‘Want Ik leef en gij zult leven’

Ouderling Shayne M. Bowen

van de Zeventig


Shayne M. Bowen
Dankzij Hem, onze Heiland, Jezus Christus, zullen die gevoelens van verdriet, eenzaamheid en wanhoop eens opgeslokt worden in een volheid van vreugde.

Toen wij als jonge zendelingen in Chili dienden, ontmoetten mijn collega en ik een gezin met vijf kinderen in de plaatselijke gemeente. De moeder kwam iedere week met haar vijf kinderen naar de kerk. We gingen ervan uit dat ze al lang lid van de kerk waren. Na enkele weken kwamen we erachter dat ze nog niet gedoopt waren.

We gingen onmiddellijk naar hen toe en vroegen of we hun thuis mochten bezoeken om hen les te geven. De vader had geen interesse in het evangelie maar had er geen bezwaar tegen dat we zijn gezin onderwezen.

Zuster Ramirez ging als een sneltrein door de lessen heen. Ze wilde graag alles leren wat wij onderwezen. Op een avond spraken we over de kinderdoop en legden uit dat kleine kinderen onschuldig zijn en geen doop nodig hebben. We vroegen haar om in het boek Moroni te lezen:

‘Zie, ik zeg u dat gij het volgende zult leren: bekering en doop voor hen die toerekeningsvatbaar zijn en in staat om zonde te bedrijven; ja, leer de ouders dat zij zich moeten bekeren en zich moeten laten dopen en zich als hun kleine kinderen moeten verootmoedigen, en zij zullen allen met hun kleine kinderen worden behouden.

‘En hun kleine kinderen hebben geen bekering of doop nodig. Zie, de doop is tot bekering ter vervulling van de geboden, tot vergeving van zonden.

‘Maar kleine kinderen zijn levend in Christus, ja, vanaf de grondlegging der wereld; zo niet, dan is God een partijdig God, en ook een veranderlijk God en een aannemer des persoons; want hoevele kleine kinderen zijn er niet zonder de doop gestorven!1

Toen ze deze tekst gelezen had begon zuster Ramirez hard te huilen. Mijn collega en ik raakten in de war. Ik vroeg: ‘Zuster Ramirez, hebben wij iets gezegd of gedaan dat u gekwetst heeft?’

Zij zei: ‘O nee, elder, jullie hebben niets verkeerd gedaan. Zes jaar geleden heb ik een baby gekregen, een jongetje. Hij stierf voordat we hem konden laten dopen. Onze priester zei tegen ons dat hij voor eeuwig in het vagevuur zou zijn omdat hij niet gedoopt was. Zes jaar lang heb ik dat verdriet en dat schuldgevoel gehad. Nu ik deze tekst lees, weet ik door de macht van de Heilige Geest dat dit waar is. Er valt een last van me af en deze tranen zijn tranen van vreugde.’

Dat deed me denken aan het onderwijs van de profeet Joseph Smith die ons deze troostrijke leer gaf: ‘De Heer neemt velen zelfs al in hun kinderjaren weg, zodat zij aan de nijd van de mens, en de smart en het kwaad van deze wereld ontkomen; zij waren te zuiver en te liefelijk om op deze aarde te blijven; welbeschouwd hebben wij dus reden tot vreugde in plaats van verdriet, daar zij van het kwaad zijn bevrijd en wij hen spoedig weer terug zullen hebben.’2

Na zes jaar van ondragelijk verdriet en pijn bracht de ware leer, geopenbaard door een liefhebbende Vader in de hemel aan een levende profeet, zoete vrede aan deze gekwelde vrouw. Het is overbodig om te vermelden dat zuster Ramirez en haar kinderen die acht jaar en ouder waren zich lieten dopen.

Ik weet nog dat ik naar mijn familie schreef en de dankbaarheid in mijn hart uitte voor de kennis van deze en zoveel andere duidelijke en kostbare waarheden in het evangelie van Jezus Christus. Ik had nooit gedacht dat dit mooie ware beginsel in latere jaren weer onder mijn aandacht zou komen en mijn eigen balsem van Gilead zou zijn.

Ik spreek tot hen die een kind verloren hebben en hebben gevraagd: ‘Waarom ik?’ Of die misschien aan hun eigen geloof in een liefdevolle Vader in de hemel twijfelen. Het is mijn gebed dat ik u door de macht van de Heilige Geest in enige mate hoop, vrede en inzicht kan geven. Het is mijn verlangen om een instrument te zijn in het herstel van uw geloof in onze Vader in de hemel die alles weet en ons toestaat om beproevingen mee te maken zodat we Hem kunnen leren kennen en liefhebben, en begrijpen dat we zonder Hem niets hebben.

Op 4 februari 1990 werd onze derde zoon en zesde kind geboren. We noemden hem Tyson. Hij was een prachtig jongetje en de hele familie ontving hem met een open hart en open armen. Zijn broers en zusjes waren heel trots op hem. We vonden allemaal dat hij het meest volmaakte jongetje was dat ooit was geboren.

Toen Tyson acht maanden oud was, slikte hij een stuk krijt in dat hij op het vloerkleed had gevonden. Het stuk krijgt bleef vastzitten in zijn keel en hij stopte met ademen. Zijn oudere broer bracht Tyson naar boven en riep panisch: ‘De baby ademt niet. De baby ademt niet!’ We begonnen met reanimeren en belden de ambulance.

De hulpverleners kwamen en raceten met Tyson naar het ziekenhuis. In de wachtkamer gingen we door met bidden en pleitten bij God voor een wonder. Schijnbaar na een eeuwigheid kwam de dokter in de wachtkamer en zei: ‘Het spijt me. We kunnen niets meer doen. Neem gerust de tijd.’ Toen ging ze weg.

Toen we de kamer waar Tyson lag betraden, zagen we ons levenloze hoopje geluk. Het leek wel of er een celestiale glans om zijn lichaampje was. Hij zag er zo stralend en rein uit.

Wij hadden op dat ogenblik het gevoel dat onze wereld instortte. Hoe konden we naar de andere kinderen terugkeren en proberen uit te leggen dat Tyson niet meer thuiskwam?

Over het vervolg van deze ervaring zal ik in het enkelvoud vertellen. Mijn lieve vrouw en ik hebben deze beproeving samen meegemaakt, maar ik ben niet goed in staat om de gevoelens van een moeder uit te drukken en ga het ook niet proberen.

Het is onmogelijk om de gemengde gevoelens die ik in die periode van mijn leven had te beschrijven. Een groot deel van de tijd voelde ik me alsof ik een nare droom had en gauw wakker zou worden en die hele afschuwelijke nachtmerrie dan voorbij zou zijn. Nachtenlang sliep ik niet. Vaak liep ik ’s nachts van de ene kamer naar de andere om te kijken of onze andere kinderen wel veilig waren.

Ik werd verscheurd door schuldgevoelens. Ik voelde me zo schuldig. Ik voelde me vuil. Ik was zijn vader. Ik had hem beter moeten beschermen. Als ik dit of dat nu maar had gedaan. Zelfs nu, na tweeëntwintig jaar, bekruipen die gevoelens me af en toe nog en dan moet ik er snel vanaf komen, want ze kunnen heel destructief zijn.

Ongeveer een maand na het overlijden van Tyson had ik een gesprek met ouderling Dean L. Larsen. Hij nam de tijd om naar me te luisteren en ik zal altijd dankbaar zijn voor zijn raad en liefde. Hij zei: ‘Ik denk niet dat de Heer wil dat jij jezelf straft voor de dood van jouw zoontje.’ Ik voelde de liefde van mijn hemelse Vader door een van zijn gekozen werktuigen.

Toch bleven de gedachten me kwellen en al gauw begon ik boosheid te voelen. Dit is niet eerlijk! Hoe kon God me dat nou aandoen? Waarom ik? Waaraan had ik dat verdiend? Ik merkte dat ik zelfs boos werd op de mensen die ons juist probeerden te troosten. Ik weet nog dat vrienden zeiden: ‘Ik weet hoe je je voelt.’ Ik dacht dan bij mezelf: ‘Je hebt geen flauw benul hoe ik me voel. Laat me met rust.’ Ik merkte al gauw dat zelfmedelijden je ook heel zwak kan maken. Ik schaamde me dat ik onaardige gedachten had over lieve vrienden die alleen maar wilden helpen.

Toen ik voelde hoe de schuld, de boosheid en het zelfmedelijden me bijna verteerden, bad ik dat mijn hart veranderd mocht worden. Door heel persoonlijke heilige ervaringen gaf de Heer me een nieuw hart, en hoewel het nog steeds een eenzame, pijnlijke tijd was, veranderde mijn perspectief volledig. Ik ontving de gave te weten dat ik niet bestolen was, maar dat mij een grote zegen wachtte als ik getrouw zou zijn.

Mijn leven veranderde en ik was in staat om met hoop vooruit te zien in plaats van achteruit in wanhoop. Ik getuig dat dit leven niet het einde is. De geestenwereld bestaat echt. De leringen van de profeten omtrent leven na de dood zijn waar. Dit leven is slechts een stap voorwaarts op onze reis terug naar onze hemelse Vader.

Tyson is nog steeds een wezenlijk deel van ons gezin. Door de jaren heen was het heerlijk om de genade en goedheid van een liefdevolle Vader in de hemel te zien die ons gezin heeft vergund om de invloed van Tyson op heel tastbare wijze te voelen. Ik getuig dat de sluier dun is. De gevoelens van trouw, liefde en gezinseenheid houden niet op als onze geliefden naar de overzijde gaan. In plaats daarvan worden die gevoelens nog intenser.

Soms vragen mensen: ‘Hoe lang heeft het je gekost om eroverheen te komen?’ De waarheid is dat je er nooit helemaal overheen komt totdat je weer samen bent met je geliefden die heengegaan waren. Ik zal nooit een volheid van vreugde ervaren totdat wij weer vereend zijn in de morgen van de eerste opstanding.

‘Want de mens is geest. De elementen zijn eeuwig, en geest en element, onscheidbaar verbonden, ontvangen een volheid van vreugde;

‘en wanneer gescheiden, kan de mens geen volheid van vreugde ontvangen.’3

Maar intussen kunnen we, zoals de Heiland leerde, goedsmoeds zijn.4

Ik heb geleerd dat bittere, bijna ondraaglijke pijn zoet kan worden als je je tot je Vader in de hemel wendt en smeekt om zijn troost die door zijn plan kan komen; door zijn Zoon, Jezus Christus en zijn Trooster, de Heilige Geest.

Wat is dat een zegen voor ons! Zou het niet tragisch zijn als we niet diep bedroefd waren wanneer we een kind verloren? Wat ben ik mijn Vader in de hemel dankbaar dat Hij ons toestaat om innig en voor eeuwig lief te hebben. Wat ben ik dankbaar voor eeuwige gezinnen! Wat ben ik dankbaar dat Hij het heerlijke plan van verlossing weer door zijn levende profeten heeft geopenbaard.

Denk eens aan de gevoelens in uw hart toen u na het bijwonen van de begrafenis van uw geliefde wegreed van de begraafplaats en achterom keek naar die eenzame kist — u afvragend of uw hart zou breken.

Ik getuig dat dankzij Hem, onze Heiland, Jezus Christus, die gevoelens van verdriet, eenzaamheid en wanhoop eens opgeslokt zullen worden in een volheid van vreugde. Ik getuig dat we op Hem kunnen vertrouwen en op wat Hij zei:

‘Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.

’Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven.’5

Ik getuig, zoals in Predik mijn evangelie staat: ‘Naarmate we ons meer op de verzoening van Jezus Christus verlaten, kan Hij ons onze beproevingen, ziekte en pijn helpen doorstaan. Dan kunnen we met vreugde, vrede en troost vervuld worden. Alles wat scheef is aan het leven kan worden rechtgezet door de verzoening van Jezus Christus.’6

Ik getuig dat uw geliefden en de mijne op die stralende morgen van de eerste opstanding uit het graf voort zullen komen zoals de Heer zelf heeft beloofd en dat we een volheid van vreugde zullen voelen. Omdat Hij leeft zullen zij en wij ook leven. In de naam van Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1.  Moroni 8:10–12.

  2.  

    2.  Leringen van kerkpresidenten: Joseph Smith (2007), p. 190.

  3.  

    3.  Zie Leer en Verbonden 93:33–34.

  4.  

    4. Zie Johannes 16:33.

  5.  

    5.  Johannes 14:18–19.

  6.  

    6.  Predik mijn evangelie: handleiding voor zendingswerk (2004), p. 52.