AFDELING 38

Openbaring gegeven bij monde van de profeet Joseph Smith op 2 januari 1831 te Fayette (New York). (History of the Church, 1:140–143.) Dit vond plaats ten tijde van een conferentie van de kerk.

1–6: Christus heeft alle dingen geschapen; 7–8: Hij is te midden van zijn heiligen, die Hem spoedig zullen zien; 9–12: alle vlees is verdorven voor zijn aangezicht; 13–22: Hij heeft in tijd en in eeuwigheid een land van belofte voor zijn heiligen bewaard; 23–27: de heiligen geboden één te zijn en elkaar als broeders te achten; 28–29: oorlogen voorspeld; 30–33: de heiligen zullen macht uit den hoge ontvangen en uitgaan onder alle volken; 34–42: de kerk wordt geboden voor de armen en behoeftigen te zorgen en te zoeken naar de rijkdommen van de eeuwigheid.

 ALDUS zegt de Heer, uw God, ja, Jezus Christus, de Grote aIK BEN, de Alfa en de Omega, het bbegin en het einde, Hij die uitzag op de weidse uitgestrektheid van de eeuwigheid en alle serafijnse cheerscharen des hemels, deer de wereld was egemaakt;

 Hij die alle dingen aweet, want balle dingen zijn aanwezig voor mijn ogen;

 Ik ben het die gesproken heeft, en de wereld is agemaakt, en alle dingen zijn door Mij gekomen.

 Ik ben het die het aZion van Henoch aan mijn eigen boezem heeft genomen; en voorwaar, Ik zeg, ja, zovelen als er hebben bgeloofd in mijn naam, want Ik ben Christus, en in mijn eigen naam heb Ik, krachtens het cbloed dat Ik vergoten heb, bij de Vader voor hen gepleit.

 Maar zie, het overblijfsel van de agoddelozen heb Ik in bketenen van duisternis vastgehouden tot het coordeel van de grote dag, dat aan het einde der aarde zal komen;

 en evenzo zal Ik de goddelozen laten vasthouden, die mijn stem niet willen horen, maar hun hart verstokken, en wee, wee, wee is hun doem.

 Maar zie, voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat mijn aogen op u rusten. Ik ben in uw bmidden, en gij kunt Mij niet zien;

 maar de dag komt spoedig dat gij Mij wél zult azien en weten dat Ik ben; want de sluier van duisternis zal spoedig worden vaneengescheurd, en hij die niet bgereinigd is, zal de dag niet cverdragen.

 Daarom, omgordt uw lendenen en weest voorbereid. Zie, het akoninkrijk is van u, en de vijand zal niet overwinnen.

 10 Voorwaar, Ik zeg u: Gij zijt arein, doch niet allen; en er zijn geen anderen in wie Ik bwelbehagen heb;

 11 want alle avlees is verdorven voor mijn aangezicht; en de machten van bduisternis heersen op aarde onder de mensenkinderen, in de tegenwoordigheid van alle heerscharen des hemels —

 12 hetgeen stilte doet heersen, en de gehele eeuwigheid is agepijnigd, en de bengelen wachten op het grote bevel om de aarde af te cmaaien, om het donkruid te verzamelen om het te everbranden; en zie, de vijand is aaneengesloten.

 13 En nu toon Ik u een verborgenheid, iets wat binnenskamers plaatsvindt, ja, om na verloop van tijd uw aondergang teweeg te brengen, en gij wist het niet;

 14 maar nu vertel Ik het u, en gij zijt gezegend, niet wegens uw ongerechtigheid, noch wegens uw ongelovige hart; want voorwaar, sommigen van u zijn schuldig voor mijn aangezicht, maar Ik zal barmhartig zijn ten aanzien van uw zwakheid.

 15 Daarom, weest voortaan asterk; bvreest niet, want het koninkrijk is van u.

 16 En voor uw heil geef Ik u een gebod, want Ik heb uw gebeden gehoord en de aarmen hebben voor mijn aangezicht geklaagd en de brijken heb Ik gemaakt en alle vlees is het Mijne en Ik ben geen caannemer des persoons.

 17 En Ik heb de aarde rijk gemaakt, en zie, zij is mijn avoetbank, daarom zal Ik er wederom op staan.

 18 En Ik bied u grotere rijkdommen en acht het juist u die te geven, namelijk een land van belofte, een land vloeiende van melk en honing, waarop geen vervloeking zal rusten wanneer de Heer komt;

 19 en Ik zal het u geven als uw erfland, indien u ernaar streeft met uw gehele hart.

 20 En dit zal mijn verbond met u zijn: Gij zult het als uw erfland hebben, en als aerfgoed van uw kinderen voor eeuwig, zolang de aarde bestaat, en gij zult het wederom bezitten in eeuwigheid, en zij zal nooit meer voorbijgaan.

 21 Maar, voorwaar, Ik zeg u dat gij mettertijd geen koning of heerser zult hebben, want Ik zal uw aKoning zijn en over u waken.

 22 Daarom, hoort naar mijn stem en avolgt Mij, en u zult een bvrij volk zijn, en gij zult geen wetten hebben buiten mijn wetten wanneer Ik kom, want Ik ben uw cWetgever, en wat kan mijn hand weerhouden?

 23 Maar, voorwaar, Ik zeg u: aLeert elkaar overeenkomstig het ambt waartoe Ik u heb aangewezen;

 24 en laat ieder mens zijn broeder aachten als zichzelf, en bdeugd en cheiligheid voor mijn aangezicht betrachten.

 25 En wederom zeg Ik u: Laat ieder mens zijn broeder achten als zichzelf.

 26 Want welk mens onder u die twaalf zonen heeft en die geen aannemer des persoons is jegens hen, en zij dienen hem gehoorzaam, zegt tot de een: Wees gij gekleed in feestkledij en neem hier plaats; en tot de ander: Wees gij gekleed in lompen en neem daar plaats — en aanschouwt zijn zonen en zegt: Ik ben rechtvaardig?

 27 Zie, dit heb Ik u gegeven als een gelijkenis, en het is zoals Ik ben. Ik zeg u: Zijt aéén; en indien gij niet één zijt, zijt gij de mijnen niet.

 28 En voorts, Ik zeg u dat de vijand in de binnenkamers u naar het aleven staat.

 29 Gij hoort van aoorlogen in verre landen, en u zegt dat er spoedig grote oorlogen in verre landen zullen zijn, maar gij kent het hart van de mensen in uw eigen land niet.

 30 Ik vertel u deze dingen wegens uw gebeden; welnu, avergaartbwijsheid in uw boezem als een schat, opdat de goddeloosheid van de mensen u die dingen niet door hun goddeloosheid openbaart, op een wijze die met een luidere stem in uw oren zal klinken dan die welke de aarde zal doen schudden; maar indien gij voorbereid zijt, zult gij niet vrezen.

 31 En opdat gij zult ontsnappen aan de macht van de vijand, en tot mij zult worden vergaderd als rechtvaardig volk, zonder asmet en schuldeloos —

 32 welnu, om die reden heb Ik u het gebod gegeven dat gij naar aOhio moet gaan; en daar zal Ik u mijn bwet geven; en daar zult u worden cbegiftigd met macht uit den hoge;

 33 en daarvandaan zullen degenen die Ik wil, uitgaan onder aalle natiën, en het zal hun worden gezegd wat zij moeten doen; want Ik heb een groot werk in gereedheid liggen, want Israël zal worden bbehouden, en Ik zal hen leiden waarheen Ik ook wil, en geen enkele macht zal mijn hand cweerhouden.

 34 En nu geef Ik de kerkgemeente in deze streken een gebod dat bepaalde mannen onder hen zullen worden aangewezen, en zij zullen worden aangewezen door de astem van de kerkgemeente;

 35 en zij zullen zich om de armen en behoeftigen bekommeren en in hun behoeften avoorzien, opdat zij niet zullen lijden; en hen naar de plaats zenden die Ik hun heb geboden;

 36 en dit zal hun werk zijn, om de zaken in verband met het eigendom van deze kerk te besturen.

 37 En laten zij die een boerderij hebben die niet kan worden verkocht, die achterlaten of verpachten, naar het hun goeddunkt.

 38 Ziet erop toe dat alle dingen worden behouden; en wanneer mensen worden abegiftigd met macht uit den hoge en uitgezonden, zullen al die dingen in de schoot der kerk worden verzameld.

 39 En indien gij de arijkdommen zoekt die de Vader u volgens zijn wil geven wil, zult gij de rijksten van alle mensen zijn, want gij zult de rijkdommen van de eeuwigheid bezitten; en het moet zo zijn dat het aan Mij is de brijkdommen der aarde te geven; maar hoedt u voor choogmoed, opdat gij niet wordt zoals de dNephieten vanouds.

 40 En voorts, Ik zeg u: Ik geef u een gebod dat iedere man, zowel ouderling, priester, leraar, alsook lid, zich met al zijn kracht inzet, met de arbeid van zijn ahanden, om de dingen die Ik heb geboden voor te bereiden en te volbrengen.

 41 En laat uw aprediking de bwaarschuwende stem zijn, ieder mens tot zijn naaste, in mildheid en zachtmoedigheid.

 42 En gaat weg auit het midden der goddelozen. Redt u. Weest rein, gij die de vaten des Heren draagt. Ja, amen.