AFDELING 42

Openbaring gegeven bij monde van de profeet Joseph Smith op 9 februari 1831 te Kirtland (Ohio). (History of the Church, 1:148–154.) Deze werd ontvangen in de aanwezigheid van twaalf ouderlingen en ter vervulling van de eerder gedane belofte van de Heer dat de ‘wet’ zou worden gegeven in Ohio. (Zie afdeling 38:32.) De profeet specificeert deze openbaring als ‘behelzende de wet van de kerk’. (History of the Church, 1:148.)

1–10: de ouderlingen geroepen om het evangelie te prediken, bekeerlingen te dopen en de kerk op te bouwen; 11–12: zij moeten geroepen en geordend worden en dienen in de beginselen van het evangelie te onderwijzen die in de Schriften staan; 13–17: zij moeten onderwijzen en profeteren door de macht van de Geest; 18–29: de heiligen geboden niet te doden, te stelen, te liegen, te begeren, echtbreuk te plegen of kwaad te spreken over anderen; 30–39: wetten aangaande de toewijding van bezittingen uiteengezet; 40–42: hoogmoed en luiheid veroordeeld; 43–52: de zieken moeten door zalving en door geloof worden genezen; 53–60: de kerk wordt bestuurd volgens de Schriften; ze moeten de wereld worden verkondigd; 61–69: de plaats van het nieuwe Jeruzalem en de verborgenheden van het koninkrijk zullen worden geopenbaard; 70–73: toegewijde bezittingen moeten worden gebruikt om functionarissen van de kerk te onderhouden; 74–93: wetten aangaande ontucht, echtbreuk, doden, stelen en het belijden van zonden uiteengezet.

 LUISTERT, o gij ouderlingen van mijn kerk, die zich hebt bijeenverzameld in mijn naam, ja, Jezus Christus, de Zoon van de levende God, de Heiland van de wereld; omdat gij in mijn naam gelooft en mijn geboden onderhoudt.

 Wederom zeg Ik u: Luistert en hoort en gehoorzaamt de awet die Ik u geven zal.

 Want voorwaar, Ik zeg: Daar gij u bijeenverzameld hebt volgens het agebod waarmee Ik u geboden heb, en eensgezind zijt baangaande deze ene zaak, en de Vader in mijn naam hebt gevraagd, alzo zult gij ontvangen.

 Zie, voorwaar, Ik zeg u: Ik geef u dit eerste gebod, dat gij in mijn naam zult uitgaan, eenieder van u, behalve mijn dienstknechten Joseph Smith jr. en Sidney Rigdon.

 En Ik geef hun een gebod dat zij voor een korte tijd zullen uitgaan, en het zal door de macht van de aGeest worden ingegeven wanneer zij zullen terugkeren.

 En gij zult uitgaan in de macht van mijn Geest, atwee aan twee mijn evangelie predikend, in mijn naam, uw stem verheffend als het ware met het geluid van een bazuin, mijn woord verkondigend gelijk engelen van God.

 En gij zult uitgaan, dopende met water, zeggende: Bekeert u, bekeert u, want het koninkrijk van de hemel is nabij.

 En vanaf deze plaats zult gij uitgaan naar de streken westwaarts; en voor zoverre gij diegenen vindt die u willen ontvangen, zult gij mijn kerk in iedere streek opbouwen —

 tot de tijd komt dat het u uit den hoge wordt geopenbaard, wanneer de astadbNieuw-Jeruzalem wordt gevestigd, opdat gij cbijeenvergaderd kunt worden, opdat gij mijn dvolk kunt zijn, en Ik zal uw God zijn.

 10 En voorts, Ik zeg u dat mijn dienstknecht aEdward Partridge zal staan in het ambt waartoe Ik hem heb aangewezen. En het zal geschieden dat indien hij overtreedt, er een bander in zijn plaats zal worden aangewezen. Ja, amen.

 11 Voorts zeg Ik u dat het niemand zal worden gegeven uit te gaan om mijn evangelie te aprediken, of om mijn kerk op te bouwen, tenzij hij is bgeordend door iemand die het cgezag daartoe bezit, en het de kerk bekend is dat hij bevoegd is en door de hoofden van de kerk op de juiste wijze geordend is.

 12 En voorts, de aouderlingen, priesters en leraren van deze kerk zullen in de beginselen van mijn evangelie bonderwijzen, die in de cBijbel staan, en in het dBoek van Mormon, dat de volheid van het eevangelie bevat.

 13 En zij zullen de verbonden en kerkelijke voorschriften nakomen en ze doen, en die zullen hun leringen zijn, zoals zij door de Geest geleid zullen worden.

 14 En de Geest zal u gegeven worden door het gelovige agebed; en indien gij de bGeest niet ontvangt, zult gij niet onderwijzen.

 15 En dit alles zult gij nauwgezet doen zoals Ik heb geboden in verband met uw onderwijs, totdat de volheid van mijn aSchriften gegeven is.

 16 En wanneer gij uw stem door de aTrooster verheft, zult gij spreken en profeteren zoals het Mij goeddunkt;

 17 want zie, de Trooster weet alle dingen en geeft getuigenis van de Vader en van de Zoon.

 18 En nu, zie, spreek Ik tot de kerk. Gij zult niet adoden; en wie bdoodt zal geen vergeving in deze wereld hebben, noch in de toekomende wereld.

 19 En wederom zeg Ik: Gij zult niet doden; want wie doodt, zal asterven.

 20 Gij zult niet astelen; en wie steelt en zich niet wil bekeren, zal uitgeworpen worden.

 21 Gij zult niet aliegen; wie liegt en zich niet wil bekeren, zal uitgeworpen worden.

 22 Gij zult uw vrouw aliefhebben met geheel uw hart, en haar baankleven en geen ander.

 23 En wie een vrouw aanziet om haar te abegeren, zal het geloof verloochenen en zal de Geest niet hebben; en als hij zich niet bekeert, zal hij uitgeworpen worden.

 24 Gij zult niet aechtbreken; en wie echtbreuk pleegt en zich niet bekeert, zal uitgeworpen worden.

 25 Maar hem die echtbreuk heeft gepleegd en zich met geheel zijn hart abekeert, en het verzaakt, en het niet meer doet, zult gij bvergeven;

 26 maar als hij het awederom doet, zal het hem niet vergeven worden, maar hij zal uitgeworpen worden.

 27 Gij zult niet akwaadspreken over uw naaste, noch hem enige schade berokkenen.

 28 Gij weet dat mijn wetten aangaande deze dingen in mijn Schriften gegeven zijn; wie zondigt en zich niet bekeert, zal auitgeworpen worden.

 29 Indien gij Mij aliefhebt, zult gij Mij bdienen en al mijn geboden conderhouden.

 30 En zie, gij zult aan de aarmen denken, en hetgeen gij hun te geven hebt van uw bezittingen voor hun bonderhoud, ctoewijden met een verbond en een akte die niet te verbreken zijn.

 31 En voor zoverre gij van uw bezit ageeft aan de barmen, geeft gij het aan Mij; en het moet worden voorgelegd aan de cbisschop van mijn kerk en zijn raadgevers, twee van de ouderlingen of hogepriesters, die hij zal aanwijzen of heeft aangewezen en daangesteld voor dat doel.

 32 En het zal geschieden dat wanneer het de bisschop van mijn kerk is voorgelegd, en nadat hij deze verklaringen aangaande de atoewijding van de bezittingen van mijn kerk heeft ontvangen, zodat ze de kerk niet ontnomen kunnen worden, overeenkomstig mijn geboden, dat ieder mens aan Mij bverantwoording verschuldigd zal zijn, als crentmeester over zijn eigen bezit, of over hetgeen hij door middel van toewijding heeft ontvangen, zoveel als voor hemzelf en zijn gezin dtoereikend is.

 33 En voorts, als er na deze eerste toewijding meer bezittingen in handen van de kerk of van haar leden zijn dan voor hun onderhoud nodig is, hetgeen een aoverschot is dat aan de bisschop toegewijd moet worden, dan moet het bewaard worden om er van tijd tot tijd van te geven aan hen die niet hebben, opdat eenieder die iets nodig heeft in ruime mate wordt voorzien en naar zijn behoeften ontvangt.

 34 Daarom moet het overschot in mijn voorraadhuis worden bewaard om de armen en de behoeftigen te helpen, zoals door de hoge raad van de kerk en de bisschop en zijn raad wordt bepaald;

 35 en met het doel land te kopen voor het algemeen welzijn van de kerk, en bedehuizen te bouwen en aNieuw-Jeruzalem op te bouwen, dat hierna zal worden geopenbaard —

 36 opdat mijn verbondsvolk bijeenvergaderd kan worden ten dage dat Ik tot mijn atempelbkom. En dit doe Ik voor de redding van mijn volk.

 37 En het zal geschieden dat wie zondigt en zich niet bekeert, uit de kerk zal worden ageworpen, en hetgeen hij btoegewijd heeft aan de armen en behoeftigen van mijn kerk, of met andere woorden aan Mij, niet zal terugontvangen —

 38 want voor zoverre gij het aan de minsten van dezen adoet, doet gij het aan Mij.

 39 Want het zal geschieden dat wat Ik bij monde van mijn profeten gesproken heb, vervuld zal worden; want Ik zal een deel van de rijkdommen van diegenen onder de andere volken die mijn evangelie omhelzen, toewijden aan de armen van mijn volk die van het huis van Israël zijn.

 40 En voorts, gij zult niet ahooghartig zijn; laat al uw bkleding eenvoudig zijn, en de schoonheid ervan de schoonheid van het werk van uw eigen handen;

 41 en laten alle dingen in reinheid voor mijn aangezicht worden gedaan.

 42 Gij zult niet alui zijn; want wie lui is, zal van de arbeider noch het brood eten, noch de kleding dragen.

 43 En wie onder u aziek zijn en niet het geloof hebben om genezen te worden, maar toch gelovig zijn, zullen met alle tederheid verzorgd worden, met kruiden en lichte kost, en dat niet door de hand van een vijand.

 44 En de ouderlingen van de kerk, twee of meer, moeten geroepen worden, en zij zullen voor hen bidden en hun in mijn naam de ahanden opleggen; en als zij sterven, bsterven zij voor Mij, en als zij leven, leven zij voor Mij.

 45 Gij zult in aliefde met elkaar bleven, zodat gij zult cwenen om het verlies van hen die sterven, en vooral van hen die geen dhoop hebben op een heerlijke opstanding.

 46 En het zal geschieden dat zij die in Mij sterven, de adood niet zullen smaken, want die zal bzoet voor hen zijn;

 47 en zij die niet in Mij sterven, wee hun, want hun dood is bitter.

 48 En voorts, het zal geschieden dat wie ageloof in Mij heeft om bgenezen te worden, en niet ten dode is cbestemd, zal genezen.

 49 Wie geloof heeft om te zien, zal zien.

 50 Wie geloof heeft om te horen, zal horen.

 51 De lamme die geloof heeft om op te springen, zal opspringen.

 52 En wie niet het geloof hebben om deze dingen te doen, maar wél in Mij geloven, hebben de macht om mijn azonen te worden; en voor zoverre zij mijn wetten niet schenden, zult gij hun zwakheden bverdragen.

 53 Gij zult standhouden op de plaats van uw arentmeesterschap.

 54 Gij zult het kleed van uw broeder niet wegnemen; gij zult betalen voor hetgeen gij van uw broeder ontvangt.

 55 En indien gij meer averkrijgt dan hetgeen voor uw onderhoud nodig is, zult gij het naar mijn bvoorraadhuis brengen, opdat alle dingen gedaan zullen worden overeenkomstig hetgeen Ik gezegd heb.

 56 Gij zult vragen, en mijn aSchriften zullen gegeven worden zoals Ik beschikt heb, en zij moeten veilig worden bbewaard;

 57 en het is raadzaam dat gij het stilzwijgen daarover bewaart en er niet in onderwijst totdat gij ze volledig hebt ontvangen.

 58 En Ik geef u een gebod dat gij dan alle mensen daarin onderwijzen zult, want aalle natiën, geslachten, talen en volken zullen daarin onderwezen worden.

 59 Gij zult de dingen die gij ontvangen hebt, die u in mijn Schriften als wet gegeven zijn, aanvaarden als mijn wet voor het besturen van mijn kerk;

 60 en wie naar die dingen ahandelt, zal behouden worden, en wie er niet naar handelt, zal bverdoemd worden als hij zo doorgaat.

 61 Indien gij vraagt, zult gij aopenbaring op openbaring, bkennis op kennis ontvangen, opdat gij de cverborgenheden en de dvredige dingen zult kennen — datgene wat evreugde brengt, datgene wat het eeuwige leven brengt.

 62 Gij zult vragen, en het zal u in de door Mij bestemde tijd geopenbaard worden waar aNieuw-Jeruzalem gebouwd zal worden.

 63 En zie, het zal geschieden dat mijn dienstknechten uitgezonden zullen worden naar het oosten en naar het westen, naar het noorden en naar het zuiden.

 64 Maar laat wie nu naar het oosten gaat, hun die bekeerd zullen worden leren om naar het awesten te vluchten, en wel wegens hetgeen er op aarde gaat komen, en wegens bgeheime verenigingen.

 65 Zie, gij zult al deze dingen nakomen, en groot zal uw beloning zijn; want u is het gegeven de verborgenheden van het koninkrijk te kennen, maar de wereld is het niet gegeven ze te kennen.

 66 Gij zult de wetten die gij ontvangen hebt, nakomen en getrouw zijn.

 67 En gij zult hierna kerkelijke averbonden ontvangen, die voldoende zullen zijn om u te vestigen, zowel hier als in Nieuw-Jeruzalem.

 68 Welnu, laat wie in awijsheid tekortschiet, Mij erom vragen, en Ik zal hem mildelijk geven en hem niet verwijten.

 69 Heft uw hart op en juicht, want het akoninkrijk, of met andere woorden, de bsleutels van de kerk, zijn gegeven. Ja, amen.

 70 De apriesters en bleraren zullen hun crentmeesterschap hebben, evenals de leden.

 71 En de gezinnen van de ouderlingen of hogepriesters die aangewezen zijn om de bisschop in alle dingen als raadgever bij te staan, moeten onderhouden worden uit het bezit dat de bisschop atoegewijd is voor het welzijn van de armen en voor andere doeleinden, zoals eerder genoemd;

 72 ofwel zij moeten een billijke vergoeding voor al hun diensten ontvangen, in de vorm van een rentmeesterschap of anderszins, zoals het de raadgevers en bisschop goeddunkt of door hen wordt besloten.

 73 En ook de bisschop zal zijn onderhoud of een billijke vergoeding ontvangen voor al zijn diensten in de kerk.

 74 Zie, voorwaar, Ik zeg u dat wie ook onder u hun huwelijkspartner weggezonden hebben wegens aontucht, of met andere woorden, als zij in alle nederigheid van hart tegenover u getuigen dat zulks het geval is, dan zult gij hen niet uit uw midden uitwerpen;

 75 Maar indien gij ontdekt dat mensen hun huwelijkspartner wegens aoverspel verlaten hebben, en zij zelf de overtreder zijn, en hun huwelijkspartner in leven is, zullen zij wél uit uw midden buitgeworpen worden.

 76 En voorts, Ik zeg u dat gij awaakzaam en voorzichtig zult zijn, met grondige ondervraging, opdat gij zulke mensen niet onder u aanneemt indien zij gehuwd zijn;

 77 en indien zij niet gehuwd zijn, zullen zij zich van al hun zonden bekeren, anders zult gij hen niet aannemen.

 78 En voorts, eenieder die tot deze kerk van Christus behoort, zal alle geboden en verbonden van de kerk nauwgezet nakomen.

 79 En het zal geschieden dat als mensen onder u adoden, zij overgeleverd zullen worden, en er met hen gehandeld zal worden volgens de wetten van het land; want bedenkt dat hij geen vergeving heeft; en het moet volgens de wetten van het land bewezen worden.

 80 En indien een man of vrouw overspel pleegt, zal hij of zij verhoord worden ten overstaan van twee ouderlingen van de kerk, of meer, en ieder woord zal tegen hem of haar vast komen te staan door twee getuigen van de kerk, en niet van de vijand; maar indien er meer dan twee getuigen zijn, is dat beter.

 81 Maar hij of zij zal aangeklaagd worden op de verklaring van twee getuigen; en de ouderlingen zullen de zaak voorleggen aan de kerk, en de kerk zal de hand tegen hem of haar opheffen, opdat er met hen gehandeld wordt overeenkomstig de wet van God.

 82 En indien het mogelijk is, is het nodig dat de bisschop ook aanwezig is.

 83 En zo zult gij handelen in alle gevallen die u voorgelegd worden.

 84 En indien een man of vrouw rooft, zal hij of zij overgeleverd worden aan de wet van het land.

 85 En indien hij of zij asteelt, zal hij of zij overgeleverd worden aan de wet van het land.

 86 En indien hij of zij aliegt, zal hij of zij overgeleverd worden aan de wet van het land.

 87 En indien hij of zij enigerlei ongerechtigheid bedrijft, zal hij of zij overgeleverd worden aan de wet, ja, die van God.

 88 En indien uw abroeder of zuster u bonrecht doet, zult gij met hem of haar onder vier ogen spreken; en indien hij of zij cbekent, zult gij tot verzoening komen.

 89 En indien hij of zij niet bekent, zult gij hem of haar overleveren aan de kerk, niet aan de leden, maar aan de ouderlingen. En het zal plaatsvinden in een vergadering, en niet ten overstaan van de wereld.

 90 En indien uw broeder of zuster velen onrecht doet, zal hij of zij abestraft worden ten overstaan van velen.

 91 En indien iemand openlijk onrecht doet, zal hij of zij openlijk berispt worden, opdat hij of zij beschaamd zal worden. En indien hij of zij niet bekent, zal hij of zij overgeleverd worden aan de wet van God.

 92 Indien iemand in het verborgen onrecht doet, zal hij of zij berispt worden in het verborgen, opdat hij of zij gelegenheid zal hebben in het verborgen te bekennen aan hem of haar tegen wie hij of zij onrecht heeft gedaan, en ook aan God, opdat de kerk niet smadelijk over hem of haar zal spreken.

 93 En aldus zult gij in alle dingen handelen.