AFDELING 137

Een visioen dat de profeet Joseph Smith werd gegeven op 21 januari 1836 in de tempel te Kirtland (Ohio). (History of the Church, 2:380–381.) De gelegenheid was de bediening van de verordeningen van de begiftiging, voor zover die toen waren geopenbaard.

1–6: de profeet ziet zijn broer Alvin in het celestiale koninkrijk; 7–9: de leer van het heil voor de doden geopenbaard; 10: alle kinderen worden behouden in het celestiale koninkrijk.

 DE ahemelen werden ons geopend en ik aanschouwde het bcelestiale koninkrijk van God en de heerlijkheid ervan, hetzij in het clichaam of erbuiten kan ik niet zeggen.

 Ik zag de bovenaardse schoonheid van de apoort waardoor de erfgenamen van dat koninkrijk zullen binnengaan, die als een krans van bvuurtongen was;

 ook de avlammende troon van God, waarop de bVader en de cZoon gezeten waren.

 Ik zag de prachtige straten van dat koninkrijk, die eruit zagen alsof ze met agoud geplaveid waren.

 Ik zag vader aAdam en bAbraham; en mijn cvader en mijn dmoeder; mijn broeder eAlvin, die reeds lang ontslapen is;

 en vroeg mij verwonderd af hoe het kwam dat hij een aerfdeel in dat koninkrijk verkregen had, aangezien hij dit leven verlaten had voordat de Heer de vergadering van Israël voor de btweede maal ter hand had genomen, en niet cgedoopt was tot vergeving van zonden.

 Aldus kwam de astem des Heren tot mij, zeggende: Allen die gestorven zijn bzonder kennis van dit evangelie, maar het aangenomen zouden hebben indien zij langer hadden mogen blijven, zullen cerfgenaam zijn van het dcelestiale koninkrijk van God;

 ook allen die van nu af aan zullen sterven zonder kennis ervan, maar het met geheel hun hart azouden hebben aangenomen, zullen erfgenaam van dat koninkrijk zijn;

 want Ik, de Heer, zal alle mensen aoordelen naar hun bwerken, naar het cverlangen van hun hart.

 10 En ik zag ook dat alle kinderen die sterven eer ze de ajaren van verantwoordelijkheid bereikt hebben, bbehouden worden in het celestiale koninkrijk van de hemel.