2006
De noodzaak van meer vriendelijkheid
Mei 2006


De noodzaak van meer vriendelijkheid

Waarom vinden sommigen onder ons het nodig om gemeen en onvriendelijk te zijn voor andere mensen? Waarom kunnen we niet allemaal in vriendschap mensen om ons heen de hand reiken?

Na broeder Monson te moeten spreken is niet eenvoudig. Hij zit vol humor en is heel oprecht.

Dank u, broeders, voor uw geloof en gebeden. Ik waardeer dat ten zeerste.

Als een man oud wordt, wordt hij zachtaardiger, vriendelijker. Ik heb daar de laatste tijd veel over nagedacht.

Ik heb me afgevraagd waarom er zo veel haat in de wereld is. We zijn verwikkeld in verschrikkelijke oorlogen waarbij mensen het leven verliezen of verminkingen oplopen. En dichter bij huis is er zo veel jaloezie, hoogmoed, arrogantie en vitterige kritiek. Vaders ontsteken in woede door onbeduidende kleinigheden en maken vrouwen aan het huilen en jagen kinderen angst aan.

Rassenstrijd steekt nog steeds de lelijke kop op. En men vertelt mij dat dit zelfs in onze gelederen ook voorkomt. Ik begrijp niet hoe dat kan. Het leek mij toe dat wij ons allemaal verheugden in de openbaring die president Kimball in 1978 kreeg. Ik was erbij in de tempel toen dat gebeurde. Mijn collega’s en ik hadden geen enkele twijfel dat wat er werd geopenbaard de wil en bedoeling van de Heer was.

Maar nu hoor ik dat er onder ons soms racistische en kleinerende opmerkingen te horen zijn. Ik herinner u eraan dat niemand die minachtende opmerkingen maakt over mensen die tot een ander ras behoren zichzelf als een waar discipel van Christus kan beschouwen. Noch kan hij denken dat hij in overeenstemming met de leringen van de kerk van Christus leeft. Hoe kan iemand die het Melchizedeks priesterschap draagt zo arrogant zijn om aan te nemen dat hij in aanmerking komt voor het priesterschap, terwijl hij die een rechtschapen leven leidt maar een andere huidskleur heeft niet?

Als lid van het Eerste Presidium heb ik verscheidene malen gesproken over de diversiteit in onze samenleving. We zien die diversiteit overal en we moeten ons best doen om ons aan te passen.

Laten we allen inzien dat ieder van ons een zoon of dochter van onze Vader in de hemel is, die al zijn kinderen liefheeft.

Broeders, er is geen grond voor rassenhaat onder de priesterschap van deze kerk. Als er iemand in mijn gehoor de neiging heeft om zich hier schuldig aan te maken, laat hem dan naar de Heer gaan, om vergeving vragen en zich er niet meer mee inlaten.

Ik krijg van tijd tot tijd brieven met onderwerpen waarvan de afzenders vinden dat die tijdens een conferentie behandeld zouden moeten worden. Onlangs kreeg ik er weer een. Hij kwam van een vrouw die vertelde dat haar eerste huwelijk in een scheiding was geëindigd. Toen ontmoette ze een man die erg aardig en attent leek. Maar na hun huwelijk ontdekte ze dat zijn financiën niet in orde waren. Hij had weinig geld maar gaf toch zijn baan op en weigerde te gaan werken. Toen was zij gedwongen om te gaan werken zodat ze in het onderhoud van het gezin kon voorzien.

Er zijn jaren voorbijgegaan en hij werkt nog steeds niet. Vervolgens vertelt ze over twee andere mannen die dezelfde aanpak hebben: ze weigeren te werken terwijl hun echtgenote gedwongen is om urenlang te werken om in het onderhoud van hun gezin te voorzien.

Paulus heeft tegen Timoteüs gezegd: ‘Maar indien [iemand] voor de [zijnen], en nog wel voor [zijn] huisgenoten, niet zorgt, dan heeft [hij zijn] geloof verloochend en is (…) erger dan een ongelovige’ (1 Timoteüs 5:8). Dat zijn heel indringende woorden.

De Heer heeft in een hedendaagse openbaring gezegd:

‘Vrouwen hebben aanspraak op haar echtgenoten voor haar onderhoud totdat dezen sterven. (…)

‘Alle kinderen hebben aanspraak op hun onderhoud bij hun ouders totdat zij meerderjarig zijn’ (LV 83:2, 4).

Al vanaf het begin van deze kerk wordt de man beschouwd als de kostwinner van het gezin. Ik geloof dat geen enkele man die weigert te werken om zijn gezin te onderhouden maar daar fysiek wel toe in staat is, als een goed lid beschouwd kan worden.

Ik gaf eerder al aan dat ik niet weet waarom er zo veel strijd en haat en verbittering in de wereld is. Natuurlijk weet ik dat dit allemaal het werk van de tegenstander is. Hij werkt op ieder van ons in. Hij vernietigt sterke mensen. Dat heeft hij al gedaan sinds de oprichting van deze kerk. President Wilford Woodruff heeft gezegd:

‘Ik heb Oliver Cowdery gezien toen het leek alsof de aarde onder zijn voeten beefde. Ik heb nooit iemand een krachtiger getuigenis horen geven dan hij toen hij onder invloed van de Geest was. Maar op het moment dat hij het koninkrijk Gods verliet, viel zijn kracht weg. (…) Hij werd geschoren van zijn kracht, zoals Simson op schoot bij Delila. Hij verloor de kracht en het getuigenis die hij had gehad, en kreeg die in het vlees nooit meer helemaal terug, hoewel hij als [lid van] de kerk overleed.’ (Zie Leringen van kerkpresidenten: Wilford Woodruff [2004], p. 105.)

Ik heb toestemming om u het verhaal te vertellen van een jonge man die in onze gemeenschap is opgegroeid. Hij was geen lid van de kerk. Zijn ouders en hij waren actief in een ander geloof.

Hij herinnert zich dat sommigen van zijn mormoonse leeftijdgenoten hem in zijn jeugd kleineerden, hem het gevoel gaven dat hij er niet bij hoorde, en hem uitlachten.

Hij ging deze kerk en haar leden letterlijk haten. Hij zag er totaal geen goeds in.

Toen raakte zijn vader zijn baan kwijt en moest hij verhuizen. In hun nieuwe woonplaats schreef hij zich als zeventienjarige in bij een hogeschool. Toen voelde hij voor het eerst in zijn leven de hartelijkheid van vrienden. Een van hen, Richard, vroeg hem of hij lid wilde worden van een club waar hij voorzitter van was. Hij schrijft: ‘Voor het eerst in mijn leven wilde iemand mijn gezelschap. Ik wist niet wat ik moest doen, maar ik ging er dankbaar op in. (…) Het was een heerlijk gevoel om een vriend te hebben. Ik had mijn hele leven om een vriend gebeden. En nu, na zeventien jaar wachten, verhoorde God dat gebed.’

Toen hij negentien was, kwam hij met Richard voor hun vakantiewerk in een tent terecht. Hij merkte dat Richard elke avond een boek las. Hij vroeg wat hij las. Het antwoord luidde dat hij in het Boek van Mormon las. Hij voegt eraan toe: ‘Ik veranderde snel van onderwerp en ging naar bed. Tenslotte was dat het boek dat mijn jeugd verknoeid had. Ik probeerde het te vergeten, maar na een week kon ik nog niet slapen. Waarom las hij daar elke avond in? Al gauw kon ik er niet meer tegen dat ik met al die onbeantwoorde vragen zat. Dus op een avond vroeg ik hem wat er zo belangrijk aan dat boek was. Wat stond erin? Hij gaf me het boek. Ik zei gauw dat ik dat boek nooit wilde aanraken. Ik wilde alleen maar weten wat erin stond. Hij begon voor te lezen waar hij gebleven was. Hij las voor over Jezus en over een verschijning in Amerika. Ik was geschokt. Ik dacht niet dat de mormonen in Jezus geloofden.’

Richard vroeg of hij samen met hem in een koor voor de ringconferentie wilde zingen. De dag van de conferentie brak aan. ‘Ouderling Gary J. Coleman van het Eerste Quorum der Zeventig was de gastspreker. Tijdens de conferentie kwam ik erachter dat hij ook [een bekeerling was]. Na de bijeenkomst trok Richard me aan de arm mee om met hem te praten. Uiteindelijk stemde ik daarin toe. Toen ik vlak bij hem was gekomen, draaide hij zich om en glimlachte naar me. Ik stelde mezelf voor en zei dat ik geen lid was, dat ik alleen maar in het koor was komen zingen. Hij glimlachte en zei dat hij blij was dat ik er was en dat de muziek prachtig was. Ik vroeg hem hoe hij te weten was gekomen dat de kerk waar was. Hij gaf me een korte versie van zijn getuigenis en vroeg of ik het Boek van Mormon had gelezen. Ik zei van niet. Hij beloofde me dat ik de eerste keer dat ik het las de Geest zou voelen.’

Later waren deze jongeman en zijn vriend een keer op reis. Richard gaf hem een boek-van-mormon en vroeg hem om er uit voor te lezen. Dat deed hij, en plotseling kreeg hij inspiratie van de Heilige Geest.

Er ging enige tijd voorbij en zijn geloof nam toe. Hij besloot zich te laten dopen. Zijn ouders waren ertegen, maar hij zette door en werd gedoopt als lid van de kerk.

Zijn getuigenis neemt nog steeds toe. Nog maar een paar weken geleden is hij in de Salt Laketempel voor tijd en eeuwigheid getrouwd met een knap meisje uit de kerk. Ouderling Gary J. Coleman verrichtte de verzegeling.

Dat is het einde van het verhaal, maar er schuilen belangrijke lessen in. Ten eerste de nare behandeling die hij kreeg van zijn jonge mormoonse vrienden.

Ten tweede de manier waarop zijn nieuwe vriend Richard hem behandelde. Die was volkomen tegengesteld aan zijn vroegere ervaring en leidde tot zijn bekering en zijn doop, ook al leek dat uiterst onwaarschijnlijk.

Dergelijke wonderen kunnen voorkomen en zullen voorkomen als er sprake is van vriendelijkheid, respect en liefde. Waarom vinden sommigen onder ons het nodig om gemeen en onvriendelijk te zijn voor andere mensen? Waarom kunnen we niet allemaal in vriendschap mensen om ons heen de hand reiken? Waarom is er zo veel verbittering en vijandschap? Dat past niet in het evangelie van Jezus Christus.

We struikelen allemaal wel eens. We begaan allemaal fouten. Ik parafraseer de woorden van Jezus in het onzevader: ‘Vergeef ons onze overtredingen, gelijk ook wij vergeven degenen die tegenover ons overtredingen begaan hebben’ (zie Matteüs 6:12; Bijbelvertaling van Joseph Smith, Matteüs 6:13).

William W. Phelps, die nauw met de profeet Joseph omging, verraadde hem in 1838, wat leidde tot de gevangenschap van Joseph in Missouri. Omdat hij het grote kwaad inzag van wat hij had gedaan, schreef broeder Phelps de profeet en vroeg om vergeving. De profeet antwoordde onder meer als volgt:

‘Het is waar dat wij door uw gedrag veel geleden hebben — de bittere beker, die al vol genoeg was voor sterfelijke mensen, stroomde inderdaad over toen u zich tegen ons keerde. (…) ‘Maar dat is nu voorbij, de beker is leeggedronken, de wil van onze Vader is gedaan en we leven nog; en daar dank ik de Heer voor. (…)

‘Omdat ik geloof dat uw belijdenis en uw bekering oprecht zijn, zal het mij een genoegen zijn u weer de rechterhand van vriendschap te geven en mij te verheugen over de terugkerende verloren zoon.

‘Uw brief is afgelopen zondag aan de heiligen voorgelezen en hun mening is gepolst. Er werd unaniem besloten dat W.W. Phelps weer zou worden toegelaten tot de gemeenschap.

‘Kom, beste broeder, de strijd is gestreden:

eens vrienden, eindelijk weer vrienden.’ (Joseph Smith, Teachings of the Prophet Joseph Smith, samengesteld door Joseph Fielding Smith, [176], pp. 165–166.)

Broeders, het is deze geest, die de profeet uitdrukte, die wij moeten ontwikkelen. We kunnen in dat verband niet zelfgenoegzaam zijn. Wij zijn lid van de kerk van onze Heer. Wij hebben een plicht tegenover Hem, onszelf en anderen. Deze zondige oude wereld heeft zo hard mannen van kracht, deugd, geloof en rechtschapenheid nodig — mannen die bereid zijn om te vergeven en te vergeten.

Nu wil ik wel zeggen dat het mij deugd doet op te merken dat de voorbeelden en verhalen die ik heb gegeven niet representatief zijn voor de daden en houding van de overgrote meerderheid van onze leden. Overal om mij heen zie ik een geweldige uitstorting van liefde en zorg voor anderen.

Een week geleden zat deze zaal vol prachtige jongevrouwen die ernaar streven om het evangelie na te leven. Zij zijn mild voor elkaar. Zij streven ernaar om elkaar te sterken. Zij strekken hun ouders en het gezin waaruit zij komen tot eer. Zij zijn bijna vrouw en zullen de rest van hun leven de idealen met zich meenemen die hen momenteel drijven.

Denk eens aan het vele goeds wat er door de vrouwen van de ZHV wordt gedaan. De schaduw van hun liefdadige inzet valt over de hele wereld. Vrouwen steken moeite, tijd, liefdevolle zorg en middelen in de hulp aan zieken en armen.

Denk eens aan het welzijnsprogramma met vrijwilligers die mensen in nood voedsel, kleding en andere benodigdheden brengen.

Denk eens aan de enorme reikwijdte van onze humanitaire hulp die veel verder gaat dan de leden van de kerk in de armoedige landen van de aarde. De mazelenplaag wordt door de bijdragen van deze kerk in veel gebieden uitgeroeid.

Kijk eens naar het Permanent Studiefonds dat duizenden uit het moeras van de armoede trekt en in het zonlicht van kennis en welvaart zet.

En zo kan ik doorgaan om u te herinneren aan de omvangrijke inzet van de goede mensen in deze kerk die anderen tot zegen zijn — een inzet die zich uitstrekt tot de armen en verdrukten van de aarde.

Er komt geen einde aan het goede dat wij kunnen doen, aan de invloed die wij op anderen kunnen hebben. Laten we niet blijven stilstaan bij kritiek of negativiteit. Laten wij om kracht bidden en om het vermogen en het verlangen om anderen te helpen. Laten wij altijd en overal het licht van het evangelie uitstralen, opdat de Geest van de Verlosser van ons mag uitstralen.

Om de woorden van de Heer tot Jozua aan te halen: ‘Wees sterk en moedig[.] Sidder niet en word niet verschrikt, want de Here (…) is met u, overal waar gij gaat’ (Jozua 1:9).

In de naam van de Heer Jezus Christus. Amen.