De verbreiding van het evangelie in de hele wereld

Ouderling John B. Dickson

van de Zeventig


John B. Dickson
De kerk heeft zich gestaag over de wereld uitgebreid — van natie tot natie, van cultuur tot cultuur, van volk tot volk — volgens de agenda van de Heer en op zijn tijd.

De bediening van de Heiland was voltooid. Zijn lijden in Getsemane en aan het kruis was voorbij. In Handelingen 1 lezen we dat Hij na zijn opstanding nog veertig dagen lang predikte, ‘hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft’ (Handelingen 1:3).

Hij zei tegen hen: ‘Maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde’ (Handelingen 1:8).

En toen ‘werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.

‘En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen,

‘die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen’ (Handelingen 1:9–11).

De Heiland zal terugkomen, maar intussen moest het evangelie van Jezus Christus zich ‘tot het uiterste der aarde’ verspreiden.

Matteüs beschrijft de specifieke opdracht aan de apostelen om het evangelie naar alle naties te brengen:

‘En Jezus kwam naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde.

‘Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes’ (Matteüs 28:18–19).

In het midden des tijds, ten tijde van de vroegchristelijke kerk, werd het evangelie alleen aan het huis van Israël gebracht. Toen ontving Petrus, de senior apostel, een openbaring dat de tijd was gekomen om het evangelie niet alleen naar Israël maar ook aan de heidenen te brengen. Het tiende en elfde hoofdstuk van Handelingen geven ons meer inzicht in het proces en het patroon waarmee deze noodzakelijke uitbreiding van de kerk naar meer kinderen van God aan haar presiderende ambtenaren bekend is gemaakt.

De Heer gebruikte Cornelius, een centurion, een goede man, om Petrus duidelijk te maken dat het evangelie naar de heidenen moest gaan. Dat was een nieuw en vreemd idee voor de heiligen in die tijd. De openbaring over die beleidsverandering in de kerk kwam tot Petrus, de senior apostel. We weten dat het evangelie vervolgens snel naar de natiën van de heidenen ging.

Een voorbeeld van de uitbreiding van de kerk in die tijd was de bekering van Paulus, die de grote apostel voor de heidenen werd. Hij kreeg op weg naar Damascus een visioen waarin hij een licht zag en een stem hoorde. Hij bekeerde zich van zijn zonden, werd door God geroepen (zie Handelingen 22:6–18) en leverde een grote bijdrage aan de verspreiding van het evangelie van Jezus Christus.

Laten we nu eens 1800 jaar verder kijken naar de tijd waarin het evangelie werd hersteld, oftewel de herstelling aller dingen voorafgaand aan de wederkomst. Ik getuig dat de kerk door de profeet Joseph Smith is hersteld en voorwaarts gaat onder leiding van het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen. Hun opdracht om het evangelie aan de wereld te brengen, is dezelfde als die van de apostelen vanouds.

Na de organisatie van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen in 1830 breidde de kerk zich gestaag over de wereld uit — van natie tot natie, van cultuur tot cultuur, van volk tot volk. En dat alles volgens de agenda van de Heer en op zijn tijd.

In 1978, volgens het gevestigde patroon van openbaring aan de senior apostel, president Spencer W. Kimball, kwam de openbaring over het priesterschap, die alle waardige mannen in de wereld toestond het priesterschap te ontvangen. Dat betekent dat alle kinderen van onze hemelse Vader over de hele wereld in deze tijd alle zegeningen van het herstelde evangelie kunnen ontvangen. Dat is belangrijk voor het koninkrijk van God op aarde in de tijd die voorafgaat aan de wederkomst van Christus.

Tussen twee haakjes: ik was net als zendingspresident geroepen, en mijn vrouw en ik stonden op het punt om met ons gezin naar Mexico te vertrekken, toen ouderling Richard G. Scott, destijds lid van de Zeventig, mij vertelde over deze nieuwe openbaring. Ik herinner me dat er tranen in mijn ogen kwamen toen hij vertelde wat er gebeurd was. Ik was sprakeloos van vreugde want ik wist dat het juist was en dat de tijd gekomen was dat het hele mensdom toegang zou krijgen tot alle verordeningen, verbonden en zegeningen van het evangelie.

Dat was bijna 35 jaar geleden. Ik wist toen nog niet dat ik een aantal jaren als zeventiger in het gebied Afrika-West zou dienen onder een getrouw volk voor wie de openbaring over het priesterschap uit 1978 veel betekenis zou hebben. Zuster Dickson en ik hebben daar vier jaar gewoond en het was een prachtige, indrukwekkende ervaring.

De West-Afrikanen geloven in God, kennen beslist geen schaamte om met anderen over hun geloof te praten en hebben enorme leiderschapscapaciteiten. Ze worden met honderden tegelijk lid van de kerk. Elke week worden er ergens in het gebied Afrika West wel een paar wijken of gemeenten georganiseerd met bijna altijd uitsluitend Afrikaanse leiders in de priesterschap en de hulporganisaties.

Ik wou dat u de heiligen in de Abatempel in Nigeria of de Accratempel in Ghana kon zien. Dan zou u zien hoe toegewijd de heiligen daar zijn, en kon u kennismaken met volledig Afrikaanse tempelpresidiums. Of ik zou u kunnen voorstellen aan de Afrikaanse gebiedszeventigers die hier bij ons zijn in het Conferentiecentrum en die advocaat, hoogleraar of zakenman zijn. Of u zou de Afrikaanse ring- en wijkleiders en hun gezinnen kunnen ontmoeten.

In Afrika meedoen aan een les in de zondagsschool of een andere organisatie is een heilige ervaring. De lesboeken van de kerk worden gebruikt, er wordt krachtig met de Geest onderwezen en de leden hebben een goed begrip van het evangelie.

Het evangelie in Afrika wordt aan een gelukkig volk gepredikt, dat zich niet laat belemmeren door de uiterlijkheden die zo velen in het westen beïnvloeden. Ze zijn niet geïnteresseerd in een oneindige hoeveelheid materiële bezittingen.

Van Afrikanen is wel eens gezegd dat ‘ze heel weinig hebben van wat er het minst toe doet en heel veel van wat er het meest toe doet.’ Ze hebben weinig belangstelling voor enorme huizen en de mooiste auto’s maar veel belangstelling voor de kennis van hun hemelse Vader en zijn Zoon, Jezus Christus, en voor eeuwige gezinnen. Als natuurlijk gevolg van hun geloof verheft de Heer hen.

Nu wij hen kennen, verbaast het ons niet dat zij zo’n belangrijk deel uitmaken van de groei van de kerk van Jezus Christus in de laatste dagen. Daar Daniël, de profeet uit het Oude Testament, in een visioen zag hoe het koninkrijk van God in de laatste dagen zal ‘voortrollen naar de einden der aarde, zoals de steen die uit de berg is losgehakt zonder toedoen van mensenhanden, zal voortrollen totdat hij de gehele aarde heeft vervuld’ (Leer en Verbonden 65:2) is het heel gepast dat onze goede Afrikaanse broeders en zusters een belangrijk deel uitmaken van de vervulling van die profetie en dat de openbaring die daartoe leidde volgens het door de Heer gevestigde patroon kwam.

Ik getuig dat onze hemelse Vader van al zijn kinderen houdt, dat Jezus de Christus is en dat het evangelie er voor iedereen is, zowel de levenden als de doden. In de heilige naam van Jezus Christus. Amen.