Wachten op de Heer: uw wil geschiede

van het Quorum der Twaalf Apostelen


Robert D. Hales
Ons leven op aarde is bedoeld ter vooruitgang, ontwikkeling en versterking van onszelf door wat we meemaken.

Op deze sabbatdag uiten wij onze dank en getuigen wij dat onze Heiland waarlijk leeft. Zijn evangelie is hersteld door middel van de profeet Joseph Smith. Het Boek van Mormon is waar. Wij worden geleid door een hedendaagse profeet, president Thomas S. Monson. Bovenal getuigen wij plechtig van de verzoening van Jezus Christus en de eeuwige zegeningen die daaruit voortvloeien.

In de afgelopen maanden heb ik me meer in het zoenoffer van de Heiland kunnen verdiepen en hoe Hij Zich voorbereidde om dat eeuwige offer voor ons allen te brengen.

Zijn voorbereiding begon in het voorsterfelijk leven, waar Hij aan de verwachtingen van zijn Vader voldeed en zei: ‘Uw wil geschiede en de heerlijkheid zij de uwe voor eeuwig!’1 Vanaf dat moment en vandaag nog steeds wendt Hij zijn keuzevrijheid aan om het plan van onze hemelse Vader te aanvaarden en uit te voeren. In de Schriften staat dat Hij in zijn jeugd ‘bezig [was] met de dingen [z]ijns Vaders’2 en ‘de Heer diende in afwachting van de tijd van zijn bediening’.3 Op dertigjarige leeftijd onderging Hij enorme verleidingen maar koos Hij ervoor ze te weerstaan, zeggende: ‘Ga weg, satan!’4 In Getsemane vertrouwde Hij zijn Vader en verklaarde Hij: ‘Doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede!’5 Vervolgens koos Hij ervoor om voor onze zonden te lijden. Gedurende de openbare vernedering door zijn aanklagers en de kwelling van het kruis diende en wachtte Hij op zijn Vader, bereid om voor ‘onze overtredingen [te worden] doorboord [en voor] onze ongerechtigheden verbrijzeld’.6 Zelfs toen Hij uitriep: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’7, verwachtte en wachtte Hij op zijn Vader. Hij koos ervoor om zijn vijanden te vergeven8, voor zijn moeder te zorgen9 en tot het einde toe te volharden totdat zijn leven en aardse zending waren volbracht.10

Ik heb er vaak over nagedacht waarom de Zoon van God, zijn heilige profeten en alle trouwe heiligen moeilijkheden en beproevingen ondergaan, zelfs wanneer ze de wil van hun hemelse Vader proberen te doen. Waarom is het leven zo moeilijk, vooral voor hen?

Ik denk aan Joseph Smith, die als jongen ziekte en tijdens zijn hele leven vervolging te verduren kreeg. Net als de Heiland riep hij uit: ‘O God, waar zijt Gij?’11 Toch koos hij er in zijn schijnbare eenzaamheid voor om op de Heer te wachten en de wil van zijn hemelse Vader te doen.

Ik denk aan onze pionier-voorouders, die uit Nauvoo waren verdreven en de vlakten overstaken. Zij kozen ervoor om een profeet te volgen ook al ondergingen ze ziekte, ontberingen en sommigen zelfs de dood. Vanwaar die vreselijke beproevingen? Waarom? Met welk doel?

Bij die vragen dienen we te beseffen dat ons leven op aarde is bedoeld ter vooruitgang, ontwikkeling en versterking van onszelf door wat we meemaken. Hoe doen we dat? De Schriften houden ons in een enkele zin het eenvoudige antwoord voor: wij moeten ‘de Here verwachten’.12 We krijgen allemaal met moeilijkheden en beproevingen te maken. Die aardse problemen laten ons en onze hemelse Vader zien of we ervoor zullen kiezen om zijn Zoon te volgen. Hij weet het al, en wij kunnen leren, dat hoe moeilijk onze omstandigheden ook zijn, ‘al deze dingen [ons] ondervinding zullen geven en voor [ons] bestwil zullen zijn’.13

Wil dat zeggen dat we onze moeilijkheden altijd begrijpen? Voelen we ons allemaal soms niet gedrongen om te vragen: ‘O God, waar zijt Gij?’14 Zeker! Dat vraagt de partner die achterblijft als de huwelijkspartner overlijdt. Dat vraagt een vader zich af als een gezin met financiële moeilijkheden kampt. Ouders roepen dat in verdriet uit als kinderen van het pad afdwalen. En toch mogen we weten: ‘Des avonds vernacht het geween, tegen de morgen is er gejuich.’15 Dan gloort er in ons hernieuwd geloof en begrip, en kiezen we ervoor om op de Heer te wachten en te zeggen: ‘Uw wil geschiede.’16

Wat houden wachten op de Heer en Hem verwachten dan in? In de Schriften heeft wachten op of verwachten de betekenis van hopen op, uitzien naar en vertrouwen stellen in. Hopen op en vertrouwen stellen in de Heer vereisen geloof, geduld, nederigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, naleving van de geboden en volharding tot het einde.

Wachten op de Heer en Hem verwachten betekent het zaad van geloof zaaien en het ‘met grote ijver en met geduld’ verzorgen.17

Het betekent bidden zoals de Heiland deed — tot God, onze hemelse Vader — en zeggen: ‘Uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede.’18 Het is een gebed dat we met onze gehele ziel opzenden, in de naam van onze Heiland, Jezus Christus.

Wachten op de Heer en Hem verwachten betekent dingen in ons hart overwegen en ‘de Heilige Geest ontvang[en]’ zodat wij ‘alle dingen [kunnen weten] die [wij behoren] te doen’.19

Als wij de influisteringen van de Geest volgen, merken wij dat ‘de verdrukking volharding uitwerkt’20 en leren wij te ‘volhard[en] in alle geduld totdat [w]ij volmaakt zij[n]’.21

Wachten op de Heer en Hem verwachten betekent ‘standhouden’22 en ‘voorwaarts streven’ in geloof, ‘met volmaakt stralende hoop’.23

Het betekent ‘alleen vertrouwend op de verdiensten van Christus’24 en ‘bijgestaan door [zijn] genade [zeggen]: Uw wil geschiede, o Heer, en niet de onze.’25

Als we wachten op de Heer en Hem verwachten, zijn we ‘onveranderlijk in het onderhouden van de geboden’26, wetende dat wij ‘op zekere dag van al [onze] benauwingen zul[len] uitrusten’.27

Wij ‘[geven] dan [onze] vrijmoedigheid niet prijs’28 dat ‘alle dingen waarmee [wij zijn] bezocht, zullen samenwerken voor [ons] welzijn’.29

Die bezoekingen komen in allerlei soorten en maten. Jobs ervaringen geven aan wat we soms moeten doorstaan. Job raakte alles kwijt wat hij had: zijn land, huis en dieren; zijn gezinsleden; zijn reputatie; zijn lichamelijke gezondheid en zelfs zijn psychisch welzijn. Toch verwachtte hij de Heer en gaf hij zijn krachtige getuigenis met de woorden:

‘Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden.

‘Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen.’30

‘Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen.’31

Zelfs met de lichtende voorbeelden van Job, de profeten en de Heiland vinden we het vaak nog moeilijk om te wachten op de Heer, vooral als we zijn plan en doeleinden voor ons niet volledig begrijpen. Dat begrip komt veelal ‘regel op regel [en] voorschrift op voorschrift’.32

In mijn leven heb ik geleerd dat ik soms geen antwoord krijg op een gebed omdat de Heer weet dat ik er niet klaar voor ben. Wanneer Hij wel antwoord geeft, is het vaak ‘hier een weinig en daar een weinig’33 omdat ik niet meer kan verdragen of bereidwillig ben te doen.

Te vaak bidden we om geduld, maar willen het dan wel meteen! Als jongeman bad president David O. McKay om een getuigenis van de waarheid van het evangelie. Vele jaren later, toen hij op zending was in Schotland, ontving hij dat getuigenis uiteindelijk. Later schreef hij: ‘Voor mij was het de bevestiging dat oprecht gebed “eens, ergens” wordt beantwoord.’34

We weten niet altijd wanneer of hoe de Heer antwoord zal geven, maar ik getuig dat zijn antwoorden wel komen, op zijn tijd en op zijn wijze. Sommige antwoorden wachten ons mogelijk pas in het hiernamaals. Dat kan het geval zijn voor sommige beloften in onze patriarchale zegen en voor sommige zegeningen in onze familiekring. Laten we vertrouwen in de Heer blijven stellen. Zijn zegeningen zijn eeuwig, niet tijdelijk.

Wachten op de Heer biedt ons het waardevolle inzicht dat er velen zijn die op ons wachten. Onze kinderen wachten erop dat we ze met geduld, liefde en begrip bejegenen. Onze ouders verwachten dat we dankbaarheid en medeleven tonen. Onze broeders en zusters wachten op onze verdraagzaamheid, barmhartigheid en vergevensgezindheid. Onze huwelijkspartner wacht op onze liefde zoals de Heiland ons allen heeft liefgehad.

Als we lichamelijk lijden moeten verduren, worden we ons steeds meer bewust hoeveel mensen er als wachters naar ons omzien. Voor alle Maria’s en Marta’s, voor alle barmhartige Samaritanen die de zieken bijstaan, de zwakken te hulp komen en zorgen voor wie psychisch en lichamelijk lijden, voel ik de dankbaarheid van een liefdevolle hemelse Vader en zijn geliefde Zoon. In uw dagelijkse christelijke dienstbetoon ziet u verwachtingsvol uit naar de Heer en doet u de wil van uw hemelse Vader. Zijn verzekering aan u is duidelijk: ‘In zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.’35 Hij kent uw offers en uw verdriet. Hij hoort uw gebeden. Zijn vrede en rust wachten u als u doorgaat Hem in geloof te dienen.

Ieder van ons is meer geliefd bij de Heer dan we ons kunnen indenken. Laten we dan ook vriendelijker voor elkaar en vriendelijker voor onszelf zijn. Laten we bedenken dat we door de Heer te verwachten ‘een heilige word[en] door [zijn] verzoening (…): onderworpen, zachtmoedig, ootmoedig, geduldig, vol liefde, gewillig [ons] te onderwerpen aan alles wat de Heer goeddunkt [ons] op te leggen, ja, zoals een kind zich aan zijn vader onderwerpt.’36

Die onderworpenheid toonde onze Heiland aan zijn Vader in de hof van Getsemane. Hij smeekte zijn discipelen om met Hem te waken, toch vond Hij ze tot drie keer toe door slaap overmand aan.37 Zonder het gezelschap van die discipelen en uiteindelijk zonder de nabijheid van zijn Vader koos de Heiland ervoor om onze ‘pijnen en benauwingen en allerlei verzoekingen’ te doorstaan.38 Met een engel uit de hemel om Hem kracht te geven39, deinsde Hij niet terug om uit de bittere beker te drinken.40 Hij zag verwachtingsvol op naar zijn Vader en zei: ‘Uw wil geschiede’41, en trad de wijnpers nederig alleen.42 Nu bid ik als een van zijn twaalf apostelen in deze laatste dagen dat wij gesterkt worden om met Hem te waken en Hem te verwachten en te dienen, ons hele leven lang.

Op deze sabbatdag uit ik mijn dank dat u en ik in ons eigen Getsemane43 niet alleen zijn. Hij die over ons waakt, ‘sluimert noch slaapt’.44 Zijn engelen hier en aan de andere zijde van de sluier zijn ‘rondom [ons] om [ons] te schragen’.45 Ik geef u mijn bijzondere getuigenis dat zijn belofte waar is, want Hij zegt: ‘Wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat.’46 Mogen wij wachten op en uitzien naar Hem door voorwaarts te streven in geloof. Mogen wij zeggen in onze gebeden: ‘Uw wil geschiede’47 en eervol tot Hem terugkeren. In de heilige naam van onze Heiland en Verlosser, Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1.  Mozes 4:2.

  2.  

    2.  Lucas 2:49.

  3.  

    3. Bijbelvertaling van Joseph Smith, Matteüs 3:24, Gids bij de Schriften.

  4.  

    4.  Matteüs 4:10.

  5.  

    5.  Lucas 22:42.

  6.  

    6.  Jesaja 53:5, zie ook Mosiah 14:5.

  7.  

    7.  Matteüs 27:46; Marcus 15:34.

  8.  

    8. Zie Lucas 23:34.

  9.  

    9. Zie Johannes 19:27.

  10.  

    10. Zie Johannes 19:30.

  11.  

    11.  Leer en Verbonden 121:1.

  12.  

    12. Zie Psalmen 37:9; 123:2;Jesaja 8:17; 40:31; 2 Nephi 18:17.

  13.  

    13.  Leer en Verbonden 122:7.

  14.  

    14.  Leer en Verbonden 121:1.

  15.  

    15.  Psalmen 30:6.

  16.  

    16.  Matteüs 6:10; 3 Nephi 13:10; zie ook Matteüs 26:39.

  17.  

    17.  Alma 32:41.

  18.  

    18.  Matteüs 6:10; Lucas 11:2.

  19.  

    19.  2 Nephi 32:5.

  20.  

    20.  Romeinen 5:3.

  21.  

    21.  Leer en Verbonden 67:13.

  22.  

    22.  Alma 45:17.

  23.  

    23.  2 Nephi 31:20.

  24.  

    24.  Moroni 6:4.

  25.  

    25.  Leer en Verbonden 109:44.

  26.  

    26.  Alma 1:25.

  27.  

    27.  Alma 34:41.

  28.  

    28.  Hebreeën 10:35.

  29.  

    29.  Leer en Verbonden 98:3.

  30.  

    30.  Job 19:25–26.

  31.  

    31.  Job 13:15.

  32.  

    32.  2 Nephi 28:30.

  33.  

    33.  2 Nephi 28:30.

  34.  

    34.  Leringen van kerkpresidenten: David O. McKay (2003), xix.

  35.  

    35.  Matteüs 25:40.

  36.  

    36.  Mosiah 3:19.

  37.  

    37. Zie Matteüs 26:38; zie ook vss. 39–45.

  38.  

    38.  Alma 7:11.

  39.  

    39. Zie Lucas 22:43.

  40.  

    40. Zie ‘Jezus de Gekruisigde’, lofzang 126; 3 Nephi 11:11; Leer en Verbonden 19:18–19.

  41.  

    41.  Matteüs 26:42.

  42.  

    42. Zie Leer en Verbonden 76:107; 88:106; 133:50.

  43.  

    43. Zie ‘Waar is een toevluchtsoord?’, lofzang 88.

  44.  

    44.  Psalmen 121:4.

  45.  

    45.  Leer en Verbonden 84:88.

  46.  

    46.  Jesaja 40:31.

  47.  

    47.  Matteüs 26:42.