot zevenmaal toe?’ Dat was toch zeker wel meer dan genoeg. Maar het antwoord van de Heiland zette de deur naar zijn barmhartige hart wijd open: ‘Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zevenmaal.’17

De Heer houdt van ons en wil ons zijn bereidheid om te vergeven duidelijk maken. Meer dan twintig keer staat in de Leer en Verbonden dat de Heer zei tot wie Hij sprak: ‘Uw zonden zijn u vergeven’ of woorden van die strekking.18 Ongeveer de helft van die keren sprak de Heer die woorden specifiek tot de profeet Joseph Smith, soms tot hem alleen, soms met anderen samen.19 De eerste keer is in 1830 opgetekend, de laatste in 1843. De Heer zei dus herhaaldelijk over een periode van vele jaren tegen Joseph: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’

Hoewel Joseph niet schuldig was ‘aan enige grote of verderfelijke zonden’,20 moeten we ons er goed van bewust zijn dat die ‘zeventig maal zevenmaal’ van de Heer vergeving niet beperkt op basis van de ernst van de zonde, op maar zeer weinig uitzonderingen na.

De Heer sprak eens tot de ouderlingen die in Kirtland bijeengekomen waren: ‘Ik wil dat gij de wereld overwint; daarom zal Ik Mij over u ontfermen.’21 De Heer kent onze zwakheid en de voortdurende uitwerking van ‘de wereld’ op onvolmaakte mannen en vrouwen.22 Met het woord daarom in dit vers geeft Hij aan dat men alleen door zijn ontferming uiteindelijk ‘de wereld overwint’. Waaruit blijkt die ontferming? Tot diezelfde ouderlingen in Kirtland zei Hij: ‘Ik [heb] u uw zonden vergeven.’23 De Heiland wil vergeven.

Niemand hoeft te veronderstellen dat deze vergeving zonder bekering mogelijk is. De Heer heeft namelijk verklaard: ‘Ik, de Heer, vergeef de zonden van hen die hun zonden voor Mij belijden en vergeving vragen’, en voegt er dan de waarschuwende voorwaarde aan toe: ‘die niet gezondigd hebben tot de dood.’24 Hoewel de Heer ‘de zonde niet met de geringste mate van toelating [kan] aanschouwen’,25 maakt Hij toch onderscheid tussen de relatieve ernst van sommige zonden. Hij stelt dat er geen vergeving is voor ‘lastering van de Heilige Geest’.26 Hij spreekt Zich uit over de ernst van moord27 en beklemtoont de ernst van seksuele zonde, zoals echtbreuk.28 Herhaalde ernstige seksuele zonden maken het volgens Hem moeilijker om zijn vergeving te ontvangen.29 En Hij heeft gezegd: ‘Wie zondigt tegen het grotere licht, zal de grotere veroordeling ontvangen’.30 Toch staat Hij ons in zijn barmhartigheid toe geleidelijk aan vooruitgang te maken en eist Hij niet dat we onmiddellijk volmaakt zijn. Ja, de vele zonden die we door onze zwakheid als stervelingen begaan, vergeeft Hij ons keer op keer zo dikwijls als wij ons bekeren en vergeving zoeken.31

Daarom mogen wij allemaal weten, ook wie proberen met verslavingsgedrag te breken, zoals bij verslavende middelen of pornografie — alsook de mensen om hen heen — dat de Heer onze oprechte inspanningen zal erkennen en liefdevol wil vergeven als volledige bekering heeft plaatsgevonden, ‘tot zeventig maal zevenmaal’. Dat betekent echter niet dat men ongestraft opzettelijk in zonde kan terugvallen.32

De Heer is altijd geïnteresseerd in ons hart33 en beredeneerd geveinsd geloof rechtvaardigt de zonde niet.34 In deze bedeling waarschuwde de Heer een van zijn dienstknechten als volgt tegen dergelijke redeneringen: ‘Laat [hij] zich schamen over de bende der Nikolaïeten en al hun geheime gruwelen.’35 De Nikolaïeten waren een oude religieuze sekte die beweerden dat men seksuele zonden mocht begaan vanwege de genade van de Heer.36 Dat is de Heer niet aangenaam.37 Zijn ontferming en genade bieden ons geen soelaas als ons hart ‘niet tevreden’ is en we ‘de waarheid niet [gehoorzamen]’ maar ‘behagen [scheppen] in ongerechtigheid’.38 Veeleer geldt dat na alles wat wij kunnen doen,39 zijn ontferming en genade de middelen zijn waardoor wij ‘na verloop van tijd’40 de wereld overwinnen door het ondersteunend vermogen van de verzoening. Als we deze kostbare gave ootmoedig zoeken, zullen ‘zwakke dingen sterk voor [ons] worden’,41 en zijn we door zijn kracht in staat te doen wat we nooit alleen konden doen.

De Heer kijkt naar het licht dat we hebben ontvangen,42 naar de verlangens van ons hart43 en naar onze daden.44 Als we ons dan bekeren en zijn vergeving zoeken, zal Hij ons vergeven. Als we ons eigen leven en dat van onze dierbaren en kennissen beschouwen, dienen we net zo bereid te zijn om onszelf als anderen te vergeven.45

In Predik mijn evangelie wordt besproken hoe moeilijk het is om met verslavingsgedrag te breken en dat priesterschapsleiders en leden ‘niet geschokt [moeten] zijn of ontmoedigd raken’ als onderzoekers of nieuwe leden met dergelijke problemen blijven kampen. We dienen juist te ‘laten zien dat [we] vertrouwen in de persoon hebben en hem of haar niet veroordelen [en] het als een tijdelijke en begrijpelijke terugval beschouwen’.46 Zullen we dat dan ook niet doen bij onze eigen kinderen of familieleden die met dergelijke problemen kampen en tijdelijk van het pad van rechtschapenheid zijn afgedwaald? Zij verdienen zeker onze steun, ons geduld en onze liefde — en ja, onze vergeving.

Tijdens de afgelopen oktoberconferentie gaf president Monson de volgende raad:

‘We moeten in gedachten houden dat mensen kunnen veranderen. Ze kunnen slechte gewoonten achterwege laten. Ze kunnen zich bekeren van overtredingen. […]

‘[…] We kunnen ze helpen om hun tekortkomingen te overwinnen. We moeten het vermogen ontwikkelen om mensen niet te zien zoals ze nu zijn, maar zoals ze kunnen worden.’47

In een conferentie als deze in de beginjaren van de kerk, zei de Heer tot de leden:

‘Voorwaar, Ik zeg u: Gij zijt rein, doch niet allen; […]

‘want alle vlees is verdorven voor mijn aangezicht; […]

‘[…] want voorwaar, sommigen van u zijn schuldig voor mijn aangezicht, maar Ik zal barmhartig zijn ten aanzien van uw zwakheid.48

Zijn boodschap geldt nu nog steeds.

Onze hemelse Vader weet waar we mee te maken hebben, dat we allemaal zondigen en steeds weer ‘de heerlijkheid van God [missen]’.49 Hij stuurde zijn Zoon, die ‘de zwakheid van de mens kent en weet hoe Hij degenen die verzocht worden, te hulp moet komen’.50 Zijn Zoon leert ons: ‘Bidt altijd dat u niet in verzoeking komt.’51 Ons wordt gezegd: ‘Roept [God] aan om barmhartigheid, want Hij is machtig om te redden.’52 De Heiland draagt ons op om ons te bekeren53 en om te vergeven.54 En hoewel bekering niet gemakkelijk is, geeft Hij ons de volgende belofte als we er met geheel ons hart naar streven om zijn geboden te gehoorzamen: ‘Voorwaar, Ik zeg u: Niettegenstaande [uw] zonden is mijn binnenste met ontferming over [u] vervuld. Ik zal [u] niet geheel en al verwerpen; en ten dage der verbolgenheid zal Ik de barmhartigheid indachtig zijn.55 De Heiland wil vergeven.

Elke week begint het Mormoons Tabernakelkoor zijn inspirerende uitzending met de opbouwende woorden van de bekende lofzang ‘Stijg’ ons lied nu zoet en teer’ van William W. Phelps. De troostende woorden van het vierde couplet zijn minder bekend:

Heilig, heilig is de Heer;
kostbaar, kostbaar is zijn leer:
bekeer u en leef […].
Ook al zijn uw zonden groot,
kom tot Hem en Hij vergeeft.56

Ik nodig u uit om de woorden van de Heer indachtig te zijn en te geloven, en om geloof in Hem tot bekering te oefenen.57 Hij heeft u lief. Hij wil vergeven. Daarvan getuig ik in de heilige naam van Jezus Christus. Amen.

Mostrar referencias

  1.  

    1. Lucas 5:17; zie ook Marcus 2:2.

  2.  

    2. Lucas 5:20; zie ook Matteüs 9:2; Marcus 2:5.

  3.  

    3. Zie Johannes 2:1–11.

  4.  

    4. Zie Marcus 1:21–28; Lucas 4:33–37.

  5.  

    5. Zie Johannes 4:46–54.

  6.  

    6. Zie Matteüs 8:1–4; Marcus 1:40–45; Lucas 5:12–15.

  7.  

    7. Zie Matteüs 8:14–15; Marcus 1:29–31; Lucas 4:38–39.

  8.  

    8. Zie Matteüs 8:16–17; Marcus 1:32–34; Lucas 4:40–41.

  9.  

    9. Lucas 5:22–23; zie ook Matteüs 9:3–5; Marcus 2:6–9.

  10.  

    10. Lucas 5:24; cursivering toegevoegd; zie ook Matteüs 9:6–7; Marcus 2:10–12.

  11.  

    11. Zie 1 Korintiërs 6:9–10; Alma 11:34, 37; Helaman 5:10–11.

  12.  

    12. Zie 2 Petrus 2:20; Jakobus 2:10; Leer en Verbonden 82:7.

  13.  

    13. Zie Jesaja 1:18; Jeremia 31:34; Lucas 7:36–50; Enos 1:5; Alma 24:10; Moroni 6:8; Leer en Verbonden 1:32; 58:42–43.

  14.  

    14. Zie Jakob 4:7; Alma 14:26; Moroni 10:7.

  15.  

    15. Mosiah 3:19; zie ook 2 Nephi 10:24–25.

  16.  

    16. Zie Alma 32:28, 34.

  17.  

    17. Matteüs 18:21–22; cursivering toegevoegd; zie ook Lucas 17:1–4.

  18.  

    18. Zie Leer en Verbonden 20:5–7; 25:3; 29:3; 31:5; 36:1; 50:36; 60:6–7; 61:2; 62:3; 64:1–4, 5–7, 15–17; 75:6–8; 82:1; 84:60–61; 90:1, 6; 108:1; 110:5; 112:3; 124:74–76, 78; 132:50.

  19.  

    19. Zie Leer en Verbonden 20:5–7; 29:3; 60:6–7; 61:2; 62:3; 64:5–7; 84:60–61; 90:1; 110:5; 132:50.

  20.  

    20. Geschiedenis van Joseph Smith 1:28.

  21.  

    21. Leer en Verbonden 64:2; cursivering toegevoegd.

  22.  

    22. Zie 1 Nephi 20:9–11; Leer en Verbonden 24:2; 50:41; 63:47; 108:1–8.

  23.  

    23. Leer en Verbonden 64:3.

  24.  

    24. Leer en Verbonden 64:7.

  25.  

    25. Leer en Verbonden 1:31; zie ook vss. 32–33; Alma 45:16.

  26.  

    26. Leer en Verbonden 132:27; zie ook Matteüs 12:31; Lucas 12:10.

  27.  

    27. Zie Exodus 20:13; Mosiah 13:21; Leer en Verbonden 132:19; Mozes 5:31–36.

  28.  

    28. Zie Alma 39:5; Leer en Verbonden 42:24–26.

  29.  

    29. Zie Leer en Verbonden 42:22–26, 75–78, 80–82; 63:13–17; 76:103.

  30.  

    30. Leer en Verbonden 82:3; zie ook Johannes 15:22.

  31.  

    31. Zie Moroni 6:8.

  32.  

    32. Zie Mosiah 15:26.

  33.  

    33. Zie 1 Samuël 16:7; Psalmen 24:3–4; Spreuken 23:7; Matteüs 15:18–20; Marcus 7:20–23; Hebreeën 3:12; 3 Nephi 12:19; Leer en Verbonden 59:8; 64:34.

  34.  

    34. Zie Leer en Verbonden 20:29–30; 121:37.

  35.  

    35. Leer en Verbonden 117:11.

  36.  

    36. Zie Bible Dictionary, ‘Nicolaitans’.

  37.  

    37. Zie Openbaring 2:6, 15.

  38.  

    38. Leer en Verbonden 56:15.

  39.  

    39. Zie 2 Nephi 25:23; Leer en Verbonden 138:4.

  40.  

    40. Mozes 7:21.

  41.  

    41. Ether 12:27.

  42.  

    42. Zie Johannes 15:22; Leer en Verbonden 1:33; 82:3.

  43.  

    43. Zie Alma 41:5–6; 3 Nephi 9:20; Leer en Verbonden 137:9.

  44.  

    44. Zie 1 Nephi 15:33; Alma 41:3–4; Leer en Verbonden 137:9.

  45.  

    45. Zie Matteüs 6:14–15; Leer en Verbonden 64:8–10; 98:39–48.

  46.  

    46. Predik mijn evangelie: handleiding voor zendingswerk (2004), p. 205.

  47.  

    47. Thomas S. Monson, ‘Anderen zien zoals zij kunnen worden’, Liahona, november 2012, pp. 68, 69; cursivering toegevoegd.

  48.  

    48. Leer en Verbonden 38:10–11, 14; cursivering toegevoegd.

  49.  

    49. Romeinen 3:23, HSV.

  50.  

    50. Leer en Verbonden 62:1; zie ook Alma 7:12.

  51.  

    51. Leer en Verbonden 61:39; cursivering toegevoegd.

  52.  

    52. Alma 34:18; cursivering toegevoegd; zie ook 2 Nephi 31:19; Alma 7:14.

  53.  

    53. Zie Helaman 13:11; Leer en Verbonden 19:4, 13–21.

  54.  

    54. Zie Leer en Verbonden 64:8–10.

  55.  

    55. Leer en Verbonden 101:9; cursivering toegevoegd; zie ook Leer en Verbonden 82:1–7.

  56.  

    56. ‘Stijg’ ons lied nu zoet en teer’, lofzang 101.

  57.  

    57. Zie Alma 34:15–17.