Alle dingen worden door geloof vervuld

Ouderling Marcus B. Nash

van de Zeventig


Marcus B. Nash
Ons geloof helpt ons om veilig op het evangeliepad omhoog te klimmen, alle aardse moeilijkheden te overwinnen en terug te keren naar de verheven tegenwoordigheid van onze hemelse Vader.

Onlangs zijn we met een deel van onze familie naar de top van Huayna Picchu geklommen, een hoge bergtop naast de oude Incaruïnes van Machu Picchu in de bergen van Peru. Het was een zeer steile klimtocht met adembenemende uitzichten en duizelingwekkende hellingen. Helaas zijn er wel eens klimmers van dat smalle, steile pad gevallen en daarbij omgekomen. Om verdere tragedies te voorkomen, zijn er nu sterke kabels bevestigd aan het rotsgesteente langs de berghellingen van Huayna Picchu. We hielden ons bij het klimmen goed aan die kabels vast en bereikten zo veilig de top, waar het uitzicht weergaloos was!

Net als het pad op Huayna Picchu is onze aardse reis een steile en moeilijke klimtocht, waarbij we de hulp van onze hemelse Vader nodig hebben om die goed te volbrengen. Daarom heeft Hij de beginselen en verordeningen van het evangelie ingesteld om ons tot de Heiland en zijn reddende macht te brengen.1 Het eerste van die beginselen, geloof in de Heer Jezus Christus2, is als de kabels op Huayna Picchu: als het goed en stevig is verankerd aan ‘de rots van onze Verlosser’3, helpt ons geloof ons om veilig op het evangeliepad omhoog te klimmen, alle aardse moeilijkheden te overwinnen4 en terug te keren naar de verheven tegenwoordigheid van onze hemelse Vader. Alle dingen worden door geloof vervuld.5

Geloof is een krachtig actiebeginsel.6 Het ‘is niet volmaakte kennis van dingen hebben; indien [w]ij dus geloof heb[ben], [hopen wij] op dingen die niet worden gezien, maar die waar zijn’.7 Het is de verzekering8 van de Geest die we door onze kennis hebben verkregen en die ons tot handelen9 aanzet om het voorbeeld van de Heiland te volgen en ons gebedsvol aan zijn geboden te houden, zelfs in tijden van opoffering en beproeving.10 Geloof bezorgt ons de kracht van de Heer, in de vorm van — onder meer — hoop op goede dingen die komen gaan11, wonderen die ons geloof bevestigen12, en goddelijke bescherming in geestelijke en stoffelijke zaken.13

Uit het leven van Ann Rowley, een pioniersvrouw in de begindagen van de kerk, blijkt hoe geloof oefenen een goede uitwerking heeft. Zuster Rowley was een weduwe uit Engeland die haar geloof oefende en gehoor gaf aan de oproep van de profeet om naar Zion op te trekken. Zij behoorde tot het handkarrenkonvooi van Willie, dat onderweg in het najaar van 1856 in dikke pakken sneeuw terechtkwam. Zij hadden een punt bereikt op hun trektocht dat haar zeven kinderen bijna letterlijk omkwamen van de honger. Ze schreef: ‘Het deed me pijn om mijn kinderen honger te zien lijden. […] Bij het vallen van de avond was er geen avondeten voorhanden. Ik vroeg God om hulp, zoals ik altijd deed. Ik knielde neer en moest denken aan twee harde zeekoeken die […] nog van de zeereis waren overgebleven. Ze waren niet groot en zo hard dat je ze niet kon breken. Dat was zeker niet genoeg om acht mensen te voeden, maar vijf broden en twee vissen waren ook niet genoeg om vijfduizend mensen te voeden, en toch had Jezus dat door een wonder gedaan. Dus met Gods hulp is niets onmogelijk. Ik vond de koeken, stopte die in een ketel, voegde er water aan toe en vroeg om Gods zegen. Daarna deed ik het deksel op de ketel en zette die op de kolen. Toen ik het deksel er even later af deed, zat de ketel vol eten. Ik knielde met mijn gezin neer en dankte God voor zijn goedheid. Die avond had mijn gezin voldoende te eten.’14

Ann Rowley getroostte zich veel opofferingen om het evangelie na te leven. Ze had hulp nodig en bad erom. Wegens haar geloof werd ze vervuld met hoop en kreeg ze op wonderbaarlijke wijze voedsel voor haar gezin. De Heer zegende haar eveneens met iets van eeuwig belang, namelijk het vermogen om ‘in geloof [te] volharden tot het einde’.15 Ondanks een onzekere toekomst hoefde ze niet per se te weten wat ze haar kinderen de volgende dag te eten moest geven. Ze bleef geduldig hulp van ‘de Here verwachten’16 en streefde voorwaarts met hoop — zoals in de prachtige lofzang staat:

Leid, vriend’lijk Licht, door ’t duister, dicht en bang; leidt Gij mij voort!
De weg naar huis is donker en nog lang; leidt Gij mij voort!
Richt Gij mijn voet, ’k vraag niet te zien het oord
in ’t ver verschiet; leid stap voor stap mij voort.17

Ook wij kunnen dat geloof in de Heer oefenen, door te geloven en erop te vertrouwen dat onze barmhartige en onveranderlijke God18 ons op zijn tijd in onze specifieke omstandigheid met zijn wonderbaarlijke kracht zal zegenen. Doen wij dat, dan zullen ook wij de hand van God in ons leven zien.

De Heer draagt ons op: ‘Neemt het schild des geloofs, waarmee gij al de brandende pijlen van de goddelozen zult kunnen doven.’19 Satan zal zaken als twijfel, angst of zonde aangrijpen om ons te verleiden het geloof los te laten en de bescherming daarvan te verliezen. Laten we elk van deze aanvallen op ons geloof eens nader bekijken, zodat we de verzoekingen van de tegenstander kunnen herkennen zonder er acht op te slaan.20

Ten eerste zal ongeloof in de Heer of zijn evangelie maken dat we ons tegen de Geest van God verzetten.21 Het middel van de Heer tegen twijfel is eenvoudig. Koning Benjamin verklaarde namelijk: ‘Gelooft in God; gelooft dat Hij bestaat, en dat Hij alle dingen heeft geschapen, zowel in de hemel als op aarde; gelooft dat Hij alle wijsheid en alle macht bezit, zowel in de hemel als op aarde; gelooft dat de mens niet alle dingen doorgrondt die de Heer kan doorgronden.’22

Als u merkt dat uw geloof door ongeloof of twijfel wankelt, bedenk dan dat zelfs de apostelen van weleer de Heer vroegen: ‘Geef ons meer geloof.’23 Vergeet niet dat geloof en rede samengaan. De volgende analogie is daarbij verhelderend: geloof en rede zijn als de twee vleugels van een vliegtuig. Beide zijn onmisbaar voor een goede vlucht. Als de rede vanuit uw gezichtspunt in tegenspraak lijkt met het geloof, sta er dan bij stil dat onze blik veel beperkter is dan die van de Heer.24 Zet het geloof niet aan de kant, net zo min als u tijdens de vlucht een vleugel van het vliegtuig zou weghalen. Koester echter een sprankje geloof en laat de hoop die daaruit voortkomt een anker vormen voor uw ziel — en voor uw rede.25 Daarom wordt ons geboden: ‘Zoekt kennis […] door studie en ook door geloof.’26 Onthoud dat geloof wonderen in de hand werkt en tot stand brengt waarvoor we geen directe verklaring vanuit ons eigen referentiekader hebben, zoals een ketel vol voedsel op basis van twee kleine koeken of gewoonweg in geloof volharden tegen de verdrukking in.27

Ten tweede kan angst ons geloof in de Heiland ondermijnen en wegnemen. De apostel Petrus keek naar de Heiland op een stormachtige avond en liep over het water — tot hij zijn blik afwendde en ‘zag op de wind [en] bevreesd’ werd, waarna hij begon te zinken in de onstuimige zee.28 Hij had door kunnen lopen als hij niet had gevreesd! In plaats van ons blind te staren op de onstuimige wind en de golven in ons leven, en die te vrezen, nodigt de Heer ons uit: ‘Vertrouw op Mij bij iedere gedachte; twijfel niet, vrees niet.’29

Ten derde beperkt zonde de invloed van de Geest in ons leven, en zonder de Heilige Geest zullen we het geestelijke doorzettingsvermogen missen om ons geloof vast te houden en te oefenen. Wij kunnen ons geloof het beste oefenen om ‘de kwade gave niet aan te roeren, noch het onreine’30 en om ‘ijverig [te zijn] in het onderhouden van [alle] geboden, opdat […] uw geloof niet zal bezwijken en uw vijanden niet over u zullen zegevieren’.31 Als zonde een smet op uw leven heeft geworpen, nodig ik u uit om ‘geloof tot bekering’32 te oefenen, en de Heiland zal u, door de verzoening, rein en heel maken.

Broeders en zusters, naar ons geloof zal de Heer zijn beloften vervullen en ons bijstaan om alle moeilijkheden het hoofd te bieden.33 Hij deed dat voor Ann Rowley en heeft dat in alle landen in alle tijden en generaties voor zijn volk gedaan. Hij is een ‘God van wonderen’ en ‘verandert niet’. Zo zal Hij ook ieder van ons met hoop, bescherming en kracht zegenen volgens ons geloof in Hem.34 Standvastig geloof in de Heer Jezus Christus zal — net als de kabels op het pad van Huayna Picchu — u en uw dierbaren verankeren aan ‘de rots van onze Verlosser’35 en zijn weergaloze macht om te redden.

President Thomas S. Monson heeft gezegd: ‘De toekomst is net zo stralend als uw geloof.’36 Ik getuig van die sublieme, hoopgevende waarheid en nodig ieder van ons uit om standvastig voorwaarts te streven met geloof in de Heer, ‘in geen enkel opzicht twijfelende’.37 Ik weet dat de Heiland leeft, dat Hij de ‘leidsman en voleinder [van ons] geloof’38 is en de ‘beloner is voor wie Hem ernstig zoeken’.39 Daarvan getuig ik in de naam van Jezus Christus. Amen.

Show References

  1.  

    1. Zie Leer en Verbonden 84:19–21.

  2.  

    2. Zie Geloofsartikelen 1:4.

  3.  

    3.  Helaman 5:12.

  4.  

    4. Zie Leer en Verbonden 76:53.

  5.  

    5. Zie Ether 12:3.

  6.  

    6. Zie Lectures on Faith (1985), p. 3; zie ook Jakob 4:6; Ether 12:7–22; Hebreeën 11:4–40.

  7.  

    7.  Alma 32:21.

  8.  

    8. Zie Bijbelvertaling van Joseph Smith, Hebreeën 11:1.

  9.  

    9. Zie 2 Nephi 25:23; Alma 34:15–17; Ether 12:6; Jakobus 2:17–26.

  10.  

    10. Zie Ether 12:4–6; Lectures on Faith, p. 69.

  11.  

    11. Zie Moroni 7:40–42.

  12.  

    12. Zie Gids bij de Schriften, ‘Geloof’; zie ook Mormon 9:8–21; Moroni 7:33–37.

  13.  

    13. Zie Leer en Verbonden 27:17; Alma 57:19–27; 58:10–13.

  14.  

    14. Ann Rowley. In: Andrew D. Olsen, The Price We Paid: The Extraordinary Story of the Willie and Martin Handcart Pioneers (2006), p. 113.

  15.  

    15.  Leer en Verbonden 20:25.

  16.  

    16.  Jesaja 40:31.

  17.  

    17. ‘Leid, vriend’lijk Licht’ (lofzang 66).

  18.  

    18. Zie Jakob 4:10; Mormon 9:9.

  19.  

    19.  Leer en Verbonden 27:17; cursivering toegevoegd.

  20.  

    20. Zie 1 Nephi 8:33–34; Alma 37:33; Leer en Verbonden 20:22.

  21.  

    21. Zie Alma 32:28.

  22.  

    22.  Mosiah 4:9.

  23.  

    23.  Lucas 17:5.

  24.  

    24. Zie Mosiah 4:9–10; Spreuken 3:5–7; Jesaja 55:8–9.

  25.  

    25. Zie Ether 12:4.

  26.  

    26.  Leer en Verbonden 88:118; cursivering toegevoegd.

  27.  

    27. Zie Moroni 7:33–38; Ether 12:19.

  28.  

    28. Zie Matteüs 14:25–31.

  29.  

    29.  Leer en Verbonden 6:36.

  30.  

    30.  Moroni 10:30.

  31.  

    31.  Leer en Verbonden 136:42.

  32.  

    32. Zie Alma 34:15–17; zie ook Ether 12:3.

  33.  

    33. Zie Ether 12:29; Alma 7:27.

  34.  

    34. Zie Mormon 9:18–21; zie ook Moroni 7:33–38; Alma 37:16–17.

  35.  

    35.  Helaman 5:12.

  36.  

    36. Thomas S. Monson, ‘Houd goede moed’, Liahona, mei 2009, p. 92.

  37.  

    37. Zie Jakobus 1:6–8.

  38.  

    38.  Moroni 6:4; zie ook Hebreeën 12:2.

  39.  

    39.  Hebreeën 11:6; zie ook Ether 12:41.