Hoofdstuk 4

Een uiteenzetting hoe ouderlingen en priesters het avondmaalsbrood bedienen. Ongeveer 401–421 n.C.

1 De awijze waarop hun bouderlingen en priesters het vlees en bloed van Christus aan de kerk bedienden; en zij cbedienden het volgens de geboden van Christus; daarom weten wij dat het de juiste wijze is; en de ouderling of priester bediende het —

2 en zij knielden neer met de kerk en baden tot de Vader in de naam van Christus en zeiden:

3 O God, eeuwige Vader, wij vragen U in de naam van uw Zoon, Jezus Christus, dit abrood te zegenen en te heiligen voor de zielen van allen die ervan nemen, opdat zij het mogen eten ter bgedachtenis van het lichaam van uw Zoon, en U, o God, eeuwige Vader, betuigen dat zij gewillig zijn de cnaam van uw Zoon op zich te nemen en Hem altijd indachtig te zijn, en zijn geboden te onderhouden die Hij hun heeft gegeven, opdat zij zijn dGeest altijd bij zich mogen hebben. Amen.