2012
George Albert Smith: hij leefde naar zijn leringen
januari 2012


George Albert Smith

Hij leefde naar zijn leringen

Uit het leven van president George Albert Smith blijkt dat hij het evangelie niet alleen geloofde — hij leefde er ook naar.

Aan het einde van een inspannende dag zat John A. Widtsoe eens ‘nogal vermoeid na een zware dag’ in zijn kantoor. Hij stond voor een controversieel probleem en voelde de zware last van zijn verantwoordelijkheden. ‘Ik was moe’, zei hij.

‘Toen werd er op de deur geklopt en kwam George Albert Smith binnen. Hij zei: “Ik ben op weg naar huis nu mijn dagtaak erop zit. Ik dacht aan jou en de problemen die je moet oplossen. Ik kom je even troosten en je mijn zegen toewensen.”

‘(…) Ik zal het nooit vergeten. We spraken nog even samen. Toen namen we afscheid en ging hij naar huis. Ik was opgebouwd. Ik was niet meer moe.’

Ouderling Widtsoe (1872–1952) heeft vele jaren later als lid van het Quorum der Twaalf Apostelen over dit voorval gezegd: ‘Dat was George Albert Smith ten voeten uit. (…) Hij besteedde zijn tijd aan [anderen], hij schonk [ze] zijn kracht.’1

George Albert Smith (1870–1951) was de achtste president van de kerk, van 1945 tot 1951. Hij geloofde dat een echt getuigenis van het evangelie van Jezus Christus uit ons leven zal blijken — vooral in de manier waarop we elkaar behandelen. ‘Een correct en consequent leven’, leerde hij, ‘is ten slotte het sterkste getuigenis dat we kunnen geven van de waarheid van dit werk.’2

In Leringen van kerkpresidenten: George Albert Smith, het lesboek voor gebruik door de Melchizedekse priesterschap en de ZHV in 2012, komt president Smiths getuigenis krachtig naar voren — zowel in zijn leringen als in de verhalen uit zijn leven. Hierna volgen enkele voorbeelden van die verhalen en leringen.

De kracht van vriendelijkheid

Op een hete zomerdag waren een paar werklieden bezig met reparatiewerkzaamheden aan de straat vlak bij het huis van president Smith. Het werk vergde steeds meer inspanning en de zon brandde steeds feller, wat de werklieden grove taal deed uitslaan. Sommigen in de buurt riepen de werklieden tot de orde vanwege hun taalgebruik en wezen erop dat George Albert Smith in de straat woonde. Daarop begonnen de werklieden nog harder te vloeken.

Intussen maakte president Smith in zijn keuken een kan limonade klaar. Hij bracht de kan met wat glazen op een dienblad naar de werklieden en zei: ‘Jongens, jullie zien er moe en bezweet uit. Waarom komen jullie niet even onder de bomen in mijn tuin zitten om een glas limonade te drinken?’

De werklieden konden dat gebaar erg waarderen en voltooiden hun werk na deze prettige onderbreking zonder nog een onvertogen woord te laten vallen.3

Ervaringen als deze geven blijk van George Albert Smiths overtuiging dat we ‘onze problemen in de geest van liefde en vriendelijkheid jegens allen’ kunnen oplossen.4 ‘Mensen begaan fouten’, zei hij. ‘Er zijn mensen onder ons die het verkeerde pad hebben gekozen, maar zij zijn de kinderen van onze Heer en Hij houdt van ze. Hij heeft u en mij het recht gegeven om, in vriendelijkheid en liefde, en met geduld en de wens een zegen voor hen te zijn, naar ze toe te gaan en ze af te brengen van de fouten die ze begaan. Ik heb niet het recht om iemand (…) te oordelen (…). Maar het is mijn voorrecht om ze, als ik ze iets verkeerds zie doen, zo mogelijk, op de een of andere manier, terug te brengen op het pad dat tot eeuwig leven in het celestiale koninkrijk leidt.’5

‘Vriendelijkheid kan veel vreugde, troost en genoegen toevoegen aan het leven van onze naasten en vrienden. Ik zou dat woord graag in hoofdletters willen schrijven en met felle kleuren willen aanzetten. Vriendelijkheid is een gave van God om harten mee te verzachten en koppige zielen mild te stemmen.’6

Het evangelie uitdragen

President Smith beschouwde het evangelie uitdragen als ‘het summum van menslievendheid’.7 Hij erkende en waardeerde de goedheid die hij in andere kerken aantrof, maar wist dat het herstelde evangelie het mensdom iets unieks en waardevols te bieden had.

Toen hij als zendingspresident werkzaam was, zei iemand eens tegen hem: ‘Nou ja, waar het op neerkomt, is dat uw kerk net zo goed is als alle andere kerken.’

‘Ik neem aan dat hij vond dat hij ons een groot compliment gaf’, merkte president Smith op. ‘Maar ik zei tegen hem: “Als de kerk die ik vertegenwoordig niet van meer betekenis is voor de mensenkinderen dan de andere kerken, dan ben ik verkeerd bezig.”’8

President Smith noemt onder meer de volgende reden waarom onze boodschap zo belangrijk is: ‘De heiligen der laatste dagen zijn de enigen die van onze hemelse Vader het gezag hebben gekregen om de verordeningen van het evangelie te bedienen. De wereld heeft ons nodig.’9

Daarom wilde president Smith dat de heiligen der laatste dagen doordrongen zijn van ‘een intens en enthousiast verlangen om alle kinderen van onze Vader de goede zaken te geven die Hij zo milddadig op ons heeft uitgestort’.10

Hij zei: ‘Soms heb ik het gevoel dat we niet geheel doordrongen zijn van het belang van [het evangelie], dat we het niet uitdragen met het enthousiasme dat het verdient.’11

Een goede vriend heeft de ‘ernst’ en het goede voorbeeld beschreven waarmee president Smith het evangelie uitdroeg: ‘Mij viel verschillende keren het voorrecht te beurt om per trein met president Smith te reizen. En elke keer, zodra de trein het station was uitgereden, zag ik dat hij een paar brochures uit zijn tas haalde, die in zijn jas stak en zich vervolgens onder de passagiers begaf. Op zijn vriendelijke, innemende manier legde hij al gauw contact met een medereiziger, en na korte tijd hoorde ik hem dan het verhaal over de stichting van de kerk door de profeet Joseph Smith vertellen, of over de exodus van de heiligen uit Nauvoo en hun moeilijkheden op weg naar Utah, of hoorde ik hem een evangeliebeginsel uitleggen aan zijn nieuw verworven vriend. Zo lang de reis duurde sprak hij met de ene na de andere treinreiziger. Het is mij in de veertig jaar dat ik president Smith ken duidelijk geworden dat hij, waar hij ook is, eerst en vooral een zendeling voor De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is.’12

Onze kinderen onderwijzen

George Albert Smith en zijn vrouw, Lucy, vatten de goddelijke opdracht om hun ‘kinderen in licht en waarheid groot te brengen’ serieus op (LV 93:40). Hun dochter Edith vertelde eens over een voorval dat haar vader als leermoment aangreep. Ze was met de tram van pianoles naar huis gegaan en de conducteur had de ritprijs bij haar niet geïnd. Zij vertelde: ‘Hij liep mij voorbij zonder dat hij er erg in had en toen ik uitstapte had ik nog steeds een stuiver in mijn hand. En eerlijk gezegd zag ik een gratis ritje wel zitten.

‘(…) Ik rende naar mijn vader om hem over mijn gelukje te vertellen. Hij luisterde geduldig naar mijn verhaal. Ik begon te denken dat ik het echt heel handig had aangepakt. (…)

‘Toen ik klaar was met mijn verhaal zei mijn vader: “Maar lieverd, zelfs als de conducteur hier niet van weet, weet jij dat wel, en ik en je hemelse Vader ook. Dat betekent dat er nog steeds drie personen zijn die er niet mee klaar zijn totdat je betaald hebt voor de dienst waarvan je gebruik hebt gemaakt.”’

Edith ging terug naar de hoek van de straat en betaalde de ritprijs later alsnog. Later vertelde ze: ‘Ik ben met recht dankbaar voor mijn vader, die zo wijs was om mij op vriendelijke toon op mijn fout te wijzen, want als hij het had laten zitten, had bij mij de gedachte kunnen postvatten dat hij het ermee eens was.’13

President Smith hield de kerkleden voor dat liefde de macht heeft om onze kinderen tot een rechtschapen leven te inspireren: ‘Leer uw kinderen de morele wet na te leven. Omring hen als met de armen der liefde, opdat ze geen enkel verlangen zullen hebben om toe te geven aan de kwade verleidingen die overal om hen heen zijn.’14

‘Het is onze plicht — eigenlijk hoor ik te zeggen dat het zowel ons voorrecht als onze plicht is — voldoende tijd te nemen om onze kinderen met bescherming te omringen en ze lief te hebben, en wel zo dat we hun liefde waard zijn, zodat ze graag naar onze raad en ons advies willen luisteren.’15

Eeuwige gezinnen

Toen George Albert en Lucy Smith ongeveer veertig jaar getrouwd waren, begon Lucy langdurig te kampen met een zwakke gezondheid. Hoewel hij zich zorgen om haar maakte en haar zo veel mogelijk probeerde te troosten, moest president Smith voor zijn taken als algemeen autoriteit vaak van huis. Op een dag nadat president Smith op een begrafenis had gesproken, overhandigde iemand hem een briefje waarin stond dat hij onmiddellijk naar huis moest komen. Hij schreef later in zijn dagboek:

‘Ik verliet de kapel onmiddellijk, maar mijn lieve vrouw had haar laatste adem uitgeblazen voordat ik thuis was. Zij overleed terwijl ik op de begrafenis sprak. Ik ben beroofd van een toegewijde levensgezellin en voel mij eenzaam zonder haar.’

‘Hoewel mijn gezin veel verdriet heeft,’ schreef hij, ‘vinden wij troost in de gedachte dat we moeder terug zullen zien als we getrouw blijven. (…) De Heer is mij zeer genadig en heeft elke negatieve gedachte aan de dood weggenomen, waarvoor ik innig dankbaar ben.’16

President Smith putte kracht en troost uit zijn getuigenis van het heilsplan en de tempelverordeningen, waardoor familieleden voor eeuwig aan elkaar worden verzegeld. Hij zei:

‘De zekerheid dat onze band hier als ouders en kinderen, als man en vrouw, voortduurt in de hemel, en dat dit slechts het begin is van het grote en glorierijke koninkrijk dat onze Vader heeft voorbestemd, en dat wij aan de andere zijde zullen beërven, vervult ons met hoop en vreugde.

‘Als ik zou denken, zoals zovelen doen, dat nu mijn geliefde vrouw en mijn dierbare ouders zijn heengegaan, ze voorgoed uit mijn leven zijn verdwenen en ik ze nooit meer zal zien, zou dat mij een van de grootste vreugden ontzeggen die ik in mijn leven heb: de verwachting ze weer te zien en te verwelkomen en ze mijn genegenheid te tonen, en ze uit het diepst van mijn dankbare hart te bedanken voor alles wat ze voor mij hebben gedaan.’17

‘Als we beseffen dat de dood slechts een van de stappen is die de kinderen van God in de eeuwigheid zullen nemen, en dat dat volgens zijn plan is, berooft dat de dood van zijn prikkel en confronteert dat ons met de werkelijkheid van het eeuwige leven. Veel families hebben tijdelijk afscheid moeten nemen van een of meer van hun dierbaren. Een sterfgeval schokt ons en leidt tot veel verdriet, als we het toelaten. Maar als onze geestelijke ogen konden worden geopend en we konden zien, zouden we vertroost worden door wat we zouden zien, daar ben ik zeker van. De Heer heeft ons niet zonder hoop gelaten. Integendeel, Hij heeft ons de zekerheid van eeuwig geluk gegeven, als we in dit leven zijn raad en advies opvolgen.

‘Dat is geen loze droom. Dat zijn de feiten.’18

Liefde en dienstbaarheid

President Smith stond wellicht het meest bekend om de liefde die hij aan anderen liet blijken. Hij was van mening dat liefde de kern van het evangelie is. Hij hield de heiligen voor: ‘Als het evangelie van Jezus Christus, zoals dat aan u is gebracht, geen liefde voor uw medemens in uw hart heeft gezaaid, dan zeg ik u dat u niet de volledige vervulling geniet van die prachtige gave die met de stichting van deze kerk op aarde is gekomen.’19

Als president van de kerk is president Smith duizenden mensen tot zegen geweest door wereldwijde inspanningen wat welzijnszorg en andere initiatieven betreft. Toch vond hij de tijd voor kleinere, meer persoonlijke daden van naastenliefde. Een van zijn collega’s, ouderling Richard L. Evans (1906–1971) van het Quorum der Twaalf Apostelen, schreef: ‘Het is niet ongewoon om hem, vóór of na kantoortijd, in het ziekenhuis tegen te komen, waar hij onaangekondigd kamer na kamer bezoekt om zegen, troost en bemoediging te brengen, en waar zijn troostende en geruststellende aanwezigheid in dank aanvaard wordt. (…) Het is kenmerkend voor hem om daar naartoe te gaan waar hij denkt hulp en bemoediging te kunnen geven.’20

President Thomas S. Monson heeft het volgende voorbeeld van president Smiths beschreven: ‘Op een koude winterochtend waren de sneeuwploegen [in Salt Lake City] bezig grote stukken ijs te verwijderen van de rioolputten op straat. De vaste ploeg werd daarin bijgestaan door enkele tijdelijke arbeidskrachten die het werk heel hard nodig hadden. Een van die werkers droeg een dunne trui en leed duidelijk onder de kou. Een slanke man met een verzorgde baard bleef bij de ploeg staan en vroeg aan de werker: “U hebt wel wat meer nodig dan die trui op een ochtend als deze. Waar is uw jas?” De werker antwoordde dat hij geen jas had. Daarop trok de man zijn overjas uit, gaf die aan de werker en zei: “Deze jas is voor u.” Hij is van dikke wol gemaakt en zal u warm houden. Ik werk toch aan de overkant van de straat.” De straat heette South Temple. De barmhartige samaritaan die zonder jas naar zijn werk in het bestuursgebouw van de kerk liep, was president George Albert Smith van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. Die onzelfzuchtige, edelmoedige daad kwam recht uit zijn hart. Hij was echt zijn broeders hoeder.’21

De details van het dagelijks leven

Of hij nu met medetreinreizigers over zijn geloof sprak of een verkleumde straatwerker zijn jas afstond, president George Albert Smith gaf voortdurend in woord en daad blijk van zijn getuigenis. Een onderwerp dat steeds terugkomt in Leringen van kerkpresidenten: George Albert Smith is dat het evangelie van Jezus Christus een grote invloed op ons leven moet hebben.

Iemand heeft eens over president Smith gezegd: ‘Zijn godsdienst is geen versteend dogma. Zijn godsdienstbeleving is geen theorie. Zij bestaat voor hem uit meer dan een bewonderenswaardig plan. Zij is meer dan een levensfilosofie. Praktisch ingesteld als hij was, was godsdienst volgens hem iemands levenswijze, iemands werkwijze, al was het maar een vriendelijk woord spreken of een glas koud water geven. Iemands godsdienstbeleving moet in zijn daden tot uiting komen. Die moet zichtbaar worden in de kleinste aspecten van iemands dagelijkse leven.’22

President J. Reuben Clark jr. (1871–1961), een van zijn raadgevers in het Eerste Presidium, heeft het leven van president Smith als volgt samengevat: ‘Hij was een van de weinige mensen van wie je kunt zeggen dat hij zelf deed wat hij predikte.’23

Noten

  1. John A. Widtsoe, Conference Report, april 1951, p. 99; zie ook Leringen van kerkpresidenten: George Albert Smith (2011), pp. XXXIX–XL.

  2. Leringen: George Albert Smith, p. 9.

  3. Zie Leringen: George Albert Smith, pp. 223–225.

  4. Leringen: George Albert Smith, p. 223.

  5. Leringen: George Albert Smith, pp. 227–228.

  6. Leringen: George Albert Smith, p. 228.

  7. Leringen: George Albert Smith, p. 124.

  8. Leringen: George Albert Smith, p. 152.

  9. Leringen: George Albert Smith, p. 125.

  10. Leringen: George Albert Smith, pp. 128–129.

  11. Leringen: George Albert Smith, p. 150.

  12. Preston Nibley, in: Leringen: George Albert Smith, p. 123.

  13. Zie Leringen: George Albert Smith, p. 235.

  14. Leringen: George Albert Smith, p. 240.

  15. Leringen: George Albert Smith, p. 228.

  16. Zie Leringen: George Albert Smith, p. XXVIII.

  17. Leringen: George Albert Smith, pp. 83–84.

  18. Leringen: George Albert Smith, pp. 76–77.

  19. Leringen: George Albert Smith, p. 14.

  20. Richard L. Evans, in: Leringen: George Albert Smith, pp. 11–13.

  21. Thomas S. Monson, in: Leringen: George Albert Smith, p. 13.

  22. Bryant S. Hinckley, in: Leringen: George Albert Smith, pp. 2–3.

  23. J. Reuben Clark jr., in: Leringen: George Albert Smith, p. 3.

Portret John Hafen, met dank aan het museum voor kerkgeschiedenis

President Smith toont het Boek van Mormon aan Many Turquoise (links) en Manuelito Begay.

Links: foto met dank aan het museum voor kerkgeschiedenis

Helemaal boven: president Smith met zijn zoon George Albert Smith jr. Boven: het tijdschrift Time wijdde in 1947 een hoofdartikel aan president Smith en de kerk.

Links: foto president Smith en zoon, met dank aan het museum voor kerkgeschiedenis