AFDELING 135

Het martelaarschap van de profeet Joseph Smith en zijn broer, de patriarch Hyrum Smith, op 27 juni 1844 te Carthage (Illinois). (History of the Church, 6:629–631.) Dit document is geschreven door ouderling John Taylor van de Raad der Twaalf, die getuige was van de gebeurtenissen.

1–2: Joseph en Hyrum sterven als martelaar in de gevangenis van Carthage; 3: de eminente positie van de profeet uitgeroepen; 4–7: hun onschuldig bloed getuigt van de waarheid en de goddelijkheid van het werk.

 TER verzegeling van het getuigenis van dit boek en van het Boek van Mormon maken wij het amartelaarschap bekend van de profeet bJoseph Smith en de patriarch Hyrum Smith. Zij zijn op 27 juni 1844, om ongeveer 5 uur ‘s middags, in de gevangenis van cCarthage doodgeschoten door een gewapende bende — met zwartgemaakte gezichten — van ongeveer 150 tot 200 personen. dHyrum werd het eerst getroffen en riep, terwijl hij gelaten neerviel: Het is met mij gedaan! Joseph sprong uit het raam, werd daarbij dodelijk getroffen en riep: O Heer, mijn God! Op beiden werd, op brute wijze, geschoten toen zij al dood waren; beiden werden door vier kogels getroffen.

 aJohn Taylor en Willard Richards, twee van de Twaalf, waren op dat moment de enige andere personen in het vertrek; de eerstgenoemde werd op beestachtige wijze door vier kogels verwond, maar is sindsdien hersteld; de laatstgenoemde ontkwam door de voorzienigheid van God zonder zelfs maar een gat in zijn jas.

 Joseph Smith, de aprofeet en bziener des Heren, heeft, Jezus alleen uitgezonderd, meer gedaan voor het heil van de mensen in deze wereld dan enig ander mens die hier ooit heeft geleefd. In de korte tijdsspanne van twintig jaar heeft hij het Boek van Mormon het licht doen zien, dat hij door de gave en macht van God had vertaald, en is het middel geweest om het in twee werelddelen uit te geven; hij heeft de cvolheid van het eeuwigdurend evangelie, daarin vervat, naar de vier hoeken der aarde doen uitgaan; heeft de openbaringen en geboden die dit boek der Leer en Verbonden vormen, doen verschijnen, en vele andere wijze geschriften en aanwijzingen voor het welzijn der mensenkinderen; hij heeft vele duizenden heiligen der laatste dagen vergaderd, een grote dstad gesticht en een vermaardheid en naam nagelaten die niet kunnen worden uitgewist. In de ogen van God en van zijn volk leefde hij als een groot man en stierf hij als een groot man; en zoals de meeste gezalfden des Heren in tijden vanouds, heeft hij zijn zending en zijn werken bezegeld met zijn eigen ebloed; en evenzo zijn broer Hyrum. In het leven waren zij niet verdeeld, en in de dood werden zij niet gescheiden!

 Toen Joseph, twee of drie dagen voordat hij werd vermoord, naar Carthage ging om zich over te geven aan de zogenaamde eisen van de wet, zei hij: ‘Ik ga als een alam ter slachting; maar ik ben zo kalm als een zomermorgen; ik heb een geweten dat vrij is van overtreding jegens God en jegens alle mensen. IK ZAL ONSCHULDIG STERVEN EN ER ZAL NOG VAN MIJ WORDEN GEZEGD: HIJ WERD IN KOELEN BLOEDE VERMOORD.’ Diezelfde ochtend, nadat Hyrum zich had gereedgemaakt om te gaan — zullen wij zeggen ‘ter slachting’? ja, want zo was het — las hij de volgende passage, tegen het eind van het twaalfde hoofdstuk van Ether, in het Boek van Mormon, en vouwde de bladzijde daar om:

 En het geschiedde dat ik de Heer bad dat Hij de andere volken genade zou schenken, opdat zij naastenliefde zouden bezitten. En het geschiedde dat de Heer tot mij zeide: Indien zij geen naastenliefde bezitten, maakt het voor u niet uit, want gij zijt getrouw geweest; daarom zullen uw klederen agereinigd worden. En omdat gij uw zwakheid hebt gezien, zult gij sterk worden gemaakt, ja, zodat gij zult neerzitten in de plaats die Ik heb bereid in de woningen van mijn Vader. En nu zeg ik (...) de andere volken vaarwel, ja, en ook mijn broeders, die ik liefheb, totdat wij elkaar ontmoeten voor de brechterstoel van Christus, waar alle mensen zullen weten dat mijn klederen niet met uw bloed zijn bevlekt. De ctestateurs zijn nu dood, en hun testament is van kracht.

 Hyrum Smith was in februari 1844 vierenveertig jaar geworden, en Joseph Smith in december 1843 achtendertig jaar; en voortaan zal hun naam gerekend worden onder de geloofsmartelaren; en de lezer in ieder land zal eraan herinnerd worden dat het Boek van Mormon, en dit boek der Leer en Verbonden van de kerk, het beste bloed van de negentiende eeuw hebben gekost om ze te doen verschijnen voor het heil van een verworden wereld; en dat als het vuur een agroene boom kan verzengen voor de heerlijkheid Gods, hoe gemakkelijk zal het dan de droge bomen verteren om de wijngaard van verderf te zuiveren. Zij hebben geleefd voor de heerlijkheid, zij zijn gestorven voor de heerlijkheid; en heerlijkheid is hun eeuwig loon. Door de eeuwen heen zal hun naam aan het nageslacht worden doorgegeven als kleinood voor de geheiligden.

 Zij waren niet schuldig aan enig misdrijf, zoals reeds dikwijls van hen was bewezen, en zaten alleen in de gevangenis door de samenzwering van verraders en goddeloze mensen; en hun onschuldig bloed op de vloer in de gevangenis van Carthage is een grootzegel gehecht aan het ‘mormonisme’, dat door geen enkel gerechtshof op aarde kan worden verworpen; en hun onschuldig bloed op het blazoen van de staat Illinois, met het verbroken erewoord van de staat, zoals verzekerd door de gouverneur, is een bewijs van de waarheid van het eeuwigdurend evangelie dat de gehele wereld niet in twijfel kan trekken; en hun onschuldig bloed op de banier van de vrijheid, en op de Magna Charta van de Verenigde Staten, is een gezant voor de godsdienst van Jezus Christus, die het hart van oprechte mensen onder alle volken zal raken; en hun onschuldig bloed, met het onschuldig bloed van alle martelaren onder het aaltaar dat Johannes zag, zal tot de Heer der heerscharen roepen, tot Hij dat bloed op de aarde zal wreken. Amen.