April 2016 | ‘Ik was een vreemdeling’

    ‘Ik was een vreemdeling’

    April 2016 Algemene conferentie

    Bid en besluit wat u, in overeenstemming met uw eigen tijd en situatie, kunt doen om de vluchtelingen en migranten in uw omgeving te dienen.

    In de eerste bijeenkomst van de zustershulpvereniging zei Emma Smith: ‘We gaan iets buitengewoons doen. […] We verwachten buitengewone gelegenheden en dringende verzoeken om hulp.’1 Die dringende verzoeken en buitengewone gelegenheden kwamen toen veel voor — en nu ook.

    Een voorbeeld daarvan was toen president Brigham Young tijdens de algemene conferentie van oktober 1856 meedeelde dat er handkarpioniers honderden kilometers van Salt Lake City waren gestrand. Hij verklaarde: ‘Uw geloof, uw godsdienst en uw godsdienstoefeningen zullen uw ziel nooit in het celestiale koninkrijk van God brengen als u niet precies de beginselen uitvoert die ik u nu leer. Ga en breng de mensen die nu op de vlakten zijn hierheen, en schenk nauwgezet aandacht aan die zaken die materieel van aard zijn, […] anders zal uw geloof u niets baten.’2

    Met dankbare bewondering denken we aan de mannen die grote risico’s namen om die noodlijdende heiligen te gaan redden. Maar wat deden de zusters?

    ‘Zuster [Lucy Meserve] Smith schreef […] dat de aanwezigen na de oproep van president Young in actie kwamen. […] Vrouwen ‘trokken, daar in de [oude] Tabernakel, hun petticoats [lange onderrokken die toen in de mode waren en ook warm zaten], hun kousen, en alles wat ze konden missen, uit en laadden [ze] op de wagens voor de heiligen in de bergen.’3

    Een paar weken later, toen de redders en de handkarrenkonvooien Salt Lake City naderden, riep president Young de heiligen weer in de Tabernakel bijeen. Hij drong er bij de heiligen, en bij de zusters in het bijzonder, op aan dat ze deze mensen in nood zouden verzorgen, voeden en ontvangen. Hij zei: ‘Bij sommigen zijn hun voeten tot aan hun enkels bevroren, bij sommigen tot aan hun knieën en van sommigen zijn de handen bevroren. […] We willen dat u hen als uw eigen kinderen ontvangt en net zoveel van hen houdt als van uw eigen kinderen.’4

    Lucy Meserve Smith schreef ook:

    ‘We deden al het mogelijke, al die goede broeders en zusters, om hen die zoveel doorstaan hadden te troosten. […] Hun handen en voeten waren bevroren. […] We gingen met onze werkzaamheden door totdat iedereen goed verzorgd was. […]

    ‘Ik heb nooit van mijn leven meer voldoening en, laat ik zeggen, plezier gehad dan met deze taak, zo groot was de eensgezindheid onder ons. […]

    ‘Is er nog meer voor bereidwillige handen te doen?’5

    Lieve zusters, dat verslag zou op onze tijd kunnen slaan en op de mensen over de hele wereld die lijden. Er is weer een ‘buitengewone gelegenheid’ die ons raakt.

    Tenten in een vluchtelingenkamp.Kinderen in een vluchtelingenkamp.Vrouw in een vluchtelingenkamp.Gezin in een vluchtelingenkamp.Hulpverlener omringd door kinderen in een vluchtelingenkamp.Vluchtelingengezin verwelkomd.Hulpverlener omhelst een vluchteling.

    Er zijn op de hele wereld meer dan zestig miljoen vluchtelingen, onder wie mensen die hun thuis onder dwang hebben verlaten. De helft daarvan bestaat uit kinderen.6 ‘Die mensen hebben enorme moeilijkheden meegemaakt en beginnen nu in […] een nieuw land en een nieuwe cultuur aan een nieuw leven. Hoewel er organisaties zijn die hun een verblijfplaats en de eerste levensbehoeften bieden, hebben zij ook een vriend of vriendin, een maatje, nodig die hen kan helpen acclimatiseren; iemand die hun de taal kan helpen leren, de heersende gebruiken kan uitleggen en hun helpt om zich thuis te voelen.’7

    Yvette Bugingo.

    Afgelopen zomer maakte ik kennis met zuster Yvette Bugingo, die op haar elfde jaar op de vlucht sloeg, nadat haar vader gedood was en drie van haar broers vermist werden in een deel van de wereld dat door oorlog verscheurd werd. De rest van het gezin leefde uiteindelijk zesenhalf jaar als vluchtelingen in een buurland, totdat ze een permanent huis konden betrekken, waar een zorgzaam echtpaar ze hielp met vervoer, scholen en andere zaken. Yvette zei dat ze ‘waarlijk een antwoord op hun gebeden waren.’8 Haar lieve moeder en schattige zusje zingen hier vanavond in het koor. Nadat ik deze fijne vrouwen had ontmoet, heb ik me vaak afgevraagd: ‘Als hun verhaal nou eens mijn verhaal was geweest?’

    Wij zusters maken ruim de helft uit van het voorraadhuis van de Heer, waarmee de kinderen van onze hemelse Vader geholpen worden. Zijn voorraadhuis bestaat niet alleen uit goederen maar ook uit tijd, talenten, vaardigheden en onze goddelijke aard. Zuster Rosemary M. Wixom heeft gezegd: ‘Onze goddelijke aard ontsteekt ons verlangen om anderen de hand te reiken en zet ons aan tot handelen.’9

    President Russell M. Nelson heeft in verband hiermee gezegd:

    ‘We hebben vrouwen nodig […] die weten hoe ze door hun geloof belangrijke dingen tot stand brengen en die moedige verdedigsters van deugdzaamheid en gezinnen zijn in een wereld die ziek is van zonde […]; vrouwen die weten hoe ze de machten van de hemel aan [moeten] roepen om kinderen en gezinnen te beschermen en te sterken. […]

    ‘ Gehuwd of ongehuwd, als zusters bezit u kenmerkende capaciteiten en een bijzondere intuïtie die u als gaven van God ontvangen hebt. Wij broeders kunnen uw unieke invloed niet op dezelfde manier uitoefenen.’10

    In een brief van 27 oktober 2015 uitte het Eerste Presidium grote zorg en medeleven jegens de miljoenen mensen die hun huis zijn ontvlucht om aan burgerconflicten en andere ellende te ontsnappen. Het Eerste Presidium riep personen, gezinnen en kerkunits op om deel te nemen aan christelijk dienstbetoon in plaatselijke projecten voor vluchtelingenhulp en, indien haalbaar, aan het fonds voor humanitaire hulp bij te dragen.

    De algemene presidiums van de ZHV, de jongevrouwen en het jeugdwerk hebben zich afgevraagd hoe we gehoor aan die oproep kunnen geven. We weten dat u, lieve zusters, allemaal verschillende leeftijden, levensstijlen en levensomstandigheden hebt. Ieder lid van deze wereldwijde zusterschap van heiligen heeft bij haar doopverbond beloofd om ‘hen te troosten die vertroosting nodig hebben.’11 We moeten echter ook bedenken dat niemand van ons harder moet lopen dan haar kracht toelaat.12

    Met die waarheden in gedachte hebben we een actie in gang gezet die we ‘Ik was een vreemdeling’ noemen. Wij hopen dat u bidt en besluit wat u, in overeenstemming met uw eigen tijd en situatie, kunt doen om de vluchtelingen en migranten in uw omgeving te dienen. Dit biedt u de kans om individueel, als gezin en als organisatie vriendschap, begeleiding en andere christelijke hulp aan te bieden. En dat is een van de vele manieren waarop zusters kunnen dienen.

    Bij al uw gebeden en inspanningen moet u de wijze raad van koning Benjamin opvolgen, die hij zijn volk gaf nadat hij het had aangespoord om voor de mensen in nood te zorgen: ‘Ziet toe dat al deze dingen in wijsheid en ordelijkheid worden gedaan.’13

    Zusters, we weten dat de Heer het belangrijk vindt dat we anderen liefdevol de hand reiken. Denk aan de volgende aansporingen uit de Schriften:

    ‘De vreemdeling die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem liefhebben als uzelf.’14

    ‘Vergeet de gastvrijheid niet, want hierdoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onderdak geboden.’15

    En de Heiland heeft gezegd:

    ‘Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt mij gastvrij onthaald.

    ‘Ik was naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest en u hebt Mij bezocht.’16

    De muntjes van de weduwe.

    De Heiland uitte liefdevolle waardering voor de weduwe die slechts twee munten gaf, omdat ze deed wat ze kon.17 Hij vertelde ook de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan en rondde die af met de woorden: ‘Ga heen en doet evenzo.’18 Soms komt helpen niet gelegen. Maar als we in liefde en eenheid samenwerken, mogen we hulp uit de hemel verwachten.

    Op de begrafenisdienst van een bijzondere dochter van God vertelde iemand dat die zuster in de jaren negentig, toen ze ZHV-presidente van de ring was, samen met anderen quilts maakte om de noodlijdende mensen in Kosovo warmte te schenken. En net als de barmhartige Samaritaan ging ze de tweede mijl, want met haar dochter reed zij met een vrachtauto vol quilts van Londen naar Kosovo. Op de terugreis kreeg ze een onmiskenbare geestelijke ingeving die haar diep raakte. Die ingeving was: ‘Wat je hebt gedaan was heel goed. Ga nu naar huis, kijk om je heen en help je medemens!’19

    Op de begrafenisdienst werden nog meer inspirerende verhalen verteld over die getrouwe vrouw; hoe zij buitengewone, dringende verzoeken herkende en erop reageerde — en ook op buitengewone gelegenheden — van mensen binnen haar invloedssfeer. Ze stelde bijvoorbeeld haar huis en haar hart op ieder uur van de dag of nacht open voor jonge mensen die het moeilijk hadden.

    Lieve zusters, we kunnen rekenen op de hulp van onze hemelse Vader als we op onze knieën gaan en Hem om goddelijke leiding vragen teneinde zijn kinderen tot zegen te kunnen zijn. Onze hemelse Vader, Jezus Christus en de Heilige Geest staan klaar om te helpen.

    President Henry B. Eyring heeft krachtig tot de vrouwen van de kerk getuigd:

    ‘Onze hemelse Vader hoort en verhoort uw gelovige gebed om leiding en hulp om te volharden in uw liefdewerk voor Hem.

    ‘De Heilige Geest wordt naar u gezonden en naar degenen voor wie u zorgt. U zult de kracht en de nodige inspiratie ontvangen om in te zien in hoeverre u in staat bent om hulp te bieden. De Geest zal u troosten wanneer u zich mocht afvragen of u wel genoeg hebt gedaan.’20

    Als we nadenken over de ‘dringende verzoeken’ van hen die onze hulp nodig hebben, laten we ons dan afvragen: ‘Als hun verhaal nou eens mijn verhaal was?’ Mogen we dan naar inspiratie streven, handelen naar de ingevingen die we ontvangen en hen die in nood verkeren eensgezind de hand reiken, al naar gelang ons vermogen en de inspiratie die we ontvangen. Misschien zal er dan van ons gezegd worden, zoals de Heiland over een liefdevolle zuster die Hem diende zei: ‘Zij heeft een goed werk aan Mij verricht. […] Zij heeft gedaan wat zij kon.’21 Dat noem ik buitengewoon! In de naam van Jezus Christus. Amen.

    Verwijzingen tonenVerwijzingen verbergen

      Noten

      1. Emma Smith. In Dochters in mijn koninkrijk: de geschiedenis en het werk van de zustershulpvereniging (2011), 16.

      2. Brigham Young. In Dochters in mijn koninkrijk, 41.

      3. Dochters in mijn koninkrijk, 41–42.

      4. Brigham Young, in James E. Faust, ‘Go Bring Them in from the Plains’, Liahona, november 1997, 7; zie ook LeRoy R. en Ann W. Hafen, Handcarts to Zion: The Story of a Unique Western Migration 1856–1860 (1960), 139.

      5. Lucy Meserve Smith, in Jill Mulvay Derr en anderen, red., The First Fifty Years of Relief Society: Key Documents in Latter-day Saint Women’s History (2016), 217, 218; zie ook Dochters in mijn Koninkrijk , 41–42.

      6. Zie ‘Facts and Figures about Refugees’, unhcr.org.uk/about-us/key-facts-and-figures.html.

      7. 40 Ways to Help Refugees in Your Community’, 9 september 2015, mormonchannel.org.

      8. Email van Yvette Bugingo, 12 maart 2016.

      9. Rosemary M. Wixom, ‘Onze goddelijke aard ontdekken, Liahona, november 2015, 8. Emily Woodmansee, een van de zusters van het Willie handkarkonvooi die in 1856 gered waren, beschreef goddelijke aard als volgt:

        Als zusters te dienen is ’t voorrecht der vrouwen,

        een gave van God, in vertrouwen verleend;

        In liefde te schragen en steeds op te bouwen,

        te steunen en helpen waar nood wordt vermeend. (‘Wij zusters in Zion’, Lofzangen, nr. 200.)

      10. Russell M. Nelson, ‘Een oproep aan mijn zusters’, Liahona, november 2015, 96, 97.

      11. Mosiah 18:9.

      12. Zie Mosiah 4:27.

      13. Mosiah 4:27.

      14. Leviticus 19:34.

      15. Hebreeën 13:12.

      16. Mattheüs 25:35–36.

      17. Zie Lukas 21:1–4.

      18. Lukas 10:37.

      19. Begrafenisdienst van Rosemary Curtis Neider, januari 2015.

      20. Henry B. Eyring, ‘Mantelzorgsters’, Liahona, november 2012, 124.

      21. Markus 14:6, 8.