Ik weet het. Ik leef het na. Ik vind het geweldig.

Ann M. Dibb

Tweede raadgeefster in het algemeen jongevrouwenpresidium


Ann M. Dibb
Wij zijn volgelingen van onze Heiland, Jezus Christus. Een dergelijke bekering en vertrouwen zijn het resultaat van bewuste en ijverige moeite. Zoiets is heel persoonlijk. Het is een levenslang proces.

Ik voel me geïnspireerd door het voorbeeld van de rechtschapen leden van de kerk, in het bijzonder van onze edele jeugd. Jullie richten jullie blik moedig op de Heiland. Jullie zijn getrouw, gehoorzaam en rein. De zegeningen die jullie ontvangen vanwege jullie goedheid zijn niet alleen in jullie eigen leven voelbaar, maar ook in het mijne, en in het leven van ontelbare andere mensen, en dat op een indringende manier die vaak ongekend blijft.

Enkele jaren geleden stond ik de rij in mijn plaatselijke supermarkt. Voor mij stond een jongevrouw van een jaar of vijftien jaar. Ze zag er zelfverzekerd en gelukkig uit. Ik zag haar T-shirt en moest haar gewoon even aanspreken. Ik begon: ‘Jij komt uit een andere staat, hè?’

Zij was verrast door mijn vraag en antwoordde: ‘Ja, dat klopt. Ik kom uit Colorado. Hoe wist u dat?’

Ik legde uit: ‘Vanwege je T-shirt.’ Ik was tot mijn juiste veronderstelling gekomen toen ik de woorden op haar shirt las: ‘Ik ben mormoon. Jij ook?’

Ik vervolgde: ‘Ik ben erg onder de indruk van je zelfvertrouwen dat je durft op te vallen met zo’n gewaagde verklaring. Ik zie dat je anders bent en ik wenste dat iedere jongevrouw en ieder lid van de kerk ook zo’n sterke overtuiging en zelfvertrouwen had.’ Na onze boodschappen namen we afscheid en gingen uiteen.

Toch merkte ik dat ik nadien nog dagen en weken over deze toevallige ontmoeting bleef nadenken. Ik vroeg me af hoe dit meisje uit Colorado aan zoveel vertrouwen in haar lidmaatschap van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen was gekomen. Ik begon me af te vragen welke betekenisvolle slogan ik op mijn T-shirt zou zetten om mijn geloof en getuigenis uit te dragen. In gedachten verzon ik van alles. Uiteindelijk verzon ik de ideale slogan die ik trots zou dragen: ‘Ik ben mormoon. Ik weet het. Ik leef het na. Ik vind het geweldig.’

Ik wil mijn toespraak vandaag op die moedige, hoopvolle slogan baseren.

Het eerste deel van mijn boodschap is een zelfverzekerde verklaring zonder verontschuldiging: ‘Ik ben mormoon.’ Zoals de jongevrouw in de supermarkt niet bang was om de wereld te laten weten dat ze lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen was, zo hoop ik dat ook wij nooit bang zullen zijn of aarzelen om te erkennen dat we ‘mormoon’ zijn. We moeten zelfverzekerd zijn zoals de apostel Paulus die verklaarde: ‘Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft.’1 Als lid van de kerk zijn we volgelingen van onze Heiland, Jezus Christus. Een dergelijke bekering en vertrouwen zijn het resultaat van bewuste en ijverige moeite. Zoiets is heel persoonlijk. Het is een levenslang proces.

Het volgende deel van mijn motto luidt: ‘Ik weet het.’ In de huidige wereld dingen zoveel activiteiten, onderwerpen en interesses iedere minuut van de dag naar onze aandacht. Kunnen we met zoveel afleiding de kracht, de discipline en de toewijding opbrengen om gericht te blijven op wat het allerbelangrijkste is? Zijn we even goed onderlegd in evangeliewaarheden als in onze studie, carrière, hobby’s, sport, sms-jes en tweets? Zijn we actief op zoek naar de antwoorden op onze vragen door ons te vergasten aan het woord Gods in de Schriften en de leringen van de levende profeten? Streven we naar de bevestigingen door de Geest?

Kennis zoeken is een belangrijk eeuwig beginsel. De profeet Joseph Smith hield van ‘kennis […] omdat het hem macht in rechtvaardigheid gaf.’2 Hij zei: ‘Kennis is noodzakelijk voor leven en godsvrucht. […] Luister goed, broeders, naar deze belangrijke verklaring: kennis is de kracht Gods tot eeuwig heil.’3

Alle waarheid en kennis is belangrijk, maar te midden van de voortdurende afleiding in ons dagelijks leven moeten we onze aandacht vooral richten op het vergroten van onze evangeliekennis zodat we weten hoe we evangeliebeginselen op onszelf kunnen toepassen.4 Als onze evangeliekennis toeneemt, worden we zelfverzekerder in ons getuigenis en kunnen we zeggen: ‘Ik weet het.’

Vervolgens de verklaring: ‘Ik leef het na.’ In de Schriften leren we dat we ‘daders des woords en niet alleen hoorders’ moeten zijn.5 Wij leven het evangelie na en worden ‘daders des woords’ door geloof te oefenen, gehoorzaam te zijn, anderen liefdevol te dienen en het voorbeeld van de Heiland te volgen. We handelen met integriteit als we ‘te allen tijde en in alle dingen en op alle plaatsen’6 en ongeacht wie het ziet of niet ziet, dat doen waarvan we weten dat het goed is.

In onze sterfelijke toestand is niemand volmaakt. Zelfs als we ons uiterste best doen om het evangelie na te leven, maken we allemaal nog fouten en zullen we allemaal zondigen. Wat een geruststelling is het te weten dat we door het zoenoffer van de Heiland vergeven en weer rein kunnen worden. Dit proces van oprechte bekering en vergeving versterkt ons getuigenis en ons voornemen om de geboden van de Heer te gehoorzamen en volgens de evangelienormen te leven.

Als ik denk aan de woorden ‘Ik leef het na’, gaan mijn gedachten uit naar een jongevrouw genaamd Karigan. Ze schreef: ‘Ik ben nu iets meer dan een jaar lid van de kerk. […] Toen ik onderzoekster was, was voor mij een van de tekenen dat dit de ware kerk is, dat de kerk fatsoen en normen voorhoudt. Ik heb met eigen ogen gezien hoe het mensen vergaat die de geboden negeren en het verkeerde pad kiezen. Ik besloot al lang geleden dat ik volgens hoge zedelijke normen zou leven. […] Ik voel mij ontzettend gezegend dat ik de waarheid heb gevonden en me heb laten dopen. Ik ben heel gelukkig.’7

De laatste zin van mijn motto luidt: ‘Ik vind het geweldig.’ Wanneer ze kennis krijgen van het evangelie van Jezus Christus en de evangeliebeginselen dagelijks ijverig naleven, kunnen heel wat kerkleden enthousiast verklaren: ‘Ik vind het evangelie geweldig!’

We krijgen dat gevoel als de Heilige Geest tot ons getuigt dat we kinderen van onze hemelse Vader zijn, dat Hij aan ons denkt en dat we op het goede pad zijn. Onze liefde voor het evangelie neemt toe als we de liefde van onze hemelse Vader voelen en de vrede die ons door de Heiland is beloofd als we Hem tonen dat we Hem willen gehoorzamen en volgen.

Of we nu een recente bekeerling tot de kerk zijn of al ons hele leven lid, op bepaalde momenten in ons leven merken we wellicht dat dit vurige enthousiasme verflauwt. Soms gebeurt dat als we het moeilijk hebben en we geduld moeten hebben. Soms gebeurt het als we op de top van onze voorspoed en overvloed zijn. Als ik dat gevoel heb, dan weet ik dat ik mij weer moet richten op het vergroten van mijn evangeliekennis en het zorgvuldiger naleven van de evangeliebeginselen.

Een van de meest effectieve maar soms moeilijke evangeliebeginselen is nederigheid en onderworpenheid aan de wil van God. Christus zei in zijn gebed in de hof van Getsemane tegen de Vader: ‘Niet mijn wil, maar de Uwe geschiede.’8 Zo moet ook ons gebed luiden. Juist in die stille momenten van gebed voelen we ons vaak door de liefde van onze hemelse Vader omgeven en worden die vreugdevolle, liefdevolle gevoelens hersteld.

Op een jongevrouwenleidstersvergadering in Eugene (Oregon) had ik het voorrecht om zuster Cammy Wilberger te ontmoeten. Het verhaal dat zuster Wilberger me vertelde is een krachtig getuigenis van hoe een jongevrouw die wist dat het evangelie waar was, ernaar leefde en het geweldig vond, een kracht en zegen voor de mensen om haar heen werd.

De negentienjarige dochter van zuster Wilberger, Brooke, was al jaren geleden tijdens de zomervakantie na haar eerste studiejaar aan de universiteit op tragische wijze omgekomen. Zuster Wilberger vertelt: ‘Het was een moeilijke, duistere periode voor ons gezin. Maar Brooke had ons een groot geschenk gegeven. We hadden dat niet door toen ze opgroeide, maar ieder jaar van haar korte leven had Brooke ons het grootste geschenk gegeven dat een dochter haar ouders kan geven. Brooke was een rechtschapen dochter van God. […] Door dit geschenk en vooral door de macht van de verzoening heb ik kracht, troost en de vrede gevoeld die de Heiland belooft. Ik heb geen twijfel over waar Brooke nu is en ik zie uit naar onze innige hereniging.’9

Ik heb een getuigenis van het geweldige plan voor eeuwig geluk van onze hemelse Vader. Ik weet dat Hij ons kent en liefheeft. Ik weet dat Hij ons een profeet gezonden heeft, president Thomas S. Monson, die ons aanmoedigt en ons terug naar Hem wil begeleiden. Ik bid dat wij allen moeite mogen doen om met zekerheid te kunnen verkondigen: ‘Ik ben een mormoon. Ik weet het. Ik leef het na. Ik vind het geweldig.’ Dat zeg ik nederig in de naam van Jezus Christus. Amen.

Noot: Voor verdere studie raad ik Alma 32 aan en de toespraak van ouderling Dallin H. Oaks, ‘Opdracht tot wording’, Liahona, januari 2001, pp. 40–43.

Show References

  1.  

    1.  Romeinen 1:16.

  2.  

    2. George Q. Cannon. In: Leringen van kerkpresidenten: Joseph Smith (2007), p. 281.

  3.  

    3.  Leringen van kerkpresidenten: Joseph Smith, p. 285; zie ook Martha Jane Knowlton Coray, aantekeningen, Church History Library, Salt Lake City.

  4.  

    4. Zie de waarde kennis, ervaring 1,Jongevrouwen Persoonlijke vooruitgang (boekje, 2009), p. 38.

  5.  

    5.  Jakobus 1:22.

  6.  

    6.  Mosiah 18:9.

  7.  

    7. Privécorrespondentie.

  8.  

    8.  Lucas 22:42.

  9.  

    9. Privécorrespondentie.