Skip main navigation
  • Afdrukken

Fundamentele leerstellige beginselen

1. Godheid

De Godheid bestaat uit drie afzonderlijke personen: God de eeuwige Vader, zijn Zoon, Jezus Christus, en de Heilige Geest. (Zie Geloofsartikelen 1:1; Handelingen 7:55–56.) De Vader en de Zoon hebben een tastbaar lichaam van vlees en beenderen, en de Heilige Geest is een persoon van geest. (Zie LV 130:22–23.) Hoewel de leden van de Godheid drie aparte personen zijn met verschillende taken, zijn zij één in doel. Ze zijn volmaakt verenigd in de uitvoering van het goddelijke heilsplan van onze hemelse Vader.

Relevante verwijzingen: Galaten 5:22–23; LV 76:22–24

2. Heilsplan

In het voorsterfelijk bestaan heeft onze hemelse Vader een plan voorgesteld dat ons de kans biedt om aan Hem gelijk te worden en de onsterfelijkheid en het eeuwige leven te beërven. (Zie Mozes 1:39.) In de Schriften wordt dit plan het heilsplan, het grote plan van geluk, het verlossingsplan of het plan van barmhartigheid genoemd (zie Alma 42:5, 8, 11, 15). Het plan omvat de schepping, de val, de verzoening van Jezus Christus, de opstanding, het laatste oordeel, en alle door God ingestelde wetten, geboden, verordeningen en leerstellingen van het evangelie. Morele keuzevrijheid, het vermogen om zelfstandig te kiezen en te handelen, neemt ook een belangrijke plaats in het plan van onze hemelse Vader in. De Heilige Geest is ons gegeven om ons bij onze keuzes te leiden.

Dankzij het heilsplan kunnen we door de verzoening vervolmaakt worden, een volheid van vreugde ontvangen en voor eeuwig in de tegenwoordigheid van God wonen. Onze familiebanden kunnen in de eeuwigheid blijven bestaan.

Relevante verwijzingen: Genesis 1:26–27; 2 Nephi 2:25; 31:19–20; Moses 6:52–62; Abraham 3:22–26; ‘Het gezin: een proclamatie aan de wereld’

3. Verzoening van Jezus Christus

Jezus Christus was de enige die een volmaakte verzoening tot stand kon brengen. Zijn verzoening bestond uit zijn lijden voor onze zonden in de hof van Getsemane, zijn dood aan het kruis, en zijn opstanding uit het graf. Hij leed niet alleen voor onze zonden, maar nam ook onze pijnen, ziekten en kwalen op Zich (zie Alma 7:11–13). Jezus Christus overwon de lichamelijke en geestelijke dood. Dankzij zijn verzoening zal ieder mens opstaan (zie 1 Korintiërs 15:20–22). Wie zich bekeren, de geboden onderhouden, de heilsverordeningen ontvangen, en hun verbonden nakomen, zullen de gave van het eeuwige leven ontvangen (zie Geloofsartikelen 1:3).

Relevante verwijzingen: Jesaja 53:3–5; Lucas 24:36–39; 2 Nephi 2:27; 25:23, 26; Jakob 4:11; LV 18:10–11; 19:16–19; 76:40–41; ‘De levende Christus: het getuigenis van de apostelen’

4. Bedeling, afval en herstelling

Een bedeling is een tijdperk waarin de Heer de leerstellingen en verordeningen van zijn evangelie en zijn priesterschap openbaart. Het is een tijdperk waarin de Heer minimaal één bevoegde dienstknecht op aarde heeft die het heilige priesterschap draagt en die de goddelijke volmacht heeft om het evangelie onder de inwoners van de aarde te verbreiden. We leven nu in de laatste bedeling, de bedeling van de volheid der tijden (zie Efeziërs 1:10).

Afval is het gevolg als mensen zich afkeren van de beginselen van het evangelie en geen priesterschapssleutels meer hebben (zie 2 Tessalonicenzen 2:1–3). De wereldgeschiedenis laat zich kenmerken door verschillende periodes van algehele afval, vaak gevolgd door een nieuwe bedeling waarin de Heer zijn leer, verordeningen en priesterschap herstelt (zie Handelingen 3:19–21).

Herstelling verwijst naar de hervestiging van de waarheid en de verordeningen van zijn evangelie onder de mensen. De recentste en laatste herstelling (vaak ‘de herstelling’ genoemd) is in 1820 begonnen, toen God de Vader en zijn Zoon, Jezus Christus in antwoord op het gebed van Joseph Smith verschenen (zie Geschiedenis van Joseph Smith 1:15–20.) De volheid van het evangelie is hersteld en De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is ‘de enige ware en levende kerk op de ganse aardbodem’ (LV 1:30).

Relevante verwijzingen: Jesaja 29:13–14; Daniël 2:44–45; Openbaring 14:6–7

5. Profeten en openbaring

Een profeet is iemand die door God is geroepen om in zijn naam te spreken (zie Amos 3:7). Profeten getuigen van Jezus Christus en verkondigen zijn evangelie. Zij maken Gods wil en ware karakter bekend. Soms voorzeggen zij gebeurtenissen die in de toekomst liggen. God heeft in deze tijd profeten geroepen om in zijn naam te spreken (zie LV 1:38).

Als God met zijn kinderen communiceert, noemen we dat openbaring. Als de Heer zijn wil aan de kerk openbaart, spreekt Hij bij monde van zijn profeet. De Schriften — de Bijbel, het Boek van Mormon, de Leer en Verbonden, de Parel van grote waarde — bevatten openbaringen die door profeten, oudtijds en hedendaags, zijn ontvangen. De president van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste dagen is Gods profeet op aarde.

Mensen kunnen openbaring ontvangen die hen kan helpen bij specifieke behoeften, taken en vragen, ter versterking van hun getuigenis. De meeste openbaringen aan de leiders en leden van de kerk komen in de vorm van influisteringen van de Heilige Geest. De Heilige Geest spreekt tot het verstand en het hart met een stille, zachte stem (zie LV 8:2–3). Openbaring kan ook in de vorm van visioenen, dromen en bezoek van engelen komen.

Relevante verwijzingen: Psalmen 119:105; Efeziërs 4:11–14; LV 21:4–6

6. Priesterschap en priesterschapssleutels

Het priesterschap is het gezag en de macht die God aan mannen op aarde heeft verleend om namens Hem te handelen. Er zijn twee priesterschappen in de kerk: het Aäronisch en het Melchizedeks priesterschap (zie LV 107:1, 6). De priesterschapssleutels zijn gegeven om leiding te geven aan Gods koninkrijk op aarde. Door deze sleutels krijgen priesterschapsdragers het gezag om het evangelie te prediken, de heilsverordeningen te bedienen en Gods koninkrijk op aarde te besturen. Ieder die in de kerk een taak te vervullen heeft, wordt daarvoor geroepen door iemand die priesterschapssleutels bezit. Aldus hebben zij recht op de kracht die zij nodig hebben om hun roeping naar behoren te vervullen.

Door het priesterschap bestuurt God de hemelen en de aarde die Hij heeft geschapen. Door deze macht verlost en verhoogt Hij zijn kinderen. God verleent het priesterschapsgezag aan de mannelijke leden van de kerk die zich aan de kerkelijke normen houden, zodat zij in zijn naam het heil van zijn kinderen teweeg kunnen brengen. De zegeningen van het priesterschap staan alle mannen, vrouwen en kinderen ter beschikking.

Relevante verwijzingen: Matteüs 16:19; LV 13; 50:26–27; 84:19–20, 33; 107:8; 121:36, 41–42

7. Verordeningen en verbonden

Een verordening is een heilige, formele handeling met een geestelijke betekenis. Elke verordening leert ons geestelijke waarheden. Verordeningen worden verricht met het gezag van het priesterschap en op aanwijzing van wie priesterschapssleutels bezitten. Sommige verordeningen zijn van wezenlijk belang voor onze verhoging en worden heilsverordeningen genoemd. Dat zijn de doop (zie Johannes 3:5; hernieuwd door de verordening van het avondmaal), de bevestiging (zie Handelingen 2:36–38), en, voor mannen, de ordening tot het Melchizedeks priesterschap (zie LV 84:33–34). Andere heilsverordeningen, zoals de begiftiging en de huwelijksverzegeling, worden in tempels verricht. De tempel is een van de heiligste gebouwen op aarde. Het is het huis van de Heer. Alle heilsverordeningen kunnen ook plaatsvervangend voor de doden in de tempel worden verricht. Plaatsvervangende verordeningen worden alleen van kracht als de overleden personen die in de geestenwereld accepteren en de verwante verbonden in ere houden (zie LV 138:32–34, 58).

Alle heilsverordeningen van het priesterschap gaan altijd van een verbond vergezeld. Een verbond is een heilige overeenkomst tussen God en de mens. God geeft ons de voorwaarden van het verbond en wij stemmen in met wat Hij ons vraagt te doen. God belooft ons vervolgens bepaalde zegeningen voor onze gehoorzaamheid. Het avondmaal stelt ons in staat om de verbonden die wij met de Heer hebben gesloten te hernieuwen.

Andere verordeningen, zoals het zalven van zieken en een naam en een zegen geven aan kinderen, zijn ook van belang voor onze geestelijke ontwikkeling.

Relevante verwijzingen: Exodus 19:5–6; Ezechiël 11:20; 1 Korintiërs 15:29; Alma 30:3; LV 42:78; 82:10; 136:4; Geloofsartikelen 1:3, 4

8. Huwelijk en gezin

Het huwelijk tussen man en vrouw is door God ingesteld en het gezin staat centraal in zijn heilsplan en ligt ten grondslag aan ons geluk (zie Genesis 2:24). Ouders moeten zich vermenigvuldigen en de aarde vervullen, hun kinderen in liefde en rechtschapenheid opvoeden en voorzien in hun stoffelijke en geestelijke behoeften. Man en vrouw hebben de plechtige taak om van elkaar te houden en voor elkaar te zorgen. De kans op een gelukkig gezinsleven is het grootst als de leringen van de Heer Jezus Christus eraan ten grondslag liggen, zoals geloof, gebed, bekering, vergeving, respect, liefde, mededogen, werk en gezonde ontspanning. (Zie ‘Het gezin: een proclamatie aan de wereld’).

Relevante verwijzingen: Psalmen 127:3; LV 131:1–4; 132:15–20

9. Geboden

De geboden zijn de wetten en voorwaarden die God het mensdom geeft. Als we de geboden onderhouden, tonen wij onze liefde voor de Heer en ontvangen zegeningen van Hem (zie Leviticus 26:3–12; Johannes 14:15; Mosiah 2:41). Ons is geboden God met ons hele hart, ziel en verstand lief te hebben, en christelijke liefde voor anderen te hebben (zie Matteüs 22:36–39; Johannes 13:34–35).

De tien geboden zijn lang geleden aan Mozes geopenbaard en zijn in onze tijd nog steeds van belang (zie Exodus 20:3–17). Ze bestaan onder meer uit de sabbat heiligen (zie Exodus 20:8–11; Jesaja 58:13–14; LV 59:9–13), de wet van kuisheid naleven (zie Exodus 20:14; Genesis 39:7–9; Alma 39:9), en eerlijk zijn (zie Exodus 20:16). Voorbeelden van andere geboden zijn het betalen van een volledige tiende (zie Maleachi 3:8–10), vasten (zie Jesaja 58:6–7), bidden (zie 3 Nephi 18:15, 20–21; LV 10:5), en het woord van wijsheid naleven (zie LV 89:18–21).

Ons is ook geboden om in onze verlangens, gedachten, woorden en daden zoals onze hemelse Vader en zijn Zoon, Jezus Christus te worden (zie 3 Nephi 12:48) De Heer heeft ons eeuwige waarheden, ofwel beginselen, gegeven, waardoor we ons bij onze beslissingen en daden laten leiden. Die beginselen brengen ons ertoe om als de Heiland te leven en de beloofde zegeningen te ontvangen.

Relevante verwijzingen: Jakobus 1:5–6; 2 Nephi 32:8–9; Mosiah 4:3; Alma 37:35; LV 82:8–10; 105:5; 121:36; 130:18–19; 138:4