2014
In de wachtruimte
Maart 2014


Tot we elkaar weerzien

In de wachtruimte

Ik was teleurgesteld toen ik in de wachtruimte moest blijven en de tempel niet in kon door wat administratieve fouten.

Op zekere avond ging ik met drie van mijn jongere broertjes en zusjes naar de tempel om ons voor de doden te laten dopen. Toen de tempelwerker onze aanbevelingen nakeek, zag hij dat de handtekening van mijn bisschop op de aanbeveling van mijn zus ontbrak. Ik begon een formulier in te vullen om aan de tempelgriffier te geven die de bisschop zou opbellen. Vervolgens keek de tempelwerker de aanbeveling van mijn broer na en zag dat die niet was geactiveerd. Daar ik toch al bezig was, begon ik het volgende formulier in te vullen.

Ik wist dat mijn broer en zus met deze foutieve aanbevelingen de tempel niet konden betreden, maar ik voelde me verantwoordelijk voor hen en wilde niet naar binnengaan tot de fouten waren verholpen. Ik voelde me gefrustreerd omdat ik de tempel niet kon betreden. We verlieten de doopruimte en liepen naar boven om onze situatie aan de tempelbalie uit te leggen. De tempelgriffier zei dat hij ons probleem in een paar minuutjes kon oplossen dus gingen we met zijn vieren in de wachtruimte zitten.

Terwijl ik daar zat, veranderde mijn frustratie in ontmoediging. We konden niet naar binnen door een paar eenvoudige fouten, maar ze maakten het verschil tussen in de wachtruimte zitten en het huis des Heren betreden. Ik had een moeilijke dag gehad en ik rekende erop dat ik gemoedsrust zou krijgen in de tempel. Het waren niet mijn fouten, maar hoe langer we wachtten, hoe meer zin ik had om te huilen. Ik probeerde het goede te doen door naar de tempel te gaan en een goed voorbeeld te zijn voor mijn jongere broertjes en zusjes. Waarom moesten we dan buiten blijven terwijl ik zo graag naar binnen wilde?

En toen realiseerde ik me iets: als ik al ontmoedigd was door buiten de tempel te moeten blijven wegens administratieve fouten, hoe ontgoocheld zou ik dan zijn als ik buiten moest blijven door mijn eigen fouten — door onwaardig te zijn om de tempel te betreden? Toen ik hieraan dacht, werd ik opeens rustig. Ik had het gevoel dat ik geleerd had wat de Heer me wilde bijbrengen. Ik beloofde Hem dat ik altijd zou proberen waardig te zijn om de tempel te betreden. Ik beloofde dat ik nooit uit het huis des Heren zou hoeven blijven wegens mijn eigen fouten; ik wil niet dat mijn fouten me ooit tot de wachtruimte beperken.

Diezelfde avond nog had ik een afspraak met mijn bisschop om mijn tempelaanbeveling te verlengen. Voor ik erheen ging, keek ik mezelf even op fouten na die me ervan zouden weerhouden de tempel te betreden. Toen de bisschop me vroeg of ik waardig was om het huis des Heren te betreden, was ik heel gelukkig dat ik ja kon zeggen.