Schriften
Alma 59


Hoofdstuk 59

Moroni verzoekt Pahoran de strijdkrachten van Helaman te versterken — De Lamanieten nemen de stad Nephihah in — Moroni is vertoornd op de regering. Ongeveer 62 v.C.

1 Nu geschiedde het in het dertigste regeringsjaar van de rechters over het volk van Nephi dat Moroni, nadat hij Helamans brief had ontvangen en gelezen, buitengewoon verheugd was wegens de voorspoed, ja, het buitengewone succes dat Helaman had gehad in het heroveren van die landen die zij hadden verloren.

2 Ja, en hij maakte het alom in het land bekend aan zijn gehele volk, in dat gedeelte waar hij zich bevond, opdat ook zij zich zouden verheugen.

3 En het geschiedde dat hij onmiddellijk een brief aan Pahoran zond, waarin hij hem verzocht manschappen bijeen te laten brengen ter versterking van Helaman, ofwel de legers van Helaman, zodat hij dat deel van het land, bij de herovering waarvan hij op zo wonderbaarlijke wijze was geholpen, met gemak zou kunnen houden.

4 En het geschiedde, toen Moroni die brief naar het land Zarahemla had gezonden, dat hij wederom een plan begon te beramen om de rest van die bezittingen en steden die de Lamanieten hun ontnomen hadden, te heroveren.

5 En zie, het geschiedde, terwijl Moroni aldus voorbereidingen trof om tegen de Lamanieten ten strijde te trekken, dat het volk van Nephihah, dat uit de stad Moroni en de stad Lehi en de stad Morianton bijeen was gekomen, door de Lamanieten werd aangevallen.

6 Ja, zelfs zij die gedwongen waren uit het land Manti en het omliggende land te vluchten, waren overgekomen en hadden zich bij de Lamanieten in dat deel van het land aangesloten.

7 En daar zij zodoende buitengewoon talrijk waren, ja, en van dag tot dag versterking ontvingen, trokken zij op bevel van Ammoron tegen het volk van Nephihah op, en zij begonnen een buitengewoon grote slachting onder hen aan te richten.

8 En hun legers waren zo talrijk, dat de rest van het volk van Nephihah genoodzaakt was voor hen uit te vluchten; ja, en zij kwamen en sloten zich aan bij het leger van Moroni.

9 En nu, daar Moroni had verondersteld dat er manschappen naar de stad Nephihah waren gezonden om het volk te helpen die stad te houden, en daar hij wist dat het gemakkelijker was te verhoeden dat de stad de Lamanieten in handen viel dan haar op hen te heroveren, nam hij aan dat zij die stad gemakkelijk konden houden.

10 Daarom behield hij al zijn strijdkrachten om die plaatsen die hij had teruggewonnen, te houden.

11 En nu, toen Moroni zag dat de stad Nephihah verloren was, was hij buitengewoon bedroefd, en wegens de goddeloosheid van het volk begon hij te twijfelen of zij hun broeders toch niet in handen zouden vallen.

12 Nu was dat ook het geval met al zijn opperbevelhebbers. Ook zij twijfelden en verwonderden zich over de goddeloosheid van het volk, en wel wegens het succes dat de Lamanieten op hen hadden behaald.

13 En het geschiedde dat Moroni vertoornd was op de regering wegens haar onverschilligheid voor de vrijheid van hun land.