‘Kom tot Mij met een volmaakt voornemen des harten, dan zal Ik u genezen’

Of the First Quorum of the Seventy


Patrick Kearon
Onze Heiland is de Vredevorst, de grote Geneesheer, de enige die ons daadwerkelijk kan verlossen van de steek van zonde.
 

Vanavond wil ik graag een boodschap van troost en genezing overbrengen aan iedereen die zich alleen of in de steek gelaten voelt, die zijn gemoedsrust kwijt is, of die het gevoel heeft dat zijn laatste kans verkeken is. Volledige genezing en gemoedsrust kunnen aan de voeten van de Heiland gevonden worden.

Toen ik als zevenjarig jongetje op het Arabisch schiereiland woonde, zeiden mijn ouders voortdurend dat ik altijd mijn schoenen moest dragen, en ik wist waarom. Ik wist dat mijn schoenen me zouden beschermen tegen veel gevaren in de woestijn — zoals slangen, schorpioenen en doornen. Toen ik een nacht in de woestijn had gekampeerd, wilde ik de volgende ochtend op onderzoek uit, maar ik had geen zin om mijn schoenen aan te trekken. Ik maakte mezelf wijs dat ik toch niet ver weg zou gaan en dicht bij het kamp zou blijven. Dus in plaats van schoenen deed ik teenslippers aan. Ik zei tegen mezelf dat teenslippers ook een soort schoenen waren. En wat kon er eigenlijk gebeuren?

Toen ik — op mijn teenslippers — door het koele zand liep voelde ik iets in mijn voetholte prikken. Ik keek naar beneden en zag dat het geen doorn was, maar een schorpioen. Toen het tot me doordrong dat het een schorpioen was, en ik besefte wat er gebeurd was, begon de pijn in mijn voet naar mijn been op te trekken. Ik pakte de bovenkant van mijn been vast om te proberen de brandende pijn tegen te houden. En ik riep om hulp. Mijn ouders kwamen uit het kamp rennen.

Terwijl mijn vader de schorpioen met een schop doodsloeg, probeerde een dappere volwassen vriend die daar ook kampeerde het vergif uit mijn voet te zuigen. Op dat moment dacht ik dat ik doodging. Ik huilde en mijn ouders legden me in een auto en reden op hoge snelheid door de woestijn naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis, dat ruim twee uur verderop was. De pijn in mijn been was ondraaglijk en onderweg dacht ik voortdurend dat ik zou doodgaan.

Toen we eindelijk bij het ziekenhuis aankwamen, stelde de arts me gerust en zei dat de steek van zo’n schorpioen alleen gevaarlijk was voor baby’s en zwaar ondervoede mensen. Hij gaf me een verdoving waardoor mijn been gevoelloos werd en de pijn verdween. Binnen 24 uur had ik helemaal geen last meer van de schorpioensteek. Maar ik had wel een belangrijke les geleerd.

Ik wist heus wel dat mijn ouders geen teenslippers bedoelden toen ze zeiden dat ik schoenen moest dragen; ik was oud genoeg om te weten dat teenslippers niet dezelfde bescherming bieden als schoenen. Maar die ochtend in de woestijn had ik lak aan goede raad. Ik negeerde wat mijn ouders me herhaaldelijk hadden geleerd. Ik was zowel lui als een beetje opstandig, en daar moest ik de gevolgen van ondervinden.

Nu ik de heldhaftige jongemannen, hun vaders, leerkrachten, leiders en vrienden toespreek, wil ik mijn waardering uitspreken voor iedereen die er ijverig naar streeft om te worden wat de Heer wil. Maar ik getuig uit eigen ervaring, als jongen en als man, dat als we door luiheid of opstandigheid geen acht slaan op het goede, we altijd met ongewenste en schadelijke gevolgen te maken krijgen. Nee, uiteindelijk heeft de schorpioen mijn leven niet ernstig bedreigd, maar hij heeft mij en mijn ouders wel enorm veel pijn en ellende bezorgd. We mogen in de manier waarop we het evangelie naleven niet lui of opstandig zijn.

Als lid van De Kerk van Jezus Christus en als drager van het priesterschap weten we welke geboden en normen we volgens ons verbond moeten naleven. Als we een ander pad kiezen dan het juiste pad dat onze ouders en leiders ons hebben gewezen, en dat door de Heilige Geest in ons hart is bevestigd, lijkt het wel of we met teenslippers in plaats van schoenen op het woestijnzand stappen. Dan proberen we ons luie of opstandige gedrag te rechtvaardigen. Dan maken we onszelf wijs dat we niet echt iets verkeerd doen, dat het niet uitmaakt en dat er niets slechts uit zal voortkomen als we de roede van ijzer een beetje loslaten. Wellicht maken we onszelf wijs dat iedereen het doet — of nog erger — en dat we er toch geen nadelige gevolgen van ondervinden. Op de een of andere manier overtuigen we onszelf dat wij de uitzondering op de regel zijn en dat we immuun zijn voor de gevolgen van onze overtreding. We weigeren, soms opzettelijk, om ‘stipt gehoorzaam’ 1 te zijn — zoals in Predik mijn evangelie staat — waardoor we een deel van ons hart bij de Heer vandaan houden. En dan worden we gestoken.

In de Schriften staat dat ‘de Heer het hart verlangt 2 , en ons is geboden om de Heer lief te hebben en te dienen met ‘geheel [ons] hart’. 3 We krijgen de belofte dat we ‘ten laatsten dage schuldeloos voor God [zullen] staan’ en in zijn tegenwoordigheid zullen terugkeren. 4

De Anti-Nephi-Lehieten in het Boek van Mormon legden hun oorlogswapens neer en begroeven ze diep in de grond. Ze sloten een verbond om nooit meer hun wapens tegen hun broeders op te nemen. Maar ze deden nog meer. ‘Zij werden een rechtvaardig volk’ want ‘zij legden de wapens van hun opstand neer, zodat zij niet meer tegen God streden.’ 5 Hun bekering was zo volledig en diepgaand dat ze ‘nooit afvallig’ 6 werden.

Maar denk eens aan de toestand waarin ze zich vóór hun bekering bevonden — ze leefden in ‘openlijke opstand tegen God’ 7 Door hun opstandige hart moesten ze leven ‘in een staat die in strijd is met de aard van het geluk’ omdat zij ‘zich tegen de aard van God’ hadden gekeerd. 8

Toen zij de wapens van hun opstand neerlegden, kwamen ze in aanmerking voor de genezing en vrede van de Heer, en dat geldt ook voor ons. De Heiland belooft: ‘Indien zij hun hart niet verstokken en hun hals niet tegen Mij verstarren, zullen zij tot inkeer komen en zal Ik hen genezen.’ 9 U en ik kunnen zijn uitnodiging aanvaarden en ‘terugkomen en [ons] bekeren, en met een volmaakt voornemen des harten tot [Hem] komen.’ Dan zal Hij ons genezen. 10

Vergelijk die wonderbaarlijke genezing eens met wat er gebeurt ‘wanneer wij trachten onze zonden te bedekken, of onze hoogmoed, onze ijdele eerzucht te bevredigen, (…) dan trekken de hemelen zich terug; de Geest des Heren is gegriefd.’ Dan zijn we aan onszelf overgelaten om ‘tegen de prikkels te schoppen (…) en tegen God te strijden.’ 11

Broeders, we krijgen alleen genezing en verademing als we onszelf neerleggen aan de voeten van de grote Geneesheer, onze Heiland, Jezus Christus. We moeten de wapens van onze opstand neerleggen (en we weten allemaal wat die zijn). We moeten onze zonde, ijdelheid en hoogmoed neerleggen. We moeten onze verlangens opgeven om de wereld te volgen, en om door de wereld gerespecteerd en geprezen te worden. We moeten een eind aan onze strijd tegen God maken en ons hele hart aan Hem geven, zonder iets achter te houden. Dan kan Hij ons genezen. Dan kan Hij ons reinigen van de giftige steek van zonde.

‘Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde.’ 12

President James E. Faust heeft verklaard:

‘Als gehoorzaamheid onze doelstelling wordt, zullen we ons er niet langer aan ergeren; het verandert van een struikelblok in een bouwsteen. (…)

‘(…) Gehoorzaamheid leidt tot echte vrijheid. Hoe meer we geopenbaarde waarheid gehoorzamen, des te vrijer worden we.’ 13

Ik heb vorige week een 92-jarige man ontmoet die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan veel militaire acties heeft deelgenomen. Hij had drie aanslagen overleefd, onder andere toen de jeep waarin hij zat op een landmijn reed en de bestuurder gedood werd. Hij leerde toen dat als je een mijnenveld wilt overleven, je precies in het spoor moet blijven van het voertuig voor je. Elke afwijking naar rechts of naar links kon fataal zijn — en was dat in dit geval ook.

Onze profeten, apostelen, leiders en ouders wijzen ons voortdurend op het spoor dat we moeten volgen als we de vernietigende aanvallen op onze ziel willen vermijden. Zij kennen het pad dat vrij is van mijnen (en schorpioenen), en zij moedigen ons onvermoeibaar aan om hen te volgen. Er zijn zoveel verwoestende hinderlagen om ons van het spoor weg te lokken. Als wij het slechte pad van drugs, alcohol, pornografie of onzedelijk gedrag betreden, via internet of met een game, gaan we rechtstreeks op een landmijn af. Als we ook maar enigszins naar links of naar rechts afwijken — ten gevolge van luiheid of opstandigheid — kan dat fataal zijn voor ons geestelijk leven. Er zijn geen uitzonderingen op die regel.

Als we van het spoor zijn afgedwaald, kunnen we veranderen, kunnen we terugkeren en kunnen we onze vreugde en gemoedsrust terugkrijgen. Dan ontdekken we dat de terugkeer naar het pad waarvan de landmijnen verwijderd zijn, een enorme verademing is.

Niemand kan gemoedsrust vinden in een mijnenveld.

Onze Heiland is de Vredevorst, de grote Geneesheer, de enige die ons daadwerkelijk kan verlossen van de steek van zonde en het vergif van hoogmoed. Hij kan ons opstandige hart veranderen in een bekeerlijk verbondshart. Zijn verzoening is oneindig en omvat ons allen.

De aanmoediging die Hij de Nephieten gaf toen Hij ze als de herrezen Christus diende, is nog steeds van kracht voor ons allemaal. ‘Hebt gij ook mensen onder u die ziek zijn? Brengt hen hierheen. Hebt gij ook mensen onder u die lam zijn, of blind of kreupel of verminkt of melaats, of die verschrompeld zijn, of die doof zijn, of die op enigerlei wijze lijdende zijn? Brengt hen hierheen en Ik zal hen genezen.’ 14

Niemand van ons heeft onze laatste kans verspeeld. We kunnen veranderen, we kunnen terugkomen, we kunnen aanspraak maken op de barmhartigheid. Kom tot de enige die kan genezen om gemoedsrust te vinden. In de naam van Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1.  Predik mijn evangelie: handleiding voor zendingswerk (2004), binnenzijde achteromslag.

  2.  

    2.  Leer en Verbonden 64:34; cursivering toegevoegd.

  3.  

    3.  Leer en Verbonden 4:2; 59:5; cursivering toegevoegd.

  4.  

    4.  Leer en Verbonden 4:2.

  5.  

    5.  Alma 23:7; cursivering toegevoegd.

  6.  

    6.  Alma 23:6.

  7.  

    7.  Mosiah 2:37; Alma 3:18; zie ook Mormon 2:15.

  8.  

    8.  Alma 41:11.

  9.  

    9.  Leer en Verbonden 112:73; cursivering toegevoegd.

  10.  

    10.  3 Nephi 18:32.

  11.  

    11.  Leer en Verbonden 121:37, 38.

  12.  

    12.  Johannes 3:17.

  13.  

    13. James E. Faust, “Obedience: The Path to Freedom,” Ensign, mei 1999, pp. 47, 45.

  14.  

    14.  3 Nephi 17:7; cursivering toegevoegd.