2002
Verborgen wiggen
Juli 2002


Verborgen wiggen

‘Laten we niet de grieven en de boosheid van onze tijd aan toekomstige generaties doorgeven. Laten we verborgen wiggen wegnemen die ons alleen maar zullen schaden.’

In april 1966 hield ouderling Spencer W. Kimball tijdens de algemene aprilconferentie van de kerk een gedenkwaardige toespraak. Hij citeerde een verhaal van Samuel T. Whitman, met de titel ‘Vergeten wiggen’. Ook ik heb besloten om Samuel T. Whitman vandaag aan te halen, gevolgd door voorbeelden uit mijn eigen leven.

Whitman heeft geschreven: ‘Die winter vernietigde de ijzel over het algemeen niet zoveel. Toegegeven, er kwamen wat kabels naar beneden en er was een plotselinge piek in ongelukken op de snelweg. (…) Maar normaal gesproken had de grote notenboom makkelijk het gewicht kunnen dragen dat zich op zijn uitgestoken takken afzette. Het was de ijzeren wig in zijn hart dat de schade veroorzaakte.

‘Het verhaal van de ijzeren wig was jaren eerder begonnen toen de boer met het witte haar die nu het land bewoonde waarop de boom stond, nog een jongen was op de boerderij van zijn vader. ‘De zagerij was toen nog maar pas uit de vallei verhuisd en de kolonisten vonden nog steeds her en der stukken gereedschap en ander materiaal. (…)

‘Die dag was het de wig van een houthakker — breed, plat en zwaar, ruim dertig centimeter lang, en afgerond door krachtige klappen — die de jongen in de zuidelijke weide gevonden had. Een houthakkerswig, die gebruikt wordt om een boom te helpen vellen, wordt in een zaagsnede geplaatst en vervolgens wordt er met een voorhamer op geslagen om de snede te verbreden. (…) ‘Omdat hij al laat was voor het eten, had de jongeman de wig (…) tussen de wortels van de jonge notenboom gelegd die zijn vader bij het hek aan de voorkant van het huis geplant had. Hij zou de wig na het eten meteen in de schuur leggen, of later als hij weer eens die kant op ging. Dat was hij echt van plan, maar hij deed het niet.

‘De wig lag daar nog steeds tussen de wortels van de boom toen hij volwassen werd. Hij lag er nog, nu stevig vastgeklemd, toen hij trouwde en de boerderij van zijn vader overnam. Hij was half overgroeid op de dag dat de dorsploeg de maaltijd gebruikte onder de boom. (…) De boom was er helemaal overheen gegroeid en de wig zat er nog steeds in toen de ijzel kwam.

‘In de ijskoude stilte van die winternacht (…) brak een van de drie voornaamste delen van de stam af van de boom en viel met een knal op de grond. Daardoor werd de rest zo uit zijn evenwicht gebracht dat die ook spleet en omviel. Toen de ijzel eenmaal weg was, was er geen twijgje meer van de eens zo trotse boom over.

‘De volgende morgen kwam de boer al vroeg naar buiten om te rouwen om zijn verlies. (…) Toen viel zijn blik op iets in de versplinterde restanten. “De wig”, mompelde hij in zelfverwijt, “die ik in de zuidelijke weide gevonden had.” Eén blik zei hem waarom de boom omgevallen was. Daar de boom om de wig heen gegroeid was terwijl die met de zijkant naar boven stond, had de wig verhinderd dat de vezels van de boom zich met elkaar verweefden zoals ze horen te doen.’1

Broeders en zusters, er zijn verborgen wiggen in het leven van velen die wij kennen, en misschien zelfs wel in ons eigen gezin.

Ik wil u het verhaal vertellen van een levenslange vriend die inmiddels is heengegaan. Hij heette Leonard. Hij was geen lid van de kerk, hoewel zijn vrouw en kinderen dat wél waren. Zijn vrouw was jeugdwerkpresidente geweest en zijn zoon had een eervolle zending vervuld. Zijn dochter en zijn zoon waren ieder getrouwd in een plechtige tempelceremonie en ze hadden allebei kinderen.

Iedereen die Leonard kende, vond hem aardig, en ik ook. Hij steunde zijn vrouw en kinderen in hun kerkroepingen. Hij woonde samen met hen veel evenementen van de kerk bij. Hij leidde een goed en rein leven, en was zelfs uitermate dienstbaar en vriendelijk voor anderen. Zijn gezinsleden, en ook vele anderen, vroegen zich af waarom Leonard zijn hele leven verstoken was gebleven van de zegeningen die het evangelie de leden biedt.

Toen Leonard op hogere leeftijd was, ging zijn gezondheid achteruit. Uiteindelijk werd hij in het ziekenhuis opgenomen, en het leven begon uit hem weg te stromen. In wat later mijn laatste gesprek met Leonard bleek te zijn, zei hij: ‘Tom, ik ken je al vanaf je jeugd. Ik wil je graag vertellen waarom ik nooit lid van de kerk ben geworden.’ Vervolgens vertelde hij wat zijn ouders vele, vele jaren geleden overkomen was. Tegen hun zin kwam de familie op een gegeven moment tot de conclusie dat hun boerderij verkocht moest worden, en er werd een bod op gedaan. Toen vroeg een boer van een aangrenzende boerderij om de boerderij in plaats daarvan aan hem te verkopen — zij het tegen een lager bedrag — en zei: ‘We zijn zulke goede vrienden. Op deze manier, als jullie boerderij in mijn bezit is, kan ik er tenminste goed voor zorgen.’ Uiteindelijk stemden de ouders van Leonard in, en de boerderij werd verkocht. De koper — de buurman — had een verantwoordelijke functie in de kerk, en het vertrouwen dat dit inboezemde, droeg er mede toe bij dat de familie besloot om de boerderij aan hem te verkopen, ook al kregen ze daardoor niet zoveel geld van de verkoop als wanneer ze aan de eerste kandidaat-koper hadden verkocht. Niet lang na de verkoop verkocht de buurman zijn eigen boerderij en de van Leonards familie gekochte boerderij samen, waardoor de waarde en dus ook de verkoopprijs hoger was. De oude vraag waarom Leonard nooit lid was geworden van de kerk, was beantwoord. Hij had altijd gevonden dat zijn familie door de buurman bedrogen was.

Na ons gesprek vertrouwde hij me toe dat hij het gevoel had dat er eindelijk een zware last van hem was afgevallen, en dat hij nu was voorbereid om zijn Schepper te ontmoeten. Het tragische ervan was dat een verborgen wig Leonard ervan had weerhouden om tot hogere niveaus te stijgen.

Ik ken een familie die uit Duitsland naar Amerika geëmigreerd is. Ze vonden de Engelse taal moeilijk. Ze hadden maar weinig bezittingen, maar ze waren allemaal gezegend met de wil om te werken en met liefde voor God.

Hun derde kind werd geboren, leefde slechts twee maanden, en overleed. De vader was meubelmaker en hij maakte een prachtig kistje voor het lichaam van zijn dierbare kind. De dag van de begrafenis was somber, een weerspiegeling van het verdriet dat zij wegens hun verlies voelden. De familie liep naar de kerk, de vader droeg het kistje, en er was een aantal vrienden bijeengekomen. Maar de deur van de kerk was op slot. De drukke bisschop was de begrafenis vergeten. Pogingen om hem te bereiken, haalden niets uit. De vader wist niet wat hij moest doen, nam het kistje onder zijn arm en liep met zijn familie in de stromende regen weer huis.

Als de familie een minder sterk karakter had gehad, hadden ze de bisschop hier de schuld van kunnen geven en bittere gevoelens koesteren. Toen de bisschop van het drama hoorde, bezocht hij de familie en bood zijn excuses aan. Terwijl aan zijn gezicht nog te zien was hoe gekwetst hij was, maar met tranen in zijn ogen, aanvaardde de vader het excuus, en de twee omarmden elkaar in een geest van wederzijds begrip. Er bleef geen verborgen wig achter die verder gevoelens van boosheid kon veroorzaken. Liefde en aanvaarding overheersten.

De geest moet vrij zijn van sterke touwen en gevoelens die nooit zijn opgelost om de stuwende kracht van het leven de kans te geven de ziel te laten drijven. In veel families zijn er gekwetste gevoelens en aarzeling om te vergeven. Het maakt niet uit wat de kwestie was. We mogen niet toestaan dat het ons blijft schaden. Beschuldigingen houden de wonden open. Alleen vergeving geneest. George Herbert, een dichter uit het begin van de zeventiende eeuw, heeft eens geschreven: ‘Hij die niet kan vergeven, vernielt de brug die hij zelf moet oversteken als hij ooit de hemel wil bereiken, want iedereen heeft vergeving nodig.’

Mooi zijn de woorden die de Heiland sprak toen Hij op het punt stond te sterven aan het wrede kruis. Hij zei: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.’2

Er zijn mensen die moeite hebben om zichzelf te vergeven en die zich blijven blindstaren op hun zogenaamde zwakheden. Ik ken een mooi verhaal van een godsdienstig leider die een stervende vrouw bezocht. Hij probeerde haar te troosten, maar dat hielp niet. ‘Ik ben verloren’, zei ze. ‘Ik heb mijn leven verknoeid en al het leven om mij heen. Er is geen hoop voor mij.’

De man zag een foto van een mooi meisje in een lijst op het dressoir staan. ‘Wie is dat?’ vroeg hij.

Het gezicht van de vrouw klaarde op. ‘Dat is mijn dochter, het enige mooie in mijn leven.’

‘En zou u haar helpen als ze in moeilijkheden was, of een vergissing had begaan? Zou u haar vergeven? Zou u nog van haar houden?’

‘Natuurlijk!’ riep de vrouw uit. ‘Ik zou alles voor haar doen. Waarom vraagt u zoiets?’

‘Omdat ik u wil zeggen,’ zei de man, ‘dat uw hemelse Vader, figuurlijk gesproken, úw foto op zijn dressoir heeft staan. Hij heeft u lief en wil u helpen. Doe een beroep op Hem.’

Een verborgen wig die haar geluk in de weg had gestaan, werd verwijderd.

In een tijd van gevaar, of beproeving, brengt die kennis, die hoop, dat begrip troost aan hen die zorgen of verdriet hebben. De hele boodschap van het Nieuwe Testament ademt een geest van bewustwording uit voor de ziel van de mens. Schaduwen van wanhoop worden verdreven door stralen van hoop, verdriet maakt plaats voor vreugde, en het gevoel verloren te gaan in de menigten van het leven, verdwijnt door de zekere kennis dat onze hemelse Vader Zich ons bewust is.

De Heiland bevestigde die waarheid toen Hij zei dat er zelfs geen musje op de grond valt zonder dat onze Vader dat merkt. Vervolgens besloot Hij die prachtige gedachte met de woorden: ‘Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele mussen te boven.’3

Enige tijd geleden las ik het volgende persbericht van Associated Press in de krant: Een oudere man onthulde op de begrafenis van zijn broer, met wie hij sinds zijn vroege volwassenheid een eenkamerhuisje had gedeeld in de buurt van Canisteo (New York), dat ze na een ruzie de kamer met een krijtstreep in tweeën hadden gedeeld en dat geen van hen sinds die dag de streep had overschreden of ook maar een woord tegen de ander had gezegd — en dat was 62 jaar geleden. Wat een krachtige en vernietigende verborgen wig.

Zoals Alexander Pope heeft geschreven: ‘Vergissen is menselijk, vergeven is goddelijk.’4

Soms kunnen we zo makkelijk beledigd raken. En bij andere gelegenheden zijn we te koppig om een oprechte verontschuldiging te aanvaarden. Wie onderwerpt zijn ego, trots en gekwetste gevoelens, en stapt naar voren met: ‘Het spijt me echt! Laten we weer vrienden zijn. Laten we niet de grieven en de boosheid van onze tijd aan toekomstige generaties doorgeven.’ Laten we verborgen wiggen wegnemen die ons alleen maar zullen schaden.

Waar komen verborgen wiggen vandaan? Sommige komen van onopgeloste geschillen, die leiden tot boze gevoelens, gevolgd door berouw en spijt. Andere vinden hun oorsprong in teleurstelling, jaloezie, twistgesprekken en ingebeelde gekwetste gevoelens. We moeten ze oplossen — we moeten ze wegnemen en ze niet laten doorwoekeren, etteren en uiteindelijk vernietigen.

Een meer dan negentig jaar oude, lieve dame bezocht mij eens en vertelde onverwachts over enkele dingen die zij betreurde. Ze zei dat een boer van een aangrenzende boerderij, met wie haar man en zij af en toe meningsverschillen hadden gehad, haar eens had gevraagd of hij een kortere weg over haar grond mocht gebruiken om zijn eigen land te bereiken. Ze was even stil en zei toen met bevende stem: ‘Tommy, ik liet hem niet over ons land gaan, maar eiste van hem dat hij te voet een lange omweg maakte naar zijn eigen land. Ik was fout en ik heb er spijt van. Hij is er niet meer, maar ik zou willen dat ik tegen hem kon zeggen: “Het spijt me.” Ik zou willen dat ik een tweede kans kreeg.’

Terwijl ik naar haar luisterde, moest ik denken aan de woorden van John Greenleaf Whittier: ‘Van alle droevige woorden van tong of pen, zijn dit de droevigste: “Had ik maar….”’5

Uit 3 Nephi in het Boek van Mormon komt deze geïnspireerde raad: ‘Er zal geen woordenstrijd onder u zijn (…). Want voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: hij, die de geest van twisten heeft, is niet van Mij, maar is van de duivel, die de vader van twisten is, en hij hitst het hart der mensen op om in toorn met elkander te twisten. Ziet, het is niet mijn leer om het hart der mensen tot toorn tegen elkander op te hitsen; maar dit is mijn leer, dat zulke dingen zullen worden weggedaan.’6

Ik wil afsluiten met een verhaal over twee mannen die wat mij betreft helden zijn. Hun heldendaden zijn echter niet voor het oog van de natie verricht, maar in een rustige vallei die we kennen als Midway (Utah).

Vele jaren geleden werkten Roy Kohler en Grant Remund samen in hun kerkroepingen. Ze waren de beste vrienden. Ze bewerkten de grond en waren tevens melkveehouder. Maar toen sloeg een misverstand enigszins een kloof tussen ze.

Later, toen Roy Kohler ernstig ziek werd, kanker bleek te hebben en nog maar kort te leven had, bezocht ik Roy en zijn vrouw, en gaf hem een zalving. Toen we naderhand samen praatten, zei broeder Kohler: ‘Ik zal u een van de fijnste ervaringen van mijn leven vertellen.’ Toen vertelde hij over zijn misverstand met Grant Remund en de daaropvolgende vervreemding. Hij zei daarover: ‘We wilden niets meer met elkaar te maken hebben.’

Roy vervolgde: ‘Ik had net ons hooi voor de komende winter opgeslagen, toen het hooi op een avond door zelfontbranding hooi vlam vatte, waardoor het in rook opging, maar ook de schuur en alles wat erin stond tot de grond toe afbrandde. Ik was er kapot van’, zei Roy. ‘Ik wist niet wat ik toen moest doen. Het was een donkere avond, je zag alleen de dovende sintels van het vuur. Toen zag ik over de weg, uit de richting van Grand Remunds huis, de lichten van trekkers en andere zware machines op me afkomen. Toen de groep “redders” onze inrit inreed en aankwam waar ik stond te huilen, zei Grant: “Roy, je hebt heel wat rommel op te ruimen. Mijn jongens en ik zijn er. Laten we aan de slag gaan.”’ Samen pakten ze de klus aan. De verborgen wig die hen enige tijd uiteen gehouden had, was voorgoed verdwenen. Ze werkten de hele nacht door, en zelfs daarna nog, terwijl vele anderen uit de gemeenschap ook hulp boden.

Roy Kohler is heengegaan en Grant Remund is ouder aan het worden. Hun zoons hebben samen in dezelfde bisschap gezeten. Ik stel de vriendschap van die fantastische families echt zeer op prijs.

Mogen wij altijd een goed voorbeeld zijn in ons gezin en getrouw zijn in het onderhouden van alle geboden, zodat we geen verborgen wiggen in stand zullen houden, maar denken aan de aansporing van de Heiland: ‘Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.’7

Dat is mijn smeekbede, in de naam van Jezus Christus. Amen.

Noten

  1. Conference Report, april 1966, blz. 70.

  2. Lucas 23:34.

  3. Matteüs 10:31.

  4. An Essay on Criticism (1711), deel 2, regel 525.

  5. ‘Maud Muller’, The Complete Poetical Works of Whittier (1892), blz. 48.

  6. 3 Nephi 11:28–30.

  7. Johannes 13:35.