Christus de Verlosser


Carlos H. Amado
Het offer [van de Verlosser] is iedereen tot zegen: van Adam, de eerste, tot de laatste van alle mensen.

Jezus Christus, de Zoon van God, is onder unieke omstandigheden geboren en gestorven. Hij woonde en groeide op in nederige omstandigheden, zonder veel materieel bezit. Hij zei van Zichzelf: ‘De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen’ (Lucas 9:58).

Hij kreeg nooit eerbewijzen, gunsten, erkenning of een voorkeursbehandeling van de politieke leiders van de wereld of van de religieuze leiders in zijn tijd. Evenmin zat Hij op erezetels in de synagoges.

Zijn prediking was eenvoudig, en ook al volgden menigten Hem na, zijn bediening was altijd gericht op het zegenen van mensen, één voor één. Hij verrichtte talloze wonderen onder de mensen die Hem aannamen als de van God gezondene.

Hij gaf zijn apostelen het gezag en de macht om wonderen ‘en grotere [werken]’ te doen dan die Hij verrichtte (Johannes 14:12). Maar Hij delegeerde hun nooit het voorrecht om zonden te vergeven. Zijn vijanden waren verontwaardigd toen zij Hem hoorden zeggen: ‘Ga heen, zondig van nu af niet meer’ (Johannes 8:11) of ‘Uw zonden zijn u vergeven’ (Lucas 7:48). Dat recht behoorde alleen Hem toe, omdat Hij de Zoon van God is en omdat Hij de prijs voor die zonden zou betalen met zijn verzoening.

Zijn macht over de dood

Zijn macht over de dood was eveneens een goddelijke eigenschap. De grote Jaïrus, een overste der synagoge, ‘smeekte Hem naar zijn huis te komen, omdat zijn enige dochter […] op sterven lag’ (Lucas 8:41–42). De Meester hoorde zijn smeekbede, en terwijl ze onderweg waren, kwam een dienaar tot Jaïrus met de boodschap: ‘Uw dochter is gestorven, val de Meester niet meer lastig!’ (Lucas 8:49.) Toen Jezus het huis was binnengegaan, vroeg Hij iedereen naar buiten te gaan, waarna Hij haar direct bij de hand vatte en zei: ‘Sta op!’ (Lucas 8:54.)

Een andere keer, toen Hij naar de stad Naïn reisde, kwam Hij een begrafenisstoet tegen, en een weduwe die weende over de dood van haar enige zoon. Vol ontferming raakte Hij de baar aan en zei: ‘Jongeling, Ik zeg u, sta op!’ (Lucas 7:14.) De mensen riepen bij het zien van het wonder uit: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft naar zijn volk omgezien’ (Lucas 7:16). Dit wonder was des te opmerkelijker omdat men de jongeling al officieel dood had verklaard en op weg was om hem te begraven. Met twee jonge mensen die weer tot leven waren gewekt, deed het bewijs van zijn gezag en macht over de dood de gelovigen versteld staan en vulde het de lasteraars met vrees.

Het derde voorval was het meest indrukwekkend. De zussen Marta en Maria en hun broer Lazarus werden vaak door Christus bezocht. Toen Hij had vernomen dat Lazarus ziek was, wachtte Hij twee dagen voordat Hij naar de familie toeging. Hij troostte Marta na de dood van haar broer door stellig tot haar te getuigen: ‘Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven’ (Johannes 11:25).

Toen de Heiland de rouwenden vroeg de steen voor de spelonk van het graf weg te nemen, fluisterde Marta Hem zachtjes toe: ‘Here, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag’ (Johannes 11:39).

Toen bracht Jezus haar liefdevol in herinnering: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’ (Johannes 11:40.) En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem:

‘Lazarus, kom naar buiten!

‘De gestorvene kwam naar buiten’ (Johannes 11:43–44).

Nadat Lazarus vier dagen in het graf had gelegen, zagen de vijanden van de Zoon van God zich voor een onomstotelijk bewijs gesteld dat ze niet negeren, bagatelliseren of verdraaien konden. Wat ze wel op zinloze en kwaadaardige wijze deden: ‘Sinds die dag […] beraadslaagden zij om Hem te doden’ (Johannes 11:53).

Het nieuwe gebod

Later vierde de levende Christus samen met zijn apostelen in Jeruzalem zijn laatste Pascha. Hij stelde de verordening van het avondmaal in en gaf ze het gebod om elkander lief te hebben door elkaar oprecht te dienen.

Zijn lijden in Getsemane

Daarna toonde Hij op de meest sublieme wijze zijn liefde voor alle mensen door, geheel uit vrije wil, moedig en vastberaden zijn grootste beproeving tegemoet te treden. In de hof van Getsemane, volslagen alleen en verlaten, onderging Hij de meest intense foltering, bloedend uit elke porie. Hij onderwierp Zich volledig aan de wil van zijn Vader en deed verzoening voor onze zonden. Tevens nam Hij onze ziekten en benauwingen op Zich om te weten hoe Hij ons te hulp kan komen (zie Alma 7:11–13).

Wij staan bij Hem en bij onze hemelse Vader in het krijt, want zijn offer is iedereen tot zegen: van Adam, de eerste, tot de laatste van alle mensen.

Veroordeling en kruisiging van de Heiland

Na zijn lijden in Getsemane gaf Hij Zich vrijwillig over aan zijn tegenstanders. Hij werd door iemand uit eigen kring verraden en daarna in alle haast veroordeeld, op oneerlijke en onwettige wijze, in een onvolledig, gemanipuleerd proces. Diezelfde nacht werd Hij beschuldigd van godslastering en ter dood veroordeeld. In hun haat en dorst naar wraak — omdat Hij tot hen getuigde dat Hij de Zoon van God was — smeedden zijn vijanden een complot zodat Pilatus Hem zou veroordelen. Daartoe veranderden zij de aanklacht van godslastering in opruiing, zodat Hij de kruisdood zou moeten ondergaan.

Zijn veroordeling onder de Romeinen was nog wreder: hun spot en hoon jegens zijn geestelijke koninkrijk, de vernederende kroning met een doornenkroon, zijn pijnlijke zweepslagen en de langdurige kwelling van zijn openbare kruisiging waren een duidelijke waarschuwing voor iedereen die zich zijn discipel durfde te noemen.

Op elk moment van zijn lijden gaf de Verlosser der wereld blijk van uitzonderlijke zelfbeheersing. Hij dacht voortdurend aan het welzijn van anderen; vriendelijk en teder verzocht Hij Johannes om voor zijn moeder, Maria, te zorgen. Hij vroeg zijn Vader in de hemel de beulen te vergeven die Hem kruisigden. Toen zijn werk op aarde voltooid was, beval Hij zijn geest in Gods handen en blies Hij zijn laatste adem uit. Het lichaam van Christus werd naar het graf gebracht en bleef daar drie dagen liggen.

Het werk van de Verlosser onder de doden

Terwijl zijn discipelen treurden, ontmoedigd waren en in onzekerheid verkeerden, zette onze Heiland, in een andere fase van het heerlijke plan van zijn Vader, zijn bediening op nieuwe wijze voort. In de korte periode van drie dagen organiseerde Hij onvermoeibaar het immense heilswerk onder de doden. Die dagen vervulden de hele familie van God met ongekende hoop. Tijdens dat bezoek organiseerde Hij zijn trouwe volgelingen zodat zij de blijde boodschap van verlossing konden brengen aan allen die in hun sterfelijk leven niet tot kennis van het heerlijke plan waren gekomen of die het verworpen hadden. Nu kregen ze de kans om uit hun gevangenschap bevrijd te worden en verlost te worden door de God van zowel de levenden als de doden (zie LV 138:19, 30–31).

De eersteling van de opstanding

Na zijn werk in de geestenwereld keerde Hij naar de aarde terug en verenigde toen voor eeuwig zijn geest met zijn lichaam. Hoewel Hij eerder al overtuigend zijn macht over de dood had laten zien, blijkt uit de Schriften dat degenen die Hij vóór zijn opstanding weer tot leven had gewekt, hun leven slechts door een wonder verlengd zagen. Zij zouden later alsnog sterven.

Christus was de eerste die uit de dood herrees om nooit meer te sterven, om voor altijd een volmaakt, eeuwig lichaam te bezitten. In zijn herrezen toestand verscheen Hij aan Maria, die Hem begon te aanbidden zodra zij Hem herkende. Onze Verlosser waarschuwde haar met grote tederheid voor zijn nieuwe en heerlijke staat: ‘Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader’ (Johannes 20:17) — waarmee Hij nogmaals getuigde dat zijn bediening in de geestenwereld echt en voltooid was. Toen, met woorden die de werkelijkheid van zijn opstanding bevestigden, zei Hij: ‘Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God’ (Johannes 20:17). Nadat Hij tot zijn Vader was gegaan, kwam Hij weer terug en verscheen Hij aan zijn apostelen. Daarbij ‘toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Here zagen’ (Johannes 20:20).

De Verlosser zal terugkeren

Ik getuig dat Christus heel anders terug zal komen dan bij zijn eerste komst. Hij zal dan in macht en heerlijkheid komen, met alle rechtvaardigen en getrouwe heiligen. Hij zal komen als Koning der koningen en Heer der heren, als Vredevorst, de beloofde Messias, de Heiland en Verlosser, om de levenden en de doden te oordelen. Ik heb Hem lief en dien Hem met heel mijn hart. Ik bid dat wij waardig mogen zijn om bij Hem te wonen, dat wij met vreugde en toewijding mogen dienen, en dat wij Hem tot het einde toe trouw mogen blijven. In zijn naam, Jezus Christus. Amen.