2002
Paden tot volmaking
Juli 2002


Paden tot volmaking

‘Maak je vier beproefde, specifieke deugden eigen: dankbaarheid, leergierigheid, zelfdiscipline en werklust.’

Ons jongevrouwenpresidium heeft het prima gedaan, vinden jullie niet? Ik steun en onderschrijf alles wat jullie vandaag van deze voortreffelijke vrouwen hebben gehoord. Zij zijn echte dienaressen van onze hemelse Vader en hebben zijn heilige woord verkondigd.

De profeet Joseph Smith heeft gezegd: ‘Geluk is het doel van ons bestaan, en het zal uiteindelijk ons deel zijn als wij het pad volgen dat erheen leidt, en dit pad is deugd, oprechtheid, getrouwheid, heiligheid en het onderhouden van al Gods geboden.’1

Maar hoe kan iemand dat pad vinden en, wat nog belangrijker is, hoe kan iemand op dat pad blijven dat tot volmaking leidt?

In het tijdloze verhaal van Lewis Carroll, De avonturen van Alice in Wonderland, komt Alice bij een splitsing in de weg, waar twee paden voor haar liggen, die echter elk in een tegengestelde richting voeren. Ze ontmoet de Kollummer Kat, aan wie zij vraagt: ‘Welk pad zal ik nemen?’

De kat antwoordt: ‘Dat hangt ervan af waar je naartoe wilt. Als je niet weet waar je naartoe wilt, maakt het eigenlijk niet uit welk pad je neemt!’2

In tegenstelling tot Alice weten jullie waar je naartoe wilt. Het maakt wel degelijk uit waar jullie naartoe gaan, want het pad dat jullie in dit leven bewandelen, leidt naar het pad dat jullie in het leven hierna zullen bewandelen.

In een populair lied uit het verleden komt de volgende provocerende regel voor: ‘Als alle wensen uitkomen, blijf dan maar wensen, dan zullen je zorgen verdwijnen.’ Een andere formule om te falen komt in een recenter lied tot uitdrukking: ‘Don’t worry; be happy!’ (Maak je geen zorgen, wees blij!)

Ons thema vanavond, ‘Staat daarom in heilige plaatsen’, is toepasselijker. Ik ben ook dankbaar voor de woorden die erop volgen: ‘Staat daarom in heilige plaatsen, en wordt niet aan het wankelen gebracht.’3

President George Albert Smith, de achtste president van de kerk heeft gezegd: ‘Laten we ons op de weg begeven die tot geluk en het celestiale koninkrijk leidt. Niet af en toe, maar iedere dag en ieder uur, want als we aan de kant van de Heer blijven, als we openstaan voor de invloed van onze hemelse Vader, kan de tegenstander ons niet verleiden. Maar als we ons op het terrein van de duivel begeven (…) zullen we ongelukkig worden, en dat ongeluk zal met de jaren toenemen, tenzij we ons van onze zonden bekeren en tot de Heer terugkeren.’4

Ik heb vaak tijdens toespraken tot de jongemannen van de Aäronische priesterschap de raad van een vader aan zijn dierbare zoon geciteerd: ‘Als je je ooit op een plaats bevindt waar je niet hoort te zijn, maak dan dat je wegkomt!’ Datzelfde geldt voor de jongevrouwen die hier in het Conferentiecentrum en in verschillende kerkgebouwen over de hele wereld zijn vergaderd.

Ik ben van mening dat we, als we in algemeenheden spreken, zelden succes hebben. Maar als we specifiek zijn, zullen we zelden falen. Daarom wil ik jullie aanmoedigen om de volgende vier specifieke deugden in je dagelijks leven toe te passen. Namelijk:

  1. Dankbaarheid,

  2. Leergierigheid,

  3. Zelfdiscipline, en

  4. Werklust.

Ten eerste, dankbaarheid. In hoofdstuk 17 van Lucas staat het verslag van de tien melaatsen. De Heiland kwam op weg naar Jeruzalem door Galilea en Samaria en zag aan de rand van een dorp een groep van tien melaatsen die door hun ziekte gedwongen waren om in afzondering te leven. Zij bleven ‘op een afstand’ staan en riepen: ‘Jezus, Meester, heb medelijden met ons!’

De Heiland zei met veel genegenheid en liefde: ‘Gaat heen, toont u aan de priesters’, en onderweg merkten ze dat ze genezen waren. In de Schriften staat: ‘En één van hen keerde terug, toen hij zag, dat hij genezen was, met luider stem God verheerlijkende, en hij wierp zich op zijn aangezicht voor zijn voeten om Hem te danken. En dit was een Samaritaan.’

De Heiland antwoordde: ‘Zijn niet alle tien rein geworden? Waar zijn de negen anderen? Waren er dan geen anderen om terug te keren en God eer te geven, dan deze vreemdeling? En Hij zeide tot Hem: Sta op, ga heen, uw geloof heeft u behouden.’5

Door goddelijke tussenkomst werden deze tien melaatsen verlost van een wrede, langzame dood en kregen zij een nieuwe levenskans. De dankbaarheid die een van hen uitte, oogstte de zegen van de Heiland, de ondankbaarheid van de andere negen zijn teleurstelling.

De plagen van tegenwoordig zijn te vergelijken met de melaatsheid van vroeger. Ze doen langzaam maar zeker hun slopende, vernielende werk. Ze zijn overal om ons heen. Ze dringen overal in door en kennen geen grenzen. We kennen ze als egoïsme, hebzucht, onmatigheid, wreedheid en misdaad, om er maar een paar te noemen.

Tijdens een regionale conferentie heeft president Gordon B. Hinckley gezegd: ‘We leven in een verdorven wereld. Er is overal vuil om ons heen. Op straat. Op de televisie. In boeken en in tijdschriften. (…) Het lijkt wel of een grote, lelijke, vuile, gemene vloed de wereld overspoelt. We moeten erboven staan. (…) De wereld gaat wat zedelijke normen betreft achteruit. Daar kan alleen maar ellende uit voortkomen. De weg naar het geluk is te vinden in een sterk gezinsleven en in de naleving van zedelijke normen. De waarde daarvan is door de eeuwen heen bewezen.’6

Als we de raad van president Hinckley opvolgen, kan ons leven op aarde een prachtige tijd zijn. Onze mogelijkheden zijn onbeperkt. Er is veel goeds om ons heen — zoals leerkrachten, vrienden die de helpende hand toesteken, huwelijken die standhouden en ouders die offers brengen.

Wees dankbaar voor je ouders, je familieleden en je vrienden. Zeg tegen de leraressen in de jongevrouwen dat je dankbaar voor ze bent. Ze hebben je lief, ze bidden voor je, ze helpen je. Je bent waardevol in hun ogen en in de ogen van onze hemelse Vader. Hij verhoort onze gebeden. Hij wil jullie gemoedsrust en liefde geven. Blijf dicht bij Hem en zijn Zoon, dan zul je er nooit alleen voor staan.

Ten tweede, leergierigheid.

De apostel Paulus zei tegen Timoteüs: ‘Niemand schatte u gering om uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen.’7

President Stephen L. Richards, die jaren geleden raadgever in het Eerste Presidium was, dacht altijd diep na. Hij zei: ‘Bedenk dat niemand tegelijkertijd geloof en twijfel kan hebben, want het ene zal het andere verdrijven.’ Ik wil jullie adviseren om geloof te hebben en twijfel te verdrijven.

De Heer heeft gezegd: ‘Put woorden van wijsheid uit de beste boeken, zoekt wetenschap, ja, door studie alsmede door geloof.’8

We kunnen waarheid vinden in de Schriften, in de leringen van de profeten, in de instructies van onze ouders, en in de inspiratie die we ontvangen als we God op onze knieën om hulp vragen.

We moeten trouw zijn aan onze idealen, want idealen zijn met de sterren te vergelijken: je kunt ze niet aanraken, maar als we ze volgen, zullen we onze bestemming bereiken.9

Veel van jullie leerkrachten zijn hier vanavond bij jullie. Ik ga er van uit dat iedere leerkracht aan de volgende beschrijving voldoet: ‘Zij schiep in haar klas een sfeer waar warmte en aanvaarding hun toverkracht deden gelden; waar de jonge mensen er zeker van waren dat ze vooruitgang maakten, veel leerden, hun fantasie de vrije loop mochten laten en waar ze vol levenslust waren.’10

Ten derde wil ik graag Zelfdiscipline bespreken.

Onze hemelse Vader heeft ons de macht gegeven om te denken, te redeneren en beslissingen te nemen. Voor die macht is zelfdiscipline een vereiste.

Wij moeten allemaal beslissingen nemen. Je kunt je afvragen: ‘Zijn beslissingen echt zo belangrijk?’ Ik zeg jullie: beslissingen bepalen je bestemming. Je kunt geen eeuwige beslissingen nemen zonder de eeuwige gevolgen te aanvaarden.

Ik wil graag een eenvoudige formule bespreken aan de hand waarvan je kunt bepalen of je keuzen juist zijn. Het is een eenvoudige formule: ‘Je kunt niet goed zitten als je fout doet, en je kunt niet fout zitten als je goed doet.’ Ons geweten waarschuwt ons als een vriend voordat hij ons als een rechter straft.

De Heer heeft door middel van de profeet Joseph Smith gezegd: ‘En hetgeen niet opbouwt, is niet van God, doch is duisternis. Hetgeen van God is, is licht.’11

Sommige dwazen keren de wijsheid van God de rug toe en volgen de verleidingen van de veranderlijke mode, de aantrekkingskracht van schijnbare populariteit en de spanning van het moment. Er is moed voor nodig om het goede te denken, voor het goede te kiezen en het goede te doen; want zo’n koers is zelden de gemakkelijkste.

De strijd om zelfdiscipline kan iemand wat schrammen en blauwe plekken opleveren, maar het gevolg is altijd een beter mens. In het gunstigste geval is zelfdiscipline een rigoureus proces; maar te veel mensen willen dat het moeiteloos en pijnloos is. Als we met tijdelijke tegenspoed te maken krijgen, is onze vastbeslotenheid en moed om het opnieuw te proberen een belangrijk onderdeel van onze strijd om zelfdiscipline.

Geliefde jonge zusters, ik ken geen beschrijving die jullie duidelijker omschrijft dan die van het Eerste Presidium op 6 april 1942: ‘Hoe heerlijk en dicht bij de engelen is de reine jeugd; deze jeugd heeft een onuitsprekelijke vreugde hier, en eeuwig geluk in het hiernamaals.’12

Het eeuwige leven in het koninkrijk van onze Vader is jullie doel, en zelfdiscipline is een belangrijke vereiste om dat doel te bereiken.

Ten slotte moeten we allemaal werklust hebben. President J. Reuben Clark, die jaren geleden raadgever in het Eerste Presidium was, heeft ooit gezegd: ‘Ik ben van mening dat wij hier zijn om te werken, en daar is volgens mij geen ontsnappen aan. Ik denk dat we die gedachte ons niet snel genoeg eigen kunnen maken. We moeten werken als we succes willen hebben of vooruitgang willen maken. Er is geen andere manier.’13

‘Steek uw handen uit de mouw, niet gemard’14 is meer dan een zin uit een lofzang; het is een oproep om aan het werk te gaan.

Het is misschien goed als ik een voorbeeld geef. Van uitstel komt afstel — vooral op het gebied van hard werken. En dan bedoel ik dat je ijverig moet studeren als je je voorbereidt op proefwerken op school en op de beproevingen van het leven.

Er was een studente die zo druk bezig was met haar studentenleven dat zij de voorbereiding op een examen steeds maar uitstelde. De avond van tevoren besefte ze dat het al laat was en dat ze niet was voorbereid. Ze zei tegen zichzelf: Wat is belangrijker – mijn gezondheid, die slaap vereist, of mijn geestdodende studie? Jullie kunnen wel raden wat er gebeurde. Ze ging slapen. En omdat ze niet gestudeerd had, zakte ze voor het examen. Wij moeten werken.

Dit is de formule die voorstel:

  1. Dankbaarheid,

  2. Leergierigheid,

  3. Zelfdiscipline, en

  4. Werklust.

Iedereen heeft momenten van wanhoop en behoefte aan leiding van God — soms slaken we een onuitgesproken kreet om hulp. Met heel mijn hart en ziel getuig ik dat onze hemelse Vader jullie liefheeft, aan jullie denkt en jullie niet in de steek zal laten.

Ik zal dat illustreren met een persoonlijke en gekoesterde ervaring. Jarenlang ben ik voor de kerk naar het deel van Duitsland gegaan dat achter het IJzeren Gordijn lag. Onder het communistisch bewind waren de mensen in dat gebied van Duitsland bijna al hun vrijheden kwijtgeraakt. De activiteiten van jongeren werden beperkt; alles wat zij deden werd in de gaten gehouden.

Kort nadat ik voor dat gebied verantwoordelijk werd, bezocht ik een opbouwende conferentie in dat gedeelte van Duitsland. Na de inspirerende lofzangen en toespraken wilde ik buiten het oude gebouw nog even iets tegen die fijne jongelui zeggen. Er waren er niet zoveel, maar zij luisterden aandachtig naar mij. Ze stonden open voor de woorden en de aanmoedigingen van een apostel van de Heer.

Voordat ik op weg naar de conferentie de Verenigde Staten verliet, kreeg ik het gevoel dat ik drie pakjes kauwgom moest kopen. Ik kocht drie verschillende smaken: Doublemint, Spearmint, en Juicy Fruit. Na de bijeenkomst met de jongeren gaf ik iedereen twee stukjes kauwgom — iets wat ze nog nooit hadden geproefd. Ze namen dit geschenk blij in ontvangst.

De jaren gingen voorbij. Ik kwam terug in Dresden — de plaats van die conferentie van vroeger. Nu waren er kerkgebouwen. De mensen waren vrij. Ze hadden een tempel. Duitsland werd niet meer door politieke grenzen verdeeld, maar was één land geworden. De jongeren waren nu volwassen. Ze hadden zelf kinderen.

Na afloop van een grote en inspirerende conferentie kwamen er een moeder en haar dochter op me af. De dochter, die ongeveer van jullie leeftijd was, en die een beetje Engels sprak, zei tegen me: ‘President Monson, kunt u zich nog herinneren dat u lang geleden na een districtsconferentie een korte bijeenkomst met de jongeren hebt gehouden en dat u iedereen twee stukjes kauwgom hebt gegeven?’

Ik antwoordde: ‘Jazeker, dat weet ik nog wel.’

Ze zei: ‘Mijn moeder was een van die jongeren. Ze vertelde dat zij één stukje kauwgom in kleine stukjes had verdeeld. Ze zei hoe lekker het was en dat het zo bijzonder was.’ En terwijl haar lieve moeder glimlachte, gaf ze me een doosje. Toen ik het doosje opendeed, lag daar het andere stukje kauwgom, netjes in het wikkeltje van bijna twintig jaar geleden. En toen zei ze: ‘Mijn moeder en ik willen dit graag aan u teruggeven.’

Er vloeiden tranen; we omhelsden elkaar.

Toen zei de moeder: ‘Voordat u jaren geleden naar onze conferentie kwam, had ik mijn hemelse Vader gevraagd om me te laten weten dat Hij inderdaad om me gaf. Ik heb dat geschenk bewaard als aandenken en om mijn dochter te vertellen dat onze hemelse Vader onze gebeden verhoort.’

Ik laat jullie dat geschenk vanavond zien — als symbool van geloof en zekerheid dat onze hemelse Vader en zijn Zoon, Jezus Christus, ons altijd zullen helpen.

Mogen wij, op deze avond voor Pasen, onze gedachten richten op Hem die voor onze zonden de verzoening tot stand heeft gebracht, die ons heeft laten zien hoe we moeten leven, hoe we moeten bidden, en die ons door zijn voorbeeld heeft laten zien hoe wij dat ook kunnen doen. Deze Zoon van God — de Heer Jezus Christus — die in een stal werd geboren en in een kribbe werd verzorgd, smeekt eenieder van ons om Hem te volgen. ‘Niets dat mij zoveel vreugde geeft: ik weet dat mijn Verlosser leeft.’15 In de naam van Jezus Christus. Amen.

Noten

  1. Teachings of the Prophet Joseph Smith, onder redactie van Joseph Fielding Smith (1970), blz. 255–256.

  2. Naar Lewis Carroll, De avonturen van Alice in wonderland (1992), blz. 76.

  3. LV 87:8; cursivering toegevoegd.

  4. Conference Report, april 1944, blz. 31–32.

  5. Lucas 17:11–19.

  6. Regionale conferentie Berlijn, 16 juni 1996.

  7. 1 Timoteüs 4:12.

  8. LV 88:118.

  9. Zie Carl Schurz, 1859, in John Bartlett, samensteller, Familiar Quotations, 15de druk (1980), blz. 602.

  10. Uit Grand Street Boys Club and Foundation, geciteerd in the New York Times.

  11. LV 50:23–24.

  12. James R. Clark, samensteller, Messages of the First Presidency of The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, 6 delen (1965–1975), deel 6, blz. 150.

  13. J. Reuben Clark, jr., Work — Work Always! BYU Speeches of the Year (25 mei 1960), blz. 4.

  14. Will L. Thompson, ‘Steek uw handen uit de mouw’, lofzang 169.

  15. Samuel Medley, ‘Ik weet dat mijn Verlosser leeft’, lofzang 92.