AFDELING 101

Openbaring gegeven aan de profeet Joseph Smith op 16 december 1833 te Kirtland (Ohio). (History of the Church, 1:458–464.) De heiligen die zich hadden vergaderd in Missouri ondervonden in die tijd hevige vervolging. Het gepeupel had hen verdreven uit hun huizen in Jackson County. Sommige heiligen hadden getracht zich te vestigen in Van Buren County, maar ook daar werden zij vervolgd. De meerderheid van de heiligen bevond zich op dat moment in Clay County (Missouri). Individuele leden van de kerk werden herhaaldelijk met de dood bedreigd. De mensen hadden hun huisraad, kleding, vee en andere persoonlijke eigendommen verloren, en veel van hun gewassen waren vernield.

1–8: de heiligen worden gekastijd en bezocht wegens hun overtredingen; 9–15: de gramschap des Heren zal op de natiën neerkomen, maar zijn volk zal worden vergaderd en vertroost; 16–21: Zion en haar ringen zullen worden gevestigd; 22–31: de aard van het leven tijdens het millennium wordt uiteengezet; 32–42: de heiligen zullen dan worden gezegend en beloond; 43–62: de gelijkenis van de edelman en de olijfbomen stelt de moeilijkheden en de uiteindelijke verlossing van Zion voor; 63–75: de heiligen moeten zich blijven vergaderen; 76–80: de Heer heeft de grondwet van de Verenigde Staten tot stand gebracht; 81–101: de heiligen moeten aandringen op schadeloosstelling, volgens de gelijkenis van de vrouw en de onrechtvaardige rechter.

 VOORWAAR, Ik zeg u aangaande uw broeders die zijn bezocht en avervolgd en bverdreven uit hun erfland —

 Ik, de Heer, heb toegestaan dat de arampspoed waarmee zij zijn bezocht hen heeft getroffen, en wel ten gevolge van hun bovertredingen;

 maar toch zal Ik hen de amijnen noemen, en zij zullen de mijnen zijn ten dage dat Ik kom om mijn juwelen bijeen te brengen.

 Daarom moeten zij zeker worden agekastijd en beproefd, evenals bAbraham, wie geboden werd zijn enige zoon te offeren.

 Want allen die geen kastijding willen verdragen, maar Mij averloochenen, kunnen niet worden bgeheiligd.

 Zie, Ik zeg u: Er waren gekijf en atwist en bafgunst en strijd en cwellustige en hebzuchtige verlangens onder hen; daarom, met die dingen hebben zij hun erfdeel bezoedeld.

 Zij waren traag om te aluisteren naar de stem van de Heer, hun God; daarom is de Heer, hun God, traag om te luisteren naar hun gebeden, om ze te verhoren ten dage van hun moeilijkheden.

 Ten dage van hun vrede vatten zij mijn raad lichtvaardig op; maar ten dage van hun amoeilijkheden, zoeken zij noodgedwongen al btastend naar Mij.

 Voorwaar, Ik zeg u: Niettegenstaande hun zonden is mijn binnenste met aontferming over hen vervuld. Ik zal hen niet geheel en al bverwerpen; en ten dage der cverbolgenheid zal Ik de barmhartigheid indachtig zijn.

 10 Ik heb gezworen, en het besluit is uitgegaan door een vorig gebod dat Ik u heb gegeven, dat Ik het azwaard van mijn gramschap zal laten neerkomen ten behoeve van mijn volk; en precies zoals Ik het heb gezegd, zal het geschieden.

 11 Mijn gramschap zal spoedig mateloos op alle natiën worden uitgegoten; en dat zal Ik doen wanneer de beker van hun ongerechtigheid avol is.

 12 En te dien dage zullen allen die op de awachttoren worden bevonden, of met andere woorden, geheel mijn Israël, behouden worden.

 13 En zij die verstrooid zijn, zullen worden avergaderd.

 14 En allen die agetreurd hebben, zullen worden getroost.

 15 En allen die hun aleven gegeven hebben voor mijn naam, zullen worden gekroond.

 16 Daarom, laat uw hart vertroost zijn aangaande Zion; want alle vlees is in mijn ahanden; wees stil en bweet dat Ik God ben.

 17 aZion zal niet verwijderd worden uit haar plaats, ook al zijn haar kinderen verstrooid.

 18 Wie overblijven, en rein van hart zijn, zullen terugkeren en tot hun aerfdeel komen, zij en hun kinderen, met bgezangen van eeuwigdurende vreugde, om de woeste plaatsen van Zion op te cbouwen

 19 en dit alles opdat de profeten zullen worden vervuld.

 20 En zie, er is geen andere aplaats toegewezen dan die welke Ik heb toegewezen; er zal ook geen andere plaats worden toegewezen dan die welke Ik heb toegewezen, voor het werk der vergadering van mijn heiligen —

 21 totdat de dag komt dat er voor hen geen ruimte meer wordt gevonden; en dan heb Ik andere plaatsen die Ik hun zal toewijzen, en die zullen pinnen (aringen) worden genoemd, voor het tentdoek of de sterkte van Zion.

 22 Zie, het is mijn wil dat allen die Mijn naam aanroepen en Mij aanbidden overeenkomstig mijn eeuwigdurend evangelie, zich avergaderen en op bheilige plaatsen staan;

 23 en zich voorbereiden op de openbaring die komen zal, wanneer de asluier ter bedekking van mijn tempel, in mijn tabernakel, die de aarde verbergt, zal worden weggenomen, en alle vlees Mij tegelijkertijd zal bzien.

 24 En al het averderfelijke dat op het gehele oppervlak der aarde woont, zowel van de mens als van de dieren van het veld, als van de vogels van de hemelen, als van de vissen van de zee, zal worden bverteerd;

 25 en ook wat uit elementen bestaat, zal door de gloeiende hitte asmelten; en alle dingen zullen bnieuw worden, opdat mijn kennis en cheerlijkheid op de gehele aarde kunnen verblijven.

 26 En te dien dage zal de avijandschap van de mensen, en de vijandschap van de dieren, ja, de vijandschap van alle vlees, voor mijn aangezicht bophouden.

 27 En wat ook enig mens te dien dage vraagt, het zal hem gegeven worden.

 28 En te dien dage zal aSatan geen macht hebben om wie dan ook te verleiden.

 29 En er zal geen asmart zijn, want er is geen dood.

 30 En te dien dage zal een akind pas sterven als het oud is; en zijn leven zal zijn als de levensduur van een boom;

 31 En wanneer het sterft, zal het niet slapen, dat wil zeggen in de aarde, maar in een oogwenk averanderd worden en bopgenomen worden, en zijn rust zal heerlijk zijn.

 32 Ja, voorwaar, Ik zeg u: Te dien adage, wanneer de Heer komt, zal Hij alle dingen bopenbaren

 33 dingen die voorbij zijn gegaan en averborgen dingen die geen mens geweten heeft, dingen van de aarde, waardoor zij is gemaakt en het doel en de bestemming daarvan —

 34 dingen die hoogst waardevol zijn, dingen die boven zijn en dingen die beneden zijn, dingen die in de aarde zijn en op de aarde en in de hemel.

 35 En allen die avervolging ondergaan omwille van mijn naam en in geloof volharden, al worden zij geroepen om hun leven bomwille van Mijn af te leggen, zullen toch aan al deze heerlijkheid deelhebben.

 36 Daarom, vreest zelfs de adood niet; want in deze wereld is uw vreugde niet overvloedig, maar in Mij is uw bvreugde overvloedig.

 37 Daarom, geeft niet om het lichaam, noch om het leven van het lichaam, maar geeft om de aziel en om het leven van de ziel.

 38 En azoekt altijd het aangezicht des Heren, opdat gij uw ziel door bgeduld zult bezitten, en gij zult het eeuwige leven hebben.

 39 Wanneer de mensen tot mijn aeeuwigdurend evangelie worden geroepen, en zich met een eeuwigdurend verbond verbinden, worden zij gerekend tot het bzout der aarde en de kracht der mensen;

 40 zij worden geroepen om de kracht der mensen te zijn; daarom, indien dat zout der aarde zijn kracht verliest, zie, dan deugt het voortaan nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.

 41 Zie, hier is wijsheid omtrent de kinderen van Zion, ja, velen van hen, maar niet allen; zij bleken overtreders te zijn, daarom moeten zij zeker agekastijd worden —

 42 wie zichzelf averhoogt, zal vernederd worden, en wie zichzelf bvernedert, zal verhoogd worden.

 43 En nu, Ik zal u een gelijkenis tonen, opdat u mijn wil zult kennen aangaande de verlossing van Zion.

 44 Een zekere aedelman bezat een zeer voortreffelijk stuk grond, en hij zeide tot zijn dienstknechten: Gaat naar mijn bwijngaard, ja, naar dat zeer voortreffelijke stuk grond en plant twaalf olijfbomen;

 45 en stelt awachters eromheen en bouwt een toren, opdat iemand het land eromheen kan overzien, om wachter op de toren te zijn, opdat mijn olijfbomen niet vernield worden wanneer de vijand komt om te plunderen en zich de vruchten van mijn wijngaard toe te eigenen.

 46 Welnu, de dienstknechten van de edelman gingen heen en deden zoals hun heer hun had geboden, en plantten de olijfbomen en zetten een omheining eromheen en stelden wachters op en begonnen een toren te bouwen.

 47 En terwijl zij nog bezig waren het fundament ervan te leggen, begonnen zij onder elkaar te zeggen: Maar waarvoor heeft onze heer deze toren nodig?

 48 En zij overlegden lange tijd en zeiden onder elkaar: Waarvoor heeft onze heer deze toren nodig, aangezien dit een tijd van vrede is?

 49 Kan dit geld niet beter aan de bankiers gegeven worden? Want er is geen behoefte aan deze dingen.

 50 En terwijl zij het onder elkaar oneens waren, werden zij zeer traag, en zij sloegen geen acht op de geboden van hun heer.

 51 En ‘s nachts kwam de vijand en doorbrak de aomheining; en de dienstknechten van de edelman sprongen overeind en waren verschrikt en vluchtten; en de vijand vernietigde hun werken en vernielde de olijfbomen.

 52 Welnu, zie, de edelman, de heer van de wijngaard, bezocht zijn dienstknechten en zeide tot hen: Wel! Wat is de oorzaak van dit grote kwaad?

 53 Hadt gij niet moeten handelen zoals ik u geboden heb, en — nadat gij de wijngaard hadt geplant en de omheining eromheen hadt gezet en wachters op de muren daarvan hadt gesteld — ook de toren moeten bouwen en op de toren een wachter moeten stellen en over mijn wijngaard moeten waken en niet in slaap moeten vallen, opdat de vijand u niet zou overvallen?

 54 En zie, de wachter op de toren zou de vijand hebben gezien terwijl die nog veraf was; en dan hadt gij u kunnen voorbereiden en de vijand ervan kunnen weerhouden de omheining te doorbreken en mijn wijngaard kunnen redden uit de handen van de verderver.

 55 En de heer van de wijngaard zeide tot een van zijn dienstknechten: Ga heen en verzamel de rest van mijn dienstknechten en neem de agehele sterkte van mijn huis, die bestaat uit mijn krijgslieden, mijn jongemannen, en ook uit hen die van middelbare leeftijd zijn onder al mijn dienstknechten, die de sterkte van mijn huis vormen, uitgezonderd alleen hen die ik heb aangewezen om te blijven;

 56 en ga terstond naar het land van mijn wijngaard en win mijn wijngaard terug; want hij is van mij; ik heb hem met geld gekocht.

 57 Daarom, ga terstond naar mijn land; breek de muren van mijn vijanden af; werp hun toren omver en verdrijf hun wachters.

 58 En voor zoverre zij zich tegen u verzamelen, moet gij mij op mijn vijanden awreken, opdat ik weldra met de rest van mijn huis kan komen en het land bezitten.

 59 En de dienstknecht zeide tot zijn heer: Wanneer zullen deze dingen geschieden?

 60 En hij zeide tot zijn dienstknecht: Wanneer ik het wil; ga terstond heen en doe alle dingen die ik u geboden heb;

 61 en dit zal mijn zegel en zegen zijn op u — een getrouwe en awijze rentmeester te midden van mijn huis, een bheerser in mijn koninkrijk.

 62 En zijn dienstknecht ging terstond heen en deed alle dingen die zijn heer hem geboden had; en ana vele dagen waren alle dingen volbracht.

 63 Voorts, voorwaar, Ik zeg u: Ik zal u wijsheid tonen in mijn bestel aangaande alle kerkgemeenten, voor zoverre zij bereid zijn zich op een juiste en goede manier te laten leiden voor hun behoudenis —

 64 opdat het werk van de vergadering van mijn heiligen zal voortgaan, opdat Ik hen voor mijn naam zal opbouwen op aheilige plaatsen; want de tijd van de boogst is gekomen en mijn woord moet zeker worden cvervuld.

 65 Daarom moet Ik mijn volk vergaderen, volgens de gelijkenis van de tarwe en het aonkruid, opdat de tarwe in de graanschuren zal worden geborgen om het eeuwige leven te verkrijgen en met bcelestiale heerlijkheid te worden gekroond, wanneer Ik in het koninkrijk van mijn Vader kom om eenieder zo te belonen als zijn werken zullen zijn;

 66 terwijl het onkruid in bossen zal worden gebonden en hun banden sterk zullen worden gemaakt, opdat zij met onuitblusbaar vuur zullen worden averbrand.

 67 Daarom geef Ik alle gemeenten een gebod, dat zij zich zullen blijven vergaderen tot de plaatsen die Ik heb aangewezen.

 68 Niettemin, zoals Ik u heb gezegd in een vorig gebod: laat uw avergaderen niet overhaast, noch al vluchtend gebeuren, maar laat alle dingen van tevoren worden bereid.

 69 En opdat alle dingen van tevoren bereid zullen zijn, moet gij het gebod in acht nemen dat Ik aangaande deze zaken gegeven heb —

 70 dat zegt, of leert, met geld al het land te akopen dat met geld kan worden gekocht, in het gebied rondom het land dat Ik heb aangewezen om het land Zion te zijn, voor de aanvang van de vergadering van mijn heiligen;

 71 al het land dat in Jackson County en de omliggende county’s kan worden gekocht, en laat de rest in mijn hand.

 72 Welnu, voorwaar, Ik zeg u: Laten alle kerkgemeenten al hun geldmiddelen bijeenbrengen; laat deze dingen op hun tijd worden gedaan, maar niet aoverhaast; en zorg ervoor alle dingen van tevoren bereid te hebben.

 73 En laten er eerzame mannen worden aangewezen, ja, wijze mannen, en draag hun op dat land te gaan kopen.

 74 En aangaande de kerkgemeenten in de oostelijke gebieden, wanneer ze opgebouwd zijn, indien zij naar deze raad willen luisteren, mogen zij land kopen en zich erop vergaderen; en op die wijze kunnen zij Zion vestigen.

 75 Zelfs nu is er reeds voldoende voorhanden, ja, een overvloed, om Zion te verlossen en haar woeste plaatsen op te bouwen, om niet meer omver te worden gehaald, indien de kerkgemeenten, die zich noemen naar mijn naam, maar abereid waren te luisteren naar mijn stem.

 76 En voorts zeg Ik tot u, hen die door hun vijanden zijn verdreven: Het is mijn wil dat zij blijven aandringen op schadeloosstelling en verlossing, uit de handen van hen die als regeerders zijn gesteld en met gezag over u bekleed zijn —

 77 overeenkomstig de wetten en agrondwet van het volk, die Ik tot stand heb laten brengen, en die moeten worden gehandhaafd ter wille van de brechten en bescherming van alle vlees, overeenkomstig rechtvaardige en heilige beginselen;

 78 opdat eenieder in leer en beginsel met betrekking tot de toekomst zal kunnen handelen volgens de morele akeuzevrijheid die Ik hem heb gegeven, opdat eenieder op de dag des boordeelscrekenschap verschuldigd zal zijn van zijn eigen zonden.

 79 Daarom is het niet juist dat enig mens andermans slaaf is.

 80 En met dat doel heb Ik de agrondwet van dit land gevestigd, door de hand van wijze mannen die Ik juist voor dat doel heb doen opstaan, en het land door middel van bbloedvergieten losgekocht.

 81 Welnu, waarmee zal ik de kinderen van Zion vergelijken? Ik zal ze vergelijken met de vrouw in de agelijkenis van de onrechtvaardige rechter, want de mensen behoren altijd te bbidden en niet te verslappen, die luidt:

 82 Er was in een stad een rechter die God niet vreesde, noch enig mens achtte.

 83 En er was een weduwe in die stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Verschaf mij wraak over mijn tegenpartij.

 84 En een tijdlang wilde hij niet, maar naderhand sprak hij bij zichzelf: Al vrees ik God niet, noch enig mens acht, toch zal ik, omdat deze weduwe het mij moeilijk maakt, haar wraak verschaffen, opdat zij mij niet vermoeit met haar voortdurende bezoeken.

 85 Daarmee zal ik de kinderen van Zion vergelijken.

 86 Laten zij aandringen aan de voeten van de rechter;

 87 En indien die geen acht op hen slaat, laten zij dan aandringen aan de voeten van de gouverneur;

 88 en indien de gouverneur geen acht op hen slaat, laten zij dan aandringen aan de voeten van de president;

 89 en indien de president geen acht op hen slaat, dan zal de Heer opstaan en uit zijn aschuilplaats tevoorschijn komen en in zijn grimmigheid de natie kwellen;

 90 en in zijn brandende misnoegen en in zijn hevige toorn, zal Hij die goddeloze, ontrouwe en onrechtvaardige arentmeesters op zijn tijd afsnijden en hun hun deel toewijzen onder huichelaars en bongelovigen;

 91 ja, in de buitenste duisternis, waar ageween is en gejammer en tandengeknars.

 92 Bidt daarom dat zij hun oren zullen openstellen voor uw kreten, opdat Ik abarmhartig jegens hen zal zijn, zodat deze dingen niet over hen zullen komen.

 93 Wat Ik tot u heb gezegd moet zeker zo zijn, opdat alle mensen zonder averontschuldiging worden gelaten;

 94 opdat wijze mannen en regeerders datgene zullen horen en weten wat zij nog nooit aoverwogen hebben;

 95 opdat Ik een aanvang zal kunnen maken met de totstandbrenging van mijn daad, mijn avreemde daad, en het verrichten van mijn werk, mijn vreemde werk, zodat de mensen bonderscheid zullen kunnen maken tussen de rechtvaardigen en de goddelozen, zegt uw God.

 96 En voorts zeg Ik u: Het is in strijd met mijn gebod en mijn wil dat mijn dienstknecht Sidney Gilbert mijn avoorraadhuis, dat Ik mijn volk heb toegewezen, aan mijn vijanden verkoopt.

 97 Laat hetgeen Ik heb toegewezen, niet door mijn vijanden worden bezoedeld met instemming van hen die zich naar mijn naam anoemen;

 98 want dat is een zeer zware en ernstige zonde tegen Mij en tegen mijn volk, ten gevolge van de dingen die Ik heb besloten en die de natiën spoedig zullen overkomen.

 99 Daarom is het mijn wil dat mijn volk aanspraak maakt, en aanspraak behoudt, op hetgeen Ik hun heb toegewezen, ook al wordt het hun niet toegestaan erop te wonen.

 100 Niettemin, Ik zeg niet dat zij er niet op zullen wonen; want voor zoverre zij vruchten en werken voortbrengen die gepast zijn voor mijn koninkrijk, zullen zij daarop wonen.

 101 Zij zullen bouwen, en geen ander zal het abeërven; zij zullen wijngaarden planten, en zij zullen de vrucht daarvan eten. Ja, amen.