2016
Stel uw vertrouwen in die Geest die ertoe beweegt goed te doen
Mei 2016


Stel uw vertrouwen in die Geest die ertoe beweegt goed te doen

We komen dichter tot de Heiland als we uit reine liefde anderen namens Hem dienen.

Ik ben dankbaar dat ik samen met u deze avond van aanbidding, bezinning en toewijding mag meemaken. We hebben samen gebeden. Onze liefdevolle hemelse Vader heeft ons gehoord. We hebben aan onze Heiland, de Heer Jezus Christus, gedacht toen we door lofzangen ter ere van Hem geraakt werden. We hebben ons voorgenomen om onze Meester meer bij te staan in zijn werk om de kinderen van onze hemelse Vader op te bouwen en te helpen.

We hebben door onze dankbaarheid voor wat de Heiland voor ons gedaan heeft een groter verlangen om anderen te dienen. Daarom zwelt ons hart op als we deze woorden horen zingen: ‘Daar Gij mij veel gegeven hebt, geef ik ook weer.’1 Koning Benjamin heeft ons dat gevoel van dankbaarheid in zijn grote rede in het Boek van Mormon beloofd (zie Mosiah 2:17–19).

Als ons geloof in Jezus Christus ons ertoe aanzet om de vreugde van zijn vergeving na te streven, krijgen we het verlangen om anderen namens Hem te dienen. Koning Benjamin zegt dat vergeving niet in één keer bereikt wordt.

Hij zegt het als volgt: ‘En nu, ter wille van deze dingen die ik tot u heb gesproken — dat wil zeggen, ter wille van het van dag tot dag behouden van de vergeving van uw zonden om onschuldig voor het aangezicht van God te kunnen wandelen — zou ik willen dat gij van uw bezit aan de armen geeft, ieder naar hetgeen hij heeft, en wel door de hongerigen te voeden, de naakten te kleden, de zieken te bezoeken en in hun behoeften te voorzien, zowel de geestelijke als de stoffelijke, naar hun noden’ (Mosiah 4:26).

Alma’s geweldige collega Amulek heeft ook gezegd dat we Hem moeten blijven dienen om vergeving te ontvangen: ‘En nu, zie, mijn geliefde broeders, ik zeg u, denkt niet dat dit alles is; want indien gij, na al die dingen te hebben gedaan, de behoeftigen en de naakten wegzendt, en niet naar de zieken en lijdenden omziet, en niet geeft van uw bezit, indien gij hebt, aan hen die noodlijdend zijn — ik zeg u, indien gij geen van die dingen doet, zie, dan is uw gebed tevergeefs en baat het u niets, en zijt gij als de huichelaars die het geloof verloochenen’ (Alma 34:28).

Ik heb vanavond aan de vrouwen in mijn leven gedacht. Er zijn van mijn vrouw tot aan onze drie jongste achterkleindochters 31 vrouwen en meisjes in onze familie. Sommigen van hen zijn hier vanavond. Vijf van hen zijn jonger dan twaalf. Dit is wellicht hun allereerste bijeenkomst in het Conferentiecentrum met hun zusters in de kerk van de Heiland. Ieder van hen zal aan deze ervaring andere herinneringen en voornemens overhouden.

Ik bid dat drie herinneringen en drie voornemens ze heel hun leven en zelfs daarna zullen bijblijven. Herinneringen van gevoelens. En voornemens om dingen te doen.

Het belangrijkste gevoel is liefde. U hebt de liefde gevoeld van de geweldige leidsters die gesproken hebben. En u hebt door de Geest gevoeld dat zij u liefhebben zonder u te kennen, omdat ze de liefde van onze hemelse Vader en de Heiland voor u voelen. Daarom willen ze u heel graag dienen en willen ze dat u de zegeningen ontvangt die God u wil geven.

U hebt vanavond liefde voor anderen gevoeld — voor vrienden, klasgenoten, buren en zelfs vreemden, mensen die u pas ontmoet hebt. Die liefde is een gave van God. De Schriften noemen haar ‘naastenliefde’ en ‘de reine liefde van Christus’ (Moroni 7:47). U hebt die liefde vanavond gevoeld en u kunt die vaak voelen als u ze nastreeft.

Het tweede dat u vanavond gevoeld hebt, is de invloed van de Heilige Geest. Zusters hebben u vanavond beloofd dat de Heilige Geest u zal leiden naar dienstbetoon dat de Heer wil dat u anderen namens Hem geeft. U hebt door de Geest gevoeld dat die belofte van de Heer kwam en waar is.

De Heer heeft gezegd: ‘En nu, voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Stel uw vertrouwen in die Geest die ertoe beweegt goed te doen — ja, recht te doen, ootmoedig te wandelen, rechtvaardig te oordelen; en dat is mijn Geest’ (LV 11:12).

Misschien hebt u die zegen vanavond ontvangen. Misschien hebt u tijdens deze bijeenkomst de naam of het gezicht van iemand die uw hulp nodig heeft in gedachten gekregen. Het was wellicht een vluchtige gedachte, maar door wat u vanavond gehoord hebt, zult u erover bidden met het vertrouwen dat God u zal leiden om het goede te doen dat Hij voor hen wil. Wanneer zulke gebeden een gewoonte worden, zullen u en anderen ten goede veranderen.

Het derde gevoel dat u vanavond gehad hebt, is dat u dichter bij de Heiland wilt zijn. Zelfs het jongste meisje heeft de werkelijkheid gevoeld van de uitnodiging in de lofzang: ‘“Kom,” sprak de Heiland, “volg Mij na.” Dat elk dus in zijn voetspoor ga.’2

Met die gevoelens is het eerste wat u zich moet voornemen om te doen, dienen met de kennis dat u er niet alleen voor staat. Als u iemand namens de Heiland troost en dient, bereidt Hij de weg voor u. De teruggekeerde zendelingen in ons midden zullen beamen dat dat niet betekent dat iedereen achter elke deur u zal ontvangen of dat iedereen die u dient u zal bedanken. Maar de Heer zal voor uw aangezicht uit gaan om de weg te bereiden.

President Thomas S. Monson heeft keer op keer gezegd dat hij weet dat deze belofte van de Heer waar is: ‘En wie u ontvangt, daar zal Ik eveneens zijn, want Ik zal voor uw aangezicht uit gaan. Ik zal aan uw rechter- en aan uw linkerhand zijn, en mijn Geest zal in uw hart zijn, en mijn engelen zullen rondom u zijn om u te schragen’ (LV 84:88).

Een van de manieren waarop Hij voor uw aangezicht uit gaat, is door het hart voor te bereiden van iemand die Hij u vraagt te dienen. Hij bereidt ook uw hart voor.

U zult ook merken dat de Heer u van helpers voorziet — aan uw rechterhand, uw linkerhand en rondom u. U staat er niet alleen voor als u anderen namens Hem dient.

Dat heeft Hij vanavond voor mij gedaan. De Heer heeft in een ‘menigte van getuigen’ (Hebreeën 12:1) voorzien, zowel in woord als in muziek, om wat Hij wilde dat ik zou zeggen kracht bij te zetten. Ik moest er gewoon voor zorgen dat ik mijn deel er in kon passen. Ik hoop en bid dat u dankbaarheid en vreugde zult voelen als de Heer u samen met anderen namens Hem laat dienen.

Als u die ervaring vaak hebt, en dat zult u, dan zult u net als ik van herkenning glimlachen als we ‘Uw dienst is zoet’ zingen.3

U zult ook glimlachen als u aan deze Schrifttekst denkt: ‘En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan’ (Mattheüs 25:40).

Het tweede wat u moet doen, is de Heer indachtig zijn als u namens Hem dient. De Heer gaat niet alleen voor ons aangezicht uit en stuurt engelen om met ons te dienen. Hij voelt de vertroosting die we anderen geven ook alsof we die aan Hem geven.

Iedere dochter van God die de boodschappen in deze bijeenkomst hoort en gelooft, zal zich afvragen: wat wil de Heer dat ik doe om mensen in nood te helpen? De situatie van iedere zuster is uniek. Dat geldt ook voor mijn groepje dochters, schoondochters, kleindochters en achterkleindochters. Voor hen en voor alle dochters van onze hemelse Vader herhaal ik de wijze raad van zuster Linda K. Burton.

Ze heeft u gevraagd om in geloof te bidden om te weten te komen wat de Heer wil dat u in uw situatie doet. En vervolgens heeft ze u de aangename vertroosting beloofd die de Heer gaf aan de vrouw die bekritiseerd werd omdat ze zijn hoofd met dure olie gezalfd had in plaats van die te verkopen en het geld aan de armen te schenken.

‘Maar Jezus zei: Laat haar met rust. Waarom valt u haar lastig? Zij heeft een goed werk aan Mij verricht.

‘Want de armen hebt u altijd bij u en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen, maar Mij hebt u niet altijd.

‘Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.

‘Voorwaar, Ik zeg u: Overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft’ (Markus 14:6–9).

Die korte Schrifttekst is mooie en wijze raad in roerige tijden voor trouwe zusters in het koninkrijk van de Heer. Uit liefde voor God en onze Heiland zult u bidden en vragen wie Hij wil dat u dient. En u zult geen publieke erkenning verwachten, net als de vrouw in die passage in Markus, wier heilige daad om de Heiland van de wereld te eren bekend is, maar niet haar naam.

Ik hoop dat de zusters in onze familie uit liefde voor God hun uiterste best zullen doen om mensen in nood te dienen. Het derde wat ik hoop dat ze zullen doen, is bescheiden zijn over hun goede werken. Maar ik bid dat ze de volgende raad van de Heer ter harte zullen nemen en ik ben er zeker van dat we die allemaal moeten horen. Hij zei:

‘Wees op uw hoede dat u uw liefdegave niet geeft in tegenwoordigheid van de mensen om door hen gezien te worden; anders hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.’

En vervolgens zei Hij:

‘Maar als u een liefdegave geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet,

‘zodat uw liefdegave in het verborgene zal zijn; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden’ (Mattheüs 6:1, 3–4).

Mijn gebed voor de zusters in het koninkrijk is, waar en in welke omstandigheden ze ook leven, dat hun geloof in de Heiland en dankbaarheid voor zijn verzoening hen ertoe aanzet om hun uiterste best te doen voor de mensen die God hun vraagt te dienen. Als ze dat doen, beloof ik hen dat ze heiligere vrouwen zullen worden. De Heiland en onze hemelse Vader zullen hen met open armen verwelkomen en openlijk belonen.

Ik weet dat dit de kerk van de herrezen Jezus Christus is. Hij is opgewekt. Hij heeft de prijs voor al onze zonden betaald. Ik weet dat we dankzij Hem zullen opstaan en het eeuwige leven kunnen beërven. President Thomas S. Monson is zijn levende profeet. Onze hemelse Vader hoort en verhoort onze gebeden. Ik getuig dat we dichter tot de Heiland komen als we uit reine liefde anderen namens Hem dienen. Ik laat u dat zekere getuigenis in de naam van Jezus Christus. Amen. ◼

Noten

  1. ‘Daar Gij mij veel gegeven hebt’, Lofzangen, nr. 151.

  2. ‘Kom, volg Mij na’, Lofzangen, nr. 82.

  3. ‘Uw dienst is zoet’, Lofzangen, nr. 103.