Liefde — de kern van het evangelie


Thomas S. Monson
We kunnen God niet écht liefhebben als we onze medereizigers op deze tocht door het sterfelijk leven niet liefhebben.

Mijn geliefde broeders en zusters, tijdens de bediening van onze Heiland onder de mensen werd Hem door een nieuwsgierige wetgeleerde gevraagd: ‘Meester, wat is het grote gebod in de wet?’

In Matteüs lezen we dat Jezus antwoordde:

‘Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.

‘Dit is het grote en eerste gebod.

‘Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.’1

Marcus sluit het verhaal af met deze uitspraak van de Heiland: ‘Een ander gebod groter dan deze, bestaat niet.’2

We kunnen God niet écht liefhebben als we onze medereizigers op deze tocht door het sterfelijk leven niet liefhebben. En we kunnen onze medemens niet écht liefhebben als we God, de Vader van ons allen, niet liefhebben. De apostel Johannes zegt ons: ‘Wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben.’3 Wij zijn allen geestkinderen van onze hemelse Vader. En als zodanig zijn wij broeders en zusters. Houden wij die waarheid in gedachten, dan wordt het makkelijker om al Gods kinderen lief te hebben.

In feite is liefde de kern van het evangelie en is Jezus Christus ons Voorbeeld. Zijn leven was een erfenis van liefde. Hij genas de zieken, beurde de verdrukten op en redde de zondaren. Uiteindelijk benam de woedende menigte Hem het leven. En toch weerklinken vanaf Golgota de woorden: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’4 — de ultieme sterfelijke uiting van mededogen en liefde.

Er zijn veel eigenschappen die liefde weerspiegelen, bijvoorbeeld vriendelijkheid, geduld, onzelfzuchtigheid, begrip en vergevensgezindheid. Met wie we ook omgaan, deze en andere eigenschappen geven blijk van de liefde in ons hart.

Onze liefde blijkt doorgaans uit onze dagelijkse omgang met elkaar. Ons vermogen om in te zien dat iemand iets nodig heeft, en daarop te reageren, is van het grootste belang. Ik heb altijd de intentie achter dit gedichtje gewaardeerd:

Ik heb geweend op zijn tijd
Om de kortzichtigheid
Die mij blind maakte voor iemands nood of wens;
Maar nog nooit heb ik
Met zelfs de minste spijt of schrik
Bedacht dat ik te aardig was geweest voor enig mens.5

Onlangs werd er een ontroerend voorbeeld van liefde onder mijn aandacht gebracht — een voorval met onvoorziene gevolgen. Het gebeurde in 1933, toen banen wegens de grote economische crisis schaars waren. Het voorval vond plaats in het oosten van de Verenigde Staten. Arlene Biesecker had net haar middelbare-schooldiploma gehaald. Na lang zoeken naar een baan, vond ze eindelijk werk als naaister in een kledingfabriek. De fabrieksarbeidsters werden uitsluitend op stuksbasis betaald, per in elkaar genaaid kledingstuk. Hoe meer ze produceerden, hoe meer ze betaald kregen.

Op een dag moest Arlene, kort nadat ze aan haar werk in de fabriek begonnen was, iets doen dat haar verwarde en frustreerde. Ze zat aan haar naaimachine te proberen een verkeerd in elkaar genaaid kledingstuk opnieuw in elkaar te zetten. Het leek wel alsof niemand haar kon helpen, want alle andere naaisters haastten zich om zoveel mogelijk kledingstukken af te krijgen. Arlene voelde zich hulpeloos en hopeloos. Ze begon stilletjes te huilen.

Tegenover Arlene zat Bernice Rock. Ze was een oudere naaister met meer ervaring. Bernice zag Arlene’s nood, liet haar eigen werk liggen en ging naar Arlene toe om haar te helpen en vriendelijke aanwijzingen te geven. Ze bleef bij Arlene tot die voldoende vertrouwen had om het kledingstuk met succes weer in elkaar te zetten. Daarna ging Bernice terug naar haar eigen machine. Ze had de kans gemist om zoveel mogelijk kledingstukken in elkaar te zetten, want dat had alleen gekund als ze niet had geholpen.

Door die liefdesdaad werden Bernice en Arlene vriendinnen voor het leven. Uiteindelijk trouwden ze allebei en kregen ze kinderen. In de jaren vijftig gaf Bernice, die lid van de kerk was, Arlene en haar gezin een boek-van-mormon. In 1960 traden Arlene, haar man en kinderen toe tot de kerk. Later lieten ze zich in een heilige tempel van God verzegelen.

Omdat Bernice mededogen had betoond door moeite te doen om iemand te helpen die ze niet kende, maar die in nood verkeerde en hulp nodig had, hebben talloze mensen, zowel levend als overleden, nu de reddende verordeningen van het evangelie ontvangen.

Wij krijgen dagelijks kansen om de mensen om ons heen vriendelijk en liefdevol te behandelen. President Spencer W. Kimball heeft gezegd: ‘We moeten bedenken dat de stervelingen die we tegenkomen op parkeerplaatsen, in kantoren, liften en elders, de mensen zijn die God ons heeft gegeven om lief te hebben en te dienen. Het zal ons weinig goed doen om het te hebben over de broederschap van de mensheid als we de mensen om ons heen niet als onze broeders en zusters kunnen beschouwen.’6

Vaak krijgen we onverwachts kansen om onze liefde te betonen. Een voorbeeld van zo’n kans stond in oktober 1981 in de krant. Ik was zo onder de indruk van de liefde en het mededogen in dat verhaal dat ik het knipsel ruim dertig jaar bewaard heb.

Het artikel gaat over een rechtstreekse vlucht van Alaska Airlines van Anchorage in Alaska naar Seattle in de staat Washington — een vlucht met 150 passagiers — die werd omgeleid naar een afgelegen plaats in Alaska om een ernstig gewond kind te vervoeren. Een bloedvat in de arm van het tweejarige jongetje was doorgesneden toen hij bij het buiten spelen op een glasscherf was gevallen. De plaats was 725 kilometer ten zuiden van Anchorage en lag beslist niet op de vliegroute. Maar de ambulancebroeders ter plaatse hadden een wanhopig verzoek om hulp gedaan en de vlucht werd omgeleid om het kind op te halen en mee naar Seattle te nemen zodat het in het ziekenhuis behandeld kon worden.

Toen de vlucht in de afgelegen plaats landde, vertelden de ambulancebroeders de piloot dat het jongetje nu zo hevig bloedde dat hij de vlucht naar Seattle onmogelijk kon overleven. Er werd besloten om nog eens 320 kilometer verder naar Juneau in Alaska te vliegen, de dichtstbijzijnde plaats met een ziekenhuis.

Nadat de jongen in Juneau was afgezet, ging de vlucht door naar Seattle, inmiddels uren vertraagd. Geen enkele passagier klaagde daarover, ook al zouden de meesten afspraken en aansluitende vluchten missen. Sterker nog, toen de minuten en de uren maar voorbijgingen, hadden ze een inzameling gehouden en een aanzienlijk bedrag bij elkaar gebracht voor het jongetje en zijn familie.

Toen de vlucht op het punt stond te landen in Seattle, brak er gejuich uit onder de passagiers toen de piloot aankondigde dat hij via de radio had gehoord dat het goed zou komen met de jongen.7

Dit doet mij denken aan deze woorden uit de Schriften: ‘De naastenliefde is de reine liefde van Christus […]; en wie ook ten laatsten dage in het bezit daarvan wordt bevonden, met hem zal het wel zijn.’8

Broeders en zusters, bij ons thuis krijgen we enkele van de beste kansen om onze liefde te betonen. Ons gezinsleven zou om liefde moeten draaien, maar vaak is dat niet het geval. Er is soms teveel ongeduld, teveel gekibbel, teveel geruzie en teveel gehuil. President Gordon B. Hinckley beklaagde zich: ‘Hoe komt het dat [degenen] die we het [meeste] liefhebben zo vaak het mikpunt worden van onze hardvochtige woorden? Hoe komt het dat [we] soms zulke scherpe bewoordingen gebruiken dat we iemand diep kwetsen?’9 Ieder van ons zou misschien een ander antwoord hebben op die vragen, maar uiteindelijk doet de reden er niet toe. Om het gebod elkaar lief te hebben te onderhouden, moeten we elkaar vriendelijk en respectvol behandelen.

Natuurlijk is het wel eens nodig om iemand te disciplineren. Maar laten we denken aan de raad in de Leer en Verbonden — namelijk dat we, als het nodig is om elkaar te vermanen, daarna een toename van liefde moeten tonen.10

Ik hoop dat we er altijd naar zullen streven om attent te zijn op de gevoelens, gedachten en omstandigheden van de mensen om ons heen. Laten we niemand vernederen of kleineren. Laten we liever medeleven en bemoediging geven. We moeten ervoor waken het zelfvertrouwen van de ander te schaden met achteloze woorden of daden.

Vergevensgezindheid dient hand in hand te gaan met liefde. Zowel in onze familie als in onze vriendenkring kan het voorkomen dat er gevoelens gekwetst raken en dat men het oneens is. Nogmaals, het doet er eigenlijk niet toe hoe onbeduidend de kwestie is. We kunnen en mogen die niet laten doorwoekeren, etteren en uiteindelijk tot vernietiging laten leiden. Als we anderen ergens de schuld van geven, houden we wonden open. Alleen vergeving geneest.

Op een dag kreeg ik bezoek van een lieftallige dame die sindsdien is overleden. Zij vertelde me onverwachts over dingen waar ze spijt van had. Ze vertelde over een voorval, dat vele jaren geleden had plaatsgevonden, waarbij een boer van een aangrenzende boerderij betrokken was die ooit een goede vriend was geweest, maar met wie zij en haar man meerdere meningsverschillen hadden gehad. Op een dag vroeg de boer of hij een kortere weg over haar landerijen mocht nemen naar zijn eigen perceel. Ze pauzeerde even en vervolgde toen met bevende stem: ‘Broeder Monson, ik liet hem niet over onze landerijen lopen — toen niet, en nooit — maar liet hem te voet helemaal omlopen naar zijn land. Dat was fout van me, en ik heb er spijt van. Hij is nu overleden, maar wat zou ik graag tegen hem zeggen: “Het spijt me.” Wat zou ik graag een tweede kans krijgen om vriendelijk te zijn.’

Toen ik naar haar luisterde, schoot me de droeve uitspraak van John Greenleaf Whittier te binnen: ‘Van alle woorden, gesproken of geschreven in rijm, zijn de droevigste: “Het had zo mooi kunnen zijn!”’11 Broeders en zusters, als we anderen liefdevol, vriendelijk en attent behandelen, hoeven we geen gemiste kansen te betreuren.

We kunnen onze liefde op zoveel herkenbare manieren uiten: met een glimlach, een gebaar, een aardige opmerking, of een compliment. Andere uitingen kunnen subtieler zijn, bijvoorbeeld door belang te stellen in wat iemand doet, geduldig en vriendelijk een beginsel uit te leggen, of een bezoekje af te leggen aan iemand die ziek of aan huis gebonden is. Met die woorden en daden, en op veel andere manieren, brengen wij liefde over.

Dale Carnegie, befaamd auteur en spreker uit Amerika, meende dat ieder ‘de kracht in zich heeft om de hoeveelheid geluk […] in de wereld te vergroten door oprechte waardering uit te spreken voor iemand die eenzaam of ontmoedigd is.’ Hij zei: ‘Misschien bent u de vriendelijke woorden die u vandaag spreekt morgen weer vergeten, maar de ontvanger vergeet ze een leven lang niet.’12

Mogen wij vandaag, nu meteen, beginnen om al Gods kinderen liefde te betuigen, hetzij familieleden, vrienden, kennissen of volslagen vreemden. Laten wij ons elke ochtend bij het opstaan voornemen om vriendelijk en liefdevol te reageren op alles wat op ons pad komt.

Broeders en zusters, Gods liefde voor ons is onbevattelijk. Vanwege die liefde heeft Hij zijn Zoon gezonden, die ons genoeg liefhad om zijn leven voor ons te geven opdat wij het eeuwige leven mochten hebben. Gaan wij deze onvergelijkelijke gave begrijpen, dan loopt ons hart over van liefde voor onze eeuwige Vader, onze Heiland en voor alle mensen. Dat dit zo mag zijn, is mijn oprechte gebed, in de naam van Jezus Christus. Amen.

Verwijzingen tonen

  1.  

    1.  Matteüs 22:36–39.

  2.  

    2.  Marcus 12:31.

  3.  

    3.  1 Johannes 4:21.

  4.  

    4.  Lucas 23:34.

  5.  

    5. Auteur onbekend, aangehaald door Richard L. Evans in ‘The Quality of Kindness’, Improvement Era, mei 1960, p. 340.

  6.  

    6.  The Teachings of Spencer W. Kimball, geredigeerd door Edward L. Kimball (1982), p. 483.

  7.  

    7. Zie ‘Injured Boy Flown to Safety’, Daily Sitka Sentinel (Alaska, VS), 22 oktober 1981.

  8.  

    8.  Moroni 7:47.

  9.  

    9. Gordon B. Hinckley, ‘Let Love Be the Lodestar of Your Life’, Ensign, mei 1989, p. 67.

  10.  

    10. Zie Leer en Verbonden 121:43.

  11.  

    11. ‘Maud Muller’ in The Complete Poetical Works of John Greenleaf Whittier (1878), p. 206; cursivering toegevoegd.

  12.  

    12. Dale Carnegie, bijvoorbeeld aangehaald in Larry Chang, Wisdom for the Soul. (2006), p. 54