AFDELING 68

Openbaring gegeven bij monde van de profeet Joseph Smith in november 1831 te Hiram (Ohio) op verzoek van Orson Hyde, Luke S. Johnson, Lyman E. Johnson en William E. McLellin. (History of the Church, 1:227–229.) Hoewel deze openbaring werd gegeven in antwoord op de smeekbede dat de bedoeling van de Heer met de genoemde ouderlingen zou worden bekendgemaakt, heeft een groot deel ervan betrekking op de gehele kerk.

1–5: de woorden van de ouderlingen wanneer zij gedreven worden door de Heilige Geest, zijn Schriftuur; 6–12: de ouderlingen moeten prediken en dopen, en tekenen zullen de ware gelovigen volgen; 13–24: de eerstgeborenen onder de zonen van Aäron mogen, in opdracht van het Eerste Presidium, als presiderende bisschop fungeren (dat wil zeggen: de sleutels dragen van het presideren als bisschop); 25–28: ouders krijgen het gebod hun kinderen het evangelie te leren; 29–35: de heiligen moeten de sabbat onderhouden, ijverig werken en bidden.

 MIJN dienstknecht Orson Hyde is door zijn ordening geroepen om het eeuwigdurend evangelie door de aGeest van de levende God te verkondigen van volk tot volk en van land tot land, in de gemeenten van de goddelozen, in hun synagogen, om met hen te redeneren en hun alle Schriften uit te leggen.

 En zie, dit is een voorbeeld voor allen die tot dit priesterschap zijn geordend, wie het als hun zending is opgedragen om uit te gaan —

 En dit is het voorbeeld voor hen, dat zij moeten aspreken zoals zij door de Heilige Geest gedreven worden.

 En wat zij ook spreken wanneer gedreven door de aHeilige Geest, zal Schriftuur zijn, zal de wil des Heren zijn, zal de zin des Heren zijn, zal het woord des Heren zijn, zal de stem des Heren zijn, en de bmacht Gods tot behoudenis.

 Zie, dit is de belofte des Heren aan u, o gij, mijn dienstknechten.

 Welnu, houdt moed en avreest niet, want Ik, de Heer, ben met u en zal u bijstaan; en gij zult getuigen van Mij, ja, Jezus Christus, dat Ik de Zoon van de levende God ben, dat Ik was, dat Ik ben en dat Ik komen zal.

 Dit is het woord des Heren aan u, mijn dienstknecht aOrson Hyde, en ook aan mijn dienstknecht Luke Johnson, en aan mijn dienstknecht Lyman Johnson, en aan mijn dienstknecht William E. McLellin, en aan alle trouwe ouderlingen van mijn kerk —

 agaat heen in de gehele wereld, bverkondigt het evangelie aan ieder cschepsel, handelend met het dgezag dat Ik u heb gegeven, edopende in de naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest.

 En awie gelooft en zich laat dopen, zal bbehouden worden, en wie niet gelooft, zal cverdoemd worden.

 10 En wie gelooft, zal gezegend worden met atekenen die erop volgen, gelijk geschreven staat.

 11 En u zal het gegeven worden de atekenen der tijden te kennen, en de tekenen van de komst van de Zoon des Mensen;

 12 en voor allen van wie de Vader getuigt, zal u macht worden gegeven om hen voor het eeuwige leven te averzegelen. Amen.

 13 En nu, wat de punten betreft naast de verbonden en geboden, het zijn deze —

 14 hierna, in de bestemde tijd des Heren, zullen er nog andere abisschoppen moeten worden aangesteld ten behoeve van de kerk, om te dienen zoals de eerste;

 15 welnu, het zullen ahogepriesters zijn die het waardig zijn, en zij zullen worden aangewezen door het bEerste Presidium van de Melchizedekse priesterschap, tenzij het letterlijke afstammelingen van cAäron zijn.

 16 En indien het letterlijke afstammelingen van aAäron zijn, hebben zij wettelijk recht op het bisschopsambt, indien zij de eerstgeborene onder de zonen van Aäron zijn;

 17 want de eerstgeborene heeft het recht op het presidentschap van dit priesterschap, en op de asleutels of het gezag daarvan.

 18 Niemand heeft wettelijk recht op dit ambt, op het dragen van de sleutels van dit priesterschap, tenzij hij een aletterlijke afstammeling en de eerstgeborene van Aäron is.

 19 Maar aangezien een ahogepriester in het Melchizedeks priesterschap bevoegd is om in alle lagere ambten te officiëren, mag hij in het ambt van bbisschop officiëren wanneer er geen letterlijke afstammeling van Aäron te vinden is, mits hij tot die macht wordt geroepen en aangesteld en geordend onder de handen van het Eerste Presidium van de Melchizedekse priesterschap.

 20 En ook een letterlijke afstammeling van Aäron moet door dat presidium worden aangeduid en dat ambt waardig worden bevonden en worden agezalfd en bgeordend onder de handen van dat presidium, anders zijn zij niet wettelijk bevoegd om in hun priesterschap te officiëren.

 21 Maar krachtens het besluit aangaande hun recht op het priesterschap dat overgaat van vader op zoon, kunnen zij aanspraak maken op hun zalving, indien zij te eniger tijd hun afstamming kunnen bewijzen, of die te weten komen door openbaring van de Heer onder de handen van het bovengenoemde presidium.

 22 En voorts, geen enkele bisschop of hogepriester die tot deze bediening wordt aangesteld, zal wegens enige overtreding worden verhoord of veroordeeld, dan alleen door het aEerste Presidium van de kerk;

 23 en voor zoverre hij ten overstaan van dit presidium schuldig wordt bevonden door getuigenissen die niet in twijfel kunnen worden getrokken, zal hij veroordeeld worden;

 24 en indien hij zich bekeert, zal hij avergeving ontvangen, volgens de verbonden en geboden van de kerk.

 25 En voorts, voor zoverre aouders kinderen hebben in Zion, of in een van haar georganiseerde bringen, en hun niet de leer van bekering en geloof in Christus, de Zoon van de levende God, cleren begrijpen, en van de doop geloof in Christus, de Zoon van de levende God, en van de doop en de gave van de Heilige Geest door handoplegging wanneer zij dacht jaar oud zijn, dan zal de ezonde op het hoofd van de ouders rusten.

 26 Want dat zal een wet zijn voor de inwoners van aZion, of in al haar georganiseerde ringen.

 27 En hun kinderen zullen worden agedoopt tot bvergeving van hun zonden wanneer zij cacht jaar oud zijn, en de handoplegging ontvangen.

 28 En zij zullen hun kinderen ook leren abidden en oprecht leren wandelen voor het aangezicht des Heren.

 29 En de inwoners van Zion zullen ook de asabbatdag vieren om die heilig te houden.

 30 En de inwoners van Zion zullen ook in alle getrouwheid hun arbeid indachtig zijn, voor zoverre zij zijn aangewezen om te arbeiden; want de luiaard zal voor het aangezicht des Heren in herinnering worden gebracht.

 31 Welnu, de inwoners van Zion zijn Mij, de Heer, niet welgevallig, want er bevinden zich aluiaards onder hen; en tevens groeien hun kinderen op in bgoddeloosheid; evenmin czoeken zij ernstig de rijkdommen der eeuwigheid; integendeel, hun ogen staan vol hebzucht.

 32 Die dingen behoren niet zo te zijn en moeten uit hun midden worden weggedaan; daarom, laat mijn dienstknecht Oliver Cowdery deze woorden naar het land Zion brengen.

 33 En Ik geef hun een gebod — laat wie zijn agebeden tot de Heer niet op de gezette tijd in acht neemt, voor de rechter van mijn volk in bherinnering worden gebracht.

 34 Deze awoorden zijn waar en betrouwbaar; daarom, overtreedt ze niet en bneemt er ook niet van weg.

 35 Zie, Ik ben de aAlfa en de Omega en Ik bkom spoedig. Amen.