AFDELING 113

Antwoorden op bepaalde vragen over de geschriften van Jesaja, gegeven door de profeet Joseph Smith in maart 1838. (History of the Church, 3:9–10.)

1–6: de tronk van Isaï, het rijsje dat eruit voortkomt, en de wortel van Isaï worden aangeduid; 7–10: de verstrooide overblijfselen van Zion hebben recht op het priesterschap en worden geroepen om tot de Heer terug te keren.

 WIE is de tronk van aIsaï waarover gesproken wordt in het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde vers van het elfde hoofdstuk van Jesaja?

 Voorwaar, aldus zegt de Heer: Het is Christus.

 Wat is het rijsje waarover gesproken wordt in het eerste vers van het elfde hoofdstuk van Jesaja, dat uit de tronk van Isaï zou voortkomen?

 Zie, aldus zegt de Heer: Het is een dienstknecht in de handen van Christus, die zowel een afstammeling is van Isaï als van aEfraïm, of het huis van Jozef, op wie veel bmacht is geplaatst.

 Wat is de wortel van Isaï waarover gesproken wordt in het tiende vers van het elfde hoofdstuk?

 Zie, aldus zegt de Heer: Het is een afstammeling van zowel Isaï als van Jozef, wie het priesterschap en de asleutels van het koninkrijk rechtens toebehoren, als bbanier en voor de cvergadering van mijn volk in de laatste dagen.

 Vragen van Elias Higbee: Wat wordt er bedoeld met het gebod in het eerste vers van het tweeënvijftigste hoofdstuk van Jesaja, dat luidt: Bekleed u met sterkte, o Zion — en op welk volk zinspeelde Jesaja?

 Hij zinspeelde op hen die God in de laatste dagen zou roepen, die de macht van het priesterschap zouden bezitten om aZion terug te brengen, en voor de verlossing van Israël; en zich bekleden met haar bsterkte betekent het gezag van het priesterschap aanvaarden, waarop zij, Zion, door afkomst crecht heeft; alsmede om terug te keren tot die macht die zij had verloren.

 Wat moeten wij verstaan onder Zion dat zich losmaakt van de banden om haar hals; het tweede vers?

 10 Wij moeten daaronder begrijpen dat de averstrooide overblijfselen worden aangespoord bterug te keren tot de Heer van wie zij afgevallen zijn; indien zij dat doen, hebben zij de belofte van de Heer dat Hij tot hen zal spreken, of hun openbaring zal geven. Zie het zesde, zevende en achtste vers. De banden om haar hals zijn de vervloekingen van God die op haar rusten, ofwel de overblijfselen van Israël in hun verstrooide toestand onder de andere volken.