AFDELING 50

Openbaring gegeven bij monde van de profeet Joseph Smith in mei 1831 te Kirtland (Ohio). (History of the Church, 1:170–173.) De profeet verklaart dat sommige ouderlingen de manifestaties van verschillende geesten, die op aarde rondwaren, niet begrepen hebben, en dat deze openbaring was gegeven als antwoord op zijn specifieke vraag over deze kwestie. Zogenaamde geestelijke verschijnselen waren niet ongewoon onder de leden, van wie er enkelen beweerden visioenen en openbaringen te ontvangen.

1–5: er zijn overal op aarde vele valse geesten; 6–9: wee de huichelaars en degenen die van de kerk afgesneden worden; 10–14: de ouderlingen moeten het evangelie door de Geest prediken; 15–22: zowel de predikers als de toehoorders moeten door de Geest verlicht worden; 23–25: hetgeen niet opbouwt, is niet van God; 26–28: de getrouwen zijn de bezitters van alle dingen; 29–36: de gebeden van de gelouterden verhoord; 37–46: Christus is de goede herder en de steenrots Israëls.

 LUISTERT, o gij ouderlingen van mijn kerk en neigt uw oor tot de stem van de levende God; en schenkt aandacht aan de woorden van wijsheid die u gegeven zullen worden, naargelang gij gevraagd hebt en eensgezind zijt aangaande de kerk en de geesten die overal op aarde zijn uitgegaan.

 Zie, voorwaar, Ik zeg u dat er vele geesten zijn die avalse geesten zijn, die over de aarde zijn uitgegaan en de wereld misleiden.

 En ook aSatan heeft getracht u te misleiden, opdat hij u ten val zou kunnen brengen.

 Zie, Ik, de Heer, heb u gadegeslagen en heb gruwelen gezien in de kerk die mijn naam abelijdt.

 Maar gezegend zijn zij die getrouw zijn en avolharden, hetzij in het leven of in de dood, want zij zullen het eeuwige leven beërven.

 Maar wee hun die abedriegers en huichelaars zijn, want, zo zegt de Heer: Ik zal hen ten oordeel dagen.

 Zie, voorwaar, Ik zeg u: Er zijn ahuichelaars onder u, die sommigen misleid hebben, hetgeen de btegenstandercmacht gegeven heeft; maar zie, dzij zullen teruggewonnen worden;

 maar de huichelaars zullen ontdekt en aafgesneden worden, hetzij in het leven of in de dood, zoals Ik wil; en wee hun die van mijn kerk afgesneden worden, want die worden door de wereld overwonnen.

 Daarom, laat ieder mens oppassen, opdat hij niet doet wat geen waarheid en gerechtigheid is voor mijn aangezicht.

 10 En komt nu, zegt de Heer, door de Geest, tot de ouderlingen van zijn kerk, en laten wij tezamen aredeneren, opdat gij begrijpen zult;

 11 laten wij redeneren zoals de ene mens van aangezicht tot aangezicht met de andere redeneert.

 12 Welnu, wanneer een mens redeneert, begrijpen de mensen hem, omdat hij als mens redeneert; evenzo zal Ik, de Heer, met u redeneren, opdat u abegrijpen zult.

 13 Daarom stel Ik, de Heer, u deze vraag: Waartoe zijt gij ageordend?

 14 Om mijn evangelie te prediken door de aGeest, namelijk de bTrooster, die uitgezonden is om in de waarheid te onderwijzen.

 15 En toen hebt gij ageesten ontvangen die gij niet hebt kunnen begrijpen, en gij hebt ze ontvangen alsof zij van God waren; en zijt gij daarin gerechtvaardigd?

 16 Zie, gij zult die vraag zelf beantwoorden; niettemin zal Ik barmhartig jegens u zijn; wie onder u zwak is, zal hierna asterk gemaakt worden.

 17 Voorwaar, Ik zeg u: Wie door Mij geordend en uitgezonden is om het woord der waarheid te aprediken door de Trooster, in de bGeest der waarheid, predikt hij door de Geest der waarheid of op een andere wijze?

 18 En indien het op een andere wijze gebeurt, is het niet van God.

 19 En voorts, wie het woord der waarheid ontvangt, ontvangt hij het door de Geest der waarheid of op een andere wijze?

 20 Indien het op een andere wijze gebeurt, is het niet van God.

 21 Daarom, hoe komt het dat gij niet kunt begrijpen en weten dat wie het woord door de Geest der waarheid ontvangt, het ontvangt zoals het door de Geest der waarheid gepredikt wordt?

 22 Daarom begrijpen hij die predikt en hij die ontvangt elkaar en beiden worden aopgebouwd en bverblijden zich tezamen.

 23 En hetgeen niet opbouwt, is niet van God, en is aduisternis.

 24 Hetgeen van God is, is alicht; en wie licht ontvangt en in God bblijft, ontvangt cmeer licht; en dat licht wordt steeds helderder tot de volle dag toe.

 25 En voorts, voorwaar, Ik zeg u, en Ik zeg het opdat u de awaarheid zult verstaan, opdat u de duisternis uit uw midden verdrijven zult;

 26 wie door God geordend en uitgezonden is, die is aangewezen om de agrootste te zijn, ook al is hij de minste en aller bdienstknecht.

 27 Daarom is hij de abezitter van alle dingen; want alle dingen zijn aan hem onderworpen, zowel in de hemel als op aarde, het leven en het licht, de Geest en de bmacht, uitgezonden door de wil van de Vader door middel van Jezus Christus, zijn Zoon.

 28 Maar niemand is de bezitter van alle dingen, tenzij hij agelouterd en bgereinigd is van alle zonde.

 29 En indien gij gelouterd en gereinigd zijt van alle zonde, zult gij in de naam van Jezus avragen wat u maar wilt, en het zal gebeuren.

 30 Maar weet dit: u zal gegeven worden wat u vraagt; en omdat gij aan het ahoofd zijt gesteld, zullen de geesten aan u onderworpen zijn.

 31 Daarom zal het geschieden dat gij, als u een ageest zich ziet manifesteren die u niet kunt begrijpen, en u die geest niet ontvangt, de Vader in de naam van Jezus moet vragen; en als Hij u die geest niet geeft, dan zult u weten dat die niet van God is.

 32 En het zal u gegeven worden amacht over die geest te hebben; en u zult met luide stem tegen die geest getuigen dat hij niet van God is —

 33 niet met een aschimpende beschuldiging, opdat gij niet overweldigd wordt, noch met bgrootspraak of vreugdebetoon, opdat u er niet door gegrepen wordt.

 34 Hij die van God ontvangt, laat hem het beschouwen als van God; en laat hem zich verheugen dat hij door God waardig geacht wordt om te ontvangen.

 35 En door op deze dingen die gij hebt ontvangen, en die gij hierna zult ontvangen, acht te slaan en ze te doen — en het akoninkrijk is u door de Vader gegeven, en bmacht om alle dingen te overwinnen die niet door Hem zijn verordonneerd —

 36 en zie, voorwaar, Ik zeg u: Gezegend bent u die nu mijn woorden hoort uit de mond van mijn dienstknecht, want uw zonden zijn u avergeven.

 37 Laten mijn dienstknecht Joseph Wakefield, in wie Ik welbehagen heb, en mijn dienstknecht aParley P. Pratt uitgaan onder de gemeenten en die sterken door het woord van baansporing;

 38 en ook mijn dienstknecht John Corrill, of zovelen van mijn dienstknechten als er tot dit ambt geordend zijn, en laten zij arbeiden in de awijngaard; en laat niemand hen verhinderen te doen wat Ik hun opgedragen heb —

 39 daarom is mijn dienstknecht aEdward Partridge hierin niet gerechtvaardigd; niettemin, laat hem zich bekeren en het zal hem vergeven worden.

 40 Zie, gij zijt kinderkens en gij kunt nu niet alle dingen averdragen; gij moet btoenemen in cgenade en in kennis van de dwaarheid.

 41 aVreest niet, bkinderkens, want u bent de mijnen, en Ik heb de wereld coverwonnen; en u behoort tot hen die mijn Vader Mij dgegeven heeft;

 42 en niemand van hen die mijn Vader Mij gegeven heeft, zal averloren gaan.

 43 En de Vader en Ik zijn aéén. Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij; en omdat gij Mij aangenomen hebt, zijt gij in Mij en ben Ik in u.

 44 Welnu, Ik ben in uw midden, en Ik ben de agoede herder, en de bsteenrots Israëls. Wie op deze crots bouwt, zal dnimmer vallen.

 45 En de dag komt dat u mijn stem zult horen en Mij azien, en weten dat Ik ben.

 46 aWaakt dan, opdat gij bgereed zult zijn. Ja, amen.