AFDELING 75

Openbaring gegeven bij monde van de profeet Joseph Smith op 25 januari 1832 te Amherst (Ohio). (History of the Church, 1:242–245.) De aanleiding was een eerder vastgestelde conferentie, waarop Joseph Smith werd gesteund en geordend als president van de hoge priesterschap. Bepaalde ouderlingen die moeilijkheden waren tegengekomen bij het begrijpelijk maken van hun boodschap aan de mensen, wilden meer bijzonderheden te weten komen van hun onmiddellijke taken. Deze openbaring volgde.

1–5: getrouwe ouderlingen die het evangelie prediken, zullen het eeuwige leven verkrijgen; 6–12: bidt om de Trooster te mogen ontvangen, die in alle dingen onderwijst; 13–22: ouderlingen zullen hen die hun boodschap verwerpen, oordelen; 23–36: van zendelingen moeten hulp ontvangen van de kerk.

 VOORWAAR, voorwaar, Ik zeg u: Ik die spreek door de astem van mijn Geest, ja, de bAlfa en de Omega, uw Heer en uw God —

 luistert, o gij die uw naam hebt opgegeven om uit te gaan om mijn evangelie te verkondigen en mijn awijngaard te bsnoeien.

 Zie, Ik zeg u dat het mijn wil is dat u uitgaat en niet blijft, noch alui zijt, maar arbeidt uit alle macht —

 en uw stem verheft als met het geluid van een bazuin, en de awaarheidbverkondigt volgens de openbaringen en geboden die Ik u heb gegeven.

 En aldus, indien gij getrouw zijt, zult gij met vele aschoven worden beladen en bbekroond met ceer en dheerlijkheid en eonsterfelijkheid en feeuwig leven.

 Welnu, voorwaar, Ik zeg tot mijn dienstknecht William E. McLellin: Ik aherroep de opdracht die Ik hem heb gegeven om naar de oostelijke gebieden te gaan;

 en Ik geef hem een nieuwe opdracht en een nieuw gebod, waarin Ik, de Heer, hem akastijd wegens het bgemor van zijn hart;

 en hij heeft gezondigd; niettemin vergeef Ik hem en zeg hem wederom: Ga naar de zuidelijke gebieden.

 En laat mijn dienstknecht Luke Johnson met hem meegaan en laten zij de dingen verkondigen die Ik hun heb geboden —

 10 de naam des Heren aanroepende om de aTrooster, die hun alle dingen zal leren die nuttig voor hen zijn —

 11 altijd abiddende dat zij niet zullen verslappen; en voor zoverre zij dat doen, zal Ik met hen zijn, ja, tot het einde.

 12 Zie, dat is de wil van de Heer, uw God, aangaande u. Ja, amen.

 13 En voorts, voorwaar, aldus zegt de Heer: Laten mijn dienstknecht aOrson Hyde en mijn dienstknecht bSamuel H. Smith zich op reis begeven naar de oostelijke gebieden en de dingen verkondigen die Ik hun geboden heb; en voor zoverre zij getrouw zijn, zie, zal Ik cmet hen zijn, ja, tot het einde.

 14 En voorts, voorwaar, Ik zeg tot mijn dienstknecht Lyman Johnson en tot mijn dienstknecht aOrson Pratt: Ook zij moeten zich op reis begeven naar de oostelijke gebieden; en zie, ja, Ik ben ook met hen, ja, tot het einde.

 15 En voorts, Ik zeg tot mijn dienstknecht Asa Dodds en tot mijn dienstknecht Calves Wilson, dat ook zij zich op reis moeten begeven naar de westelijke gebieden en mijn evangelie verkondigen, zoals Ik hun heb geboden.

 16 En wie getrouw is, zal alle dingen overwinnen en zal worden averhoogd op de laatste dag.

 17 En voorts, Ik zeg tot mijn dienstknecht Major N. Ashley en mijn dienstknecht Burr Riggs: Laten ook zij zich op reis begeven naar het zuidelijke gebied.

 18 Ja, laten zij allen zich op reis begeven, zoals Ik hun heb geboden, en van huis tot huis trekken, en van dorp tot dorp en van stad tot stad.

 19 En welk huis gij ook binnentreedt waar zij u ontvangen, laat uw zegen achter op dat huis.

 20 En welk huis gij ook binnentreedt waar zij u niet ontvangen, dat huis zult gij spoedig verlaten, en het stof van uw voeten aafschudden als een getuigenis tegen hen.

 21 En u zult met avreugde en blijdschap worden vervuld; en weet dit: dat u op de dag des oordeels de brechters van dat huis zult zijn, en hen zult veroordelen;

 22 en op de dag des oordeels zal het voor de heidenen draaglijker zijn dan voor dat huis; daarom, aomgordt uw lendenen en weest getrouw, en gij zult alle dingen overwinnen, en ten laatsten dage worden verhoogd. Ja, amen.

 23 En voorts, aldus zegt de Heer tot u, o gij ouderlingen van mijn kerk, die uw naam hebt opgegeven, opdat u zijn wil aangaande u zoudt kennen —

 24 zie, Ik zeg u dat het de taak is van de kerk om bij te dragen aan het onderhoud van hun gezin, en ook om het gezin te onderhouden van hen die geroepen worden en noodzakelijkerwijs de wereld moeten worden ingezonden om de wereld het evangelie te verkondigen.

 25 Daarom geef Ik, de Heer, u dit gebod, dat gij woonruimte voor uw gezin moet verkrijgen, voor zoverre uw broeders bereid zijn hun hart open te stellen.

 26 En laten allen die woonruimte voor hun gezin kunnen verkrijgen, en onderhoud voor hen van de kerk, niet nalaten de wereld in te gaan, hetzij naar het westen of het oosten, of het noorden of het zuiden.

 27 Laten zij vragen en zij zullen ontvangen, kloppen en hun zal worden opengedaan; en het zal uit den hoge worden bekendgemaakt, ja, door de aTrooster, waar zij heen zullen gaan.

 28 En voorts, voorwaar, Ik zeg u dat iedere man die genoodzaakt is voor zijn eigen agezin te bzorgen, dat ook moet doen, en hij zal geenszins zijn kroon verliezen; en laat hij arbeiden in de kerk.

 29 Laat eenieder in alle dingen aijverig zijn. En de bluiaard zal geen plaats hebben in de kerk, tenzij hij zich bekeert en zich verbetert.

 30 Welnu, laten mijn dienstknecht Simeon Carter en mijn dienstknecht Emer Harris samen zijn in de bediening;

 31 en ook mijn dienstknecht Ezra Thayre en mijn dienstknecht aThomas B. Marsh;

 32 ook mijn dienstknecht Hyrum Smith en mijn dienstknecht Reynolds Cahoon;

 33 en ook mijn dienstknecht Daniel Stanton en mijn dienstknecht Seymour Brunson;

 34 en ook mijn dienstknecht Sylvester Smith en mijn dienstknecht Gideon Carter;

 35 en ook mijn dienstknecht Ruggles Eames en mijn dienstknecht Stephen Burnett;

 36 en ook mijn dienstknecht Micah B. Welton en ook mijn dienstknecht Eden Smith. Ja, amen.