Wees trouw aan het geloof


We zullen rijkelijk gezegend worden als we weten hoe het geloof en de offers van onze voorouders hen tot de kerk van de Heer brachten.

Ik hou van onze kerkgeschiedenis. Zoals bij velen onder u wordt mijn geloof versterkt als ik meer over de opmerkelijke toewijding van onze voorouders te weten kom, die het evangelie aanvaardden en trouw aan het geloof waren.

Een maand geleden vierden twaalfduizend jongeren van het tempeldistrict Gilbert in de Amerikaanse staat Arizona de voltooiing van hun tempel met een inspirerend optreden dat hun voornemen om een rechtschapen leven te leiden uitbeeldde. Het thema van hun optreden was ‘Wees trouw aan het geloof’.

Net als die getrouwe jongeren uit Arizona hoort ieder lid van de kerk zich voor te nemen om trouw te zijn aan het geloof.

In de lofzang staat: ‘Trouw aan ’t geloof dat onz’ ouders beleden.’ (‘Trouw aan ’t geloof’, Lofzangen, nr. 170.)

We zouden daaraan kunnen toevoegen: ‘Trouw aan ’t geloof dat onze voorouders beleden.’

Ik heb me afgevraagd of al die enthousiaste jongeren uit Arizona hun eigen kerkgeschiedenis kenden — of ze wisten hoe hun familieleden de kerk hebben leren kennen? Het zou prachtig zijn als alle heiligen der laatste dagen het bekeringsverhaal van hun eigen voorouders kenden.

Of u nu een afstammeling van de pioniers bent of niet, het mormoonse erfgoed van geloof en opoffering is uw erfgoed. Het is het edele erfgoed van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Een van de mooiste verhalen uit de geschiedenis van de kerk speelde zich in 1840 — amper tien jaar na de vestiging van de kerk — in Groot-Brittannië af, waar Wilford Woodruff, een apostel van de Heer, het herstelde evangelie van Jezus Christus verkondigde.

Wilford Woodruff en enkele andere apostelen waren in Engeland vooral in Liverpool en Preston werkzaam en hadden aanzienlijk succes. Ouderling Woodruff, die later president van de kerk zou worden, bad God voortdurend om hem in dit belangrijke werk te leiden. Door te bidden, kreeg hij inspiratie om het evangelie elders te verkondigen.

President Monson heeft ons geleerd dat we meteen gehoor aan hemelse ingevingen moeten geven. We mogen niet talmen. Wilford Woodruff talmde niet. De Geest gaf hem duidelijk in om zuidwaarts te gaan en ouderling Woodruff vertrok haast onmiddellijk naar Herefordshire, een landbouwgebied in het zuidwesten van Engeland. Daar kwam hij de welvarende boer John Benbow tegen, die hem ‘met een opgewekt hart en in dankbaarheid’ ontving. (Wilford Woodruff. In: Matthias F. Cowley, Wilford Woodruff: History of His Life and Labors as Recorded in His Daily Journals [1909], p. 117.)

Een groep van ruim zeshonderd mensen, die zichzelf de United Brethren noemde, had ‘om licht en waarheid’ gebeden. (Wilfrod Woodruff. In: Leringen van kerkpresidenten: Wilford Woodruff [2004], p. 94.) De Heer stuurde Wilford Woodruff als antwoord op hun gebeden.

De inspanningen van ouderling Woodruff wierpen meteen vruchten af en velen lieten zich dopen. Brigham Young en Willard Richards voegden zich bij hem in Herefordshire en samen hadden de drie apostelen veel succes.

Binnen een paar maanden stichtten ze 33 gemeenten voor de 541 leden die zich hadden laten dopen. Ze zetten hun opmerkelijke werk voort en uiteindelijk lieten bijna alle leden van de United Brethren zich dopen in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Mijn betovergrootmoeder Hannah Maria Eagles Harris was een van de eersten die naar Wilford Woodruff luisterden. Ze vertelde haar man, Robert Harris jr., dat ze het woord van God gehoord had en van plan was zich te laten dopen. Robert was allesbehalve blij met die boodschap van zijn vrouw. Hij zei dat hij haar naar de eerstvolgende preek van de mormoonse zendeling zou vergezellen en de man terecht zou wijzen.

Robert zat bijna helemaal vooraan, vastberaden om niet overgehaald te worden en de preek misschien zelfs wel te verstoren, maar hij werd meteen geraakt door de Geest, net zoals het met zijn vrouw gebeurd was. Hij wist dat de boodschap van de herstelling waar was, en hij liet zich samen met zijn vrouw dopen.

Hun verhaal van geloof en toewijding is vergelijkbaar met dat van duizenden anderen: toen ze de boodschap van het evangelie hoorden, wisten ze dat het waar was!

Het is zoals in de Schriften vermeld staat: ‘Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij’ (Johannes 10:27).

Ze hadden de stem van de Herder gehoord en wijdden hun hele leven toe aan het evangelie en de leiding van de profeet van de Heer. Ze gaven gehoor aan de oproep om zich naar Zion te vergaderen, lieten hun thuis in Engeland achter, staken de Atlantische oceaan over en voegden zich bij de heiligen in Nauvoo (Illinois, VS).

Ze aanvaardden het evangelie met heel hun hart. Terwijl ze zich in hun nieuwe woonplaats probeerden te vestigen, hielpen ze met de bouw van de Nauvootempel door hun arbeid te vertienden. Ze werkten elke tiende dag mee aan de bouw van de tempel.

Ze waren overmand door verdriet toen ze vernamen dat hun geliefde profeet, Joseph Smith, en zijn broer Hyrum vermoord waren. Maar ze lieten de moed niet zakken! Ze bleven trouw aan het geloof.

Toen de heiligen vervolgd en uit Nauvoo verdreven werden, waren Robert en Maria enorm blij dat ze vlak voor ze de Mississippi overstaken en naar het westen trokken hun begiftiging in de tempel hadden ontvangen. Hoewel ze niet wisten wat de toekomst hun zou brengen, waren ze zeker van hun geloof en getuigenis.

Op weg naar het westen ploegden ze met hun zes kinderen in de staat Iowa door de modder. Aan de oever van de Missouri, op een plek die later Winter Quarters genoemd werd, bouwden ze een primitieve schuilplaats.

Deze onversaagde pioniers wachtten op apostolische leiding om te weten hoe en wanneer ze verder westwaarts moesten trekken. Maar de plannen werden gewijzigd toen Brigham Young, president van het Quorum der Twaalf Apostelen, de mannen opriep om zich als vrijwilliger aan te melden bij het Mormoons Bataljon in het Amerikaanse leger.

Robert Harris jr. was een van de ruim vijfhonderd mormoonse pioniers die gehoor gaven aan de oproep van Brigham Young. Hij nam dienst, ook al moest hij zijn zwangere vrouw en zes kleine kinderen achterlaten.

Waarom zouden hij en de andere mannen zoiets doen?

Mijn betovergrootvader heeft die vraag zelf beantwoord. Toen het bataljon op weg was naar Santa Fe (New Mexico, VS) schreef hij zijn vrouw het volgende: ‘Mijn geloof is sterker dan ooit tevoren en ik geloof de dingen die Brigham Young ons verteld heeft alsof de grote God ze me zelf verteld heeft.’

Kortom, net zoals de andere mannen wist hij dat hij naar een profeet van God luisterde. Daarom deden ze het! Ze wisten dat ze door een profeet van God geleid werden.

In diezelfde brief vertelde hij zijn vrouw en kinderen hoeveel hij van hen hield en dat hij voortdurend bad dat ze gezegend zouden worden.

Hij schreef ook de volgende krachtige woorden: ‘We mogen niet vergeten wat jij en ik in de tempel van de Heer gehoord en [ervaren] hebben.’

Deze heilige aanmaning en zijn voorgaande getuigenis dat ‘we door een profeet van God geleid worden’ zijn als Schriftuur voor me geworden.

Anderhalf jaar na zijn vertrek met het bataljon zag Robert Harris zijn geliefde Maria weer terug. Ze bleven de rest van hun leven trouw en toegewijd aan het herstelde evangelie. Ze hadden vijftien kinderen, van wie er dertien tot volwassenen zijn opgegroeid. Mijn grootmoeder Fannye Walker uit Raymond in het Canadese Alberta was een van hun 136 kleinkinderen.

Oma Walker was trots dat haar grootvader in het Mormoons Bataljon gediend had en wilde dat al haar kleinkinderen dat wisten. Nu ik zelf grootvader ben, begrijp ik waarom ze dat zo belangrijk vond. Ze wilde het hart van de kinderen tot hun vaderen terugvoeren. Ze wilde dat haar kleinkinderen hun rechtschapen erfgoed kenden, omdat ze wist dat het hen tot zegen zou zijn.

Hoe meer we ons met onze rechtschapen voorouders verbonden voelen, hoe meer we wijze en rechtschapen keuzes maken.

Dat is zo. We zullen rijkelijk gezegend worden als we weten hoe het geloof en de offers van onze voorouders hen tot de kerk van de Heer brachten.

Toen Robert en Maria Wilford Woodruff voor de eerste keer hoorden prediken en getuigen van de herstelling van het evangelie, wisten ze dat het evangelie waar was.

Ze wisten ook dat ze ondanks alle beproevingen en tegenspoed gezegend zouden worden als ze trouw aan het geloof bleven. Het lijkt wel alsof ze de volgende woorden van onze hedendaagse profeet gehoord hadden: ‘Geen offer [is] te groot […] om de zegeningen van de tempel te ontvangen.’ (Thomas S. Monson, ‘De heilige tempel: een baken voor de wereld’, Liahona, mei 2011, p. 92.)

Op de zijkant van het Britse muntstuk van twee pond is de volgende gravering aangebracht: ‘We staan op de schouders van reuzen.’ Als ik denk aan onze geweldige voorouders, de pioniers, heb ik het gevoel dat we allemaal op de schouders van reuzen staan.

Hoewel deze aansporing in de brief van Robert Harris stond, ben ik ervan overtuigd dat talloze voorouders dezelfde boodschap aan hun kinderen en kleinkinderen zouden sturen: we mogen niet vergeten wat we in de tempel ervaren hebben, en we mogen de beloften en zegeningen die ieder van ons in de tempel ontvangt niet vergeten. Bovendien mogen we niet vergeten dat we door een profeet van God geleid worden.

Ik getuig dat we werkelijk door een profeet van God geleid worden. De Heer heeft zijn kerk in de laatste dagen door middel van de profeet Joseph Smith hersteld, en we mogen niet vergeten dat we van Joseph tot Brigham en elke president van de kerk tot aan onze huidige profeet, Thomas S. Monson, door een ononderbroken keten van profeten van God geleid worden. Ik ken president Monson, ik eer hem en heb hem lief. Ik getuig dat hij in deze tijd de profeet van de Heer op aarde is.

Ik hoop dat mijn kinderen en kleinkinderen, en wij allemaal, het erfgoed zullen eren van onze rechtschapen voorouders — die getrouwe mormoonse pioniers die bereid waren om alles wat ze hadden te offeren voor de verdediging van hun God en hun geloof. Mogen we allen trouw zijn aan het geloof dat onze ouders beleden. In de heilige naam van Jezus Christus. Amen.