2002
De uitoefening van het priesterschap waardig
Juli 2002


De uitoefening van het priesterschap waardig

‘Ons openbare gedrag moet onbesproken zijn. Ons gedrag thuis is zelfs nog belangrijker. Het moet minimaal de norm van de Heer halen, of die zelfs overschrijden.’

Geliefde broeders, wat is het een groot vreugde en ook een zorgelijke taak om u toe te spreken. Wat zijn wij een fantastische broederschap, wij die dit waardevolle, magnifieke priesterschap dragen. Het komt van God, onze eeuwige Vader, die in deze heerlijke bedeling samen met zijn geliefde Zoon opnieuw uit de hemelen heeft gesproken. Zij hebben hun bevoegde dienstknechten gestuurd om dit goddelijke gezag aan de mens te verlenen.

Goed gedrag wordt de norm die bepaalt of men deze heilige macht mag ontvangen en uitoefenen. En daar wil ik het vanavond over hebben.

Ik begin met u voor te lezen uit Leer en Verbonden 121.

‘De rechten van het priesterschap [zijn] onafscheidelijk met de machten des hemels verbonden en (…) de machten des hemels [kunnen] niet bestuurd noch aangewend […] worden, dan alleen volgens de grondbeginselen van gerechtigheid.

‘Dat ze op ons kunnen worden bevestigd, is waar, doch wanneer wij het ondernemen onze zonden te bedekken, of onze hoogmoed, of onze ijdele eerzucht te bevredigen, of in enige mate van ongerechtigheid bestuur, heerschappij over of dwang uit te oefenen, ziet, dan onttrekken de hemelen zich, de Geest des Heren is bedroefd, en wanneer deze Zich heeft teruggetrokken — vaarwel dan het priesterschap of het gezag van die man’ (LV 121:36–37).

Dat is het ondubbelzinnige woord van de Heer aangaande zijn goddelijke gezag. Wat geeft dat ieder van ons een grote verplichting. Wij die het priesterschap van God dragen, moeten boven het wereldse staan. Wij moeten zelfdiscipline hebben. Wij kunnen geen eigendunk hebben, maar we kunnen en moeten fatsoenlijke, eerzame mensen zijn.

Ons openbare gedrag moet onbesproken zijn. Ons gedrag thuis is zelfs nog belangrijker. Het moet minimaal de norm van de Heer halen, of die zelfs overschrijden. Wij kunnen ons niet overgeven aan zonde, laat staan dat we proberen onze zonden te bedekken. Wij kunnen onze hoogmoed niet bevredigen. Wij kunnen geen deel hebben aan ijdele, ongerechtigde ambitie. Wij kunnen in geen enkele mate van ongerechtigheid heerschappij of dwang uitoefenen op onze vrouw en kinderen, of op anderen.

Als we slechts één van die dingen doen, onttrekken de machten van de hemel zich aan ons. De Geest van de Heer wordt bedroefd. De macht van ons priesterschap wordt tenietgedaan. We raken het gezag ervan kwijt.

Onze levenswijze, wat wij zeggen, ons dagelijkse gedrag heeft zijn uitwerking op onze doeltreffendheid als man of jongen die het priesterschap draagt.

In ons vijfde geloofsartikel staat: ‘Wij geloven dat men om het evangelie te prediken en de verordeningen ervan te bedienen, van Godswege moet worden geroepen, door profetie en door oplegging der handen van hen die daartoe het gezag bezitten.’

Maar zelfs al leggen zij die daartoe het gezag bezitten de handen op ons hoofd en worden wij geordend, wij kunnen door ons gedrag elk recht om dit goddelijke gezag uit te oefenen tenietdoen en verliezen.

In afdeling 121 staat verder: ‘Geen macht of invloed kan of dient krachtens het priesterschap worden gehandhaafd, dan alleen door overreding, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, ootmoed en door ongeveinsde liefde;

‘Door vriendelijkheid en zuivere kennis, die de ziel zonder huichelarij en zonder bedrog grotelijks zal ontwikkelen’ (LV 121:41–42).

Welnu, broeders, dat zijn de grenzen waarbinnen dit priesterschap tot uiting moet komen. Het is niet zoals een mantel die we naar believen aan- of uitdoen. Het is, als we het in rechtschapenheid uitoefenen, zoals ons lichaamsweefsel, dat te allen tijde en onder alle omstandigheden deel van ons uitmaakt.

En daarom zeg ik tegen jullie, jongemannen die het Aäronisch priesterschap dragen, dat jullie die macht op je bevestigd hebben gekregen die de sleutels tot de bediening van engelen inhoudt. Denk daar maar eens over na.

Je kunt je niet veroorloven om ook maar iets te doen waardoor er een sluier tussen jou en de bediening van engelen voor jouw welzijn zou komen.

Je kunt niet in enig opzicht onzedelijk zijn. Je kunt niet oneerlijk zijn. Je kunt niet bedriegen of liegen, je kunt niet de naam van God ijdel gebruiken of ruwe taal gebruiken en toch nog het recht houden op de bediening van engelen.

Ik wil niet dat je vol eigendunk bent. Ik wil dat je mannelijk, levendig, sterk en gelukkig bent. Tot hen die van sport houden, wil ik zeggen dat ik wil dat je een goed sportman bent en ernaar streeft om een kampioen te worden. Maar daarbij hoef je je niet slecht te gedragen, te vloeken of onfatsoenlijke taal te gebruiken.

Tot jullie, jongemannen die uitzien naar een zending, wil ik zeggen: bevlek je leven niet met iets dat twijfel zou opleveren over de vraag of je waardig bent om erop uit te gaan als dienstknecht van de Heer.

Je moet niet, en je kunt niet, onder wat voor omstandigheden dan ook, iets doen wat de goddelijke macht in gevaar brengt die je draagt als geordende bedienaar van het evangelie.

Bij wijze van waarschuwing vooraf hebben het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen de volgende verklaring opgesteld die tot jou gericht is:

‘Van een zendeling wordt verwacht dat hij zich houdt aan de hoogste gedragsnormen, met inbegrip van strikte naleving van de wet van kuisheid (…).

‘U behoort nooit alleen te zijn met iemand anders, man of vrouw, volwassene of kind [behalve uw toegewezen collega].

‘Zelfs als een zendeling ten onrechte wordt beschuldigd, kan dat vele maanden aan onderzoek in beslag nemen en resulteren in onderbreking of beëindiging van de zending. Bescherm uzelf tegen dergelijke beschuldigingen door u nooit af te zonderen van uw collega, zelfs niet bij mensen thuis.’ (Verklaring van het Eerste Presidium inzake gedrag van zendelingen, 22 maart 2002.)

Je hoeft je niet druk te maken om deze dingen als je je altijd aan de zendingsregels houdt. Als je dat doet, dan heb je een geweldige ervaring en keer je met eer terug naar hen die van je houden, zonder dat er enige smet of verdenking op je rust, of je iets te betreuren hebt.

En als je eenmaal thuis bent, vergeet dan nooit dat je nog steeds ouderling bent in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.

Je gaat dan op zoek naar een eeuwige metgezellin. Je zult in het huis des Heren willen trouwen. Er zou voor jou geen enkel alternatief voor moeten zijn. Pas op, anders kom je niet meer in aanmerking om daar te trouwen. Heb een fijne tijd. Maar houd je verkering binnen de grenzen van een strenge zelfdiscipline. De Heer heeft een gebod en een belofte gegeven. Hij heeft gezegd: ‘Laat deugd uw gedachten zonder ophouden versieren.’ En daarop volgt de belofte dat ‘uw vertrouwen in het nabijzijn van God sterk [zal] worden, en […] de Heilige Geest zal voortdurend uw metgezel zijn’ (LV 121:45–46).

De vrouw die je kiest, is je gelijke. Paulus heeft gezegd: ‘In de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw’ (1 Korintiërs 11:11).

In het partnerschap van het huwelijk is niemand inferieur of superieur. De vrouw gaat niet voor de man, en de man gaat niet voor de vrouw. Ze staan zij aan zij als zoon en dochter van God, die op een eeuwige reis zijn.

Zij is niet je dienstmaagd, je bezit, noch iets soortgelijks.

Wat is het tragisch en afschuwelijk als iemand zijn vrouw mishandelt. Elke man in deze kerk die zijn vrouw mishandelt, haar vernedert, haar beledigt, onrechtvaardige heerschappij over haar uitoefent, is niet waardig om het priesterschap te dragen. Ook al is hij geordend, de hemelen zullen zich terugtrekken, de Geest van de Heer wordt bedroefd, en het is gedaan met het priesterschapsgezag van die man.

Geen man die dit doet, mag een tempelaanbeveling krijgen.

Het spijt mij dat ik moet zeggen dat ik teveel zie van dit nare verschijnsel. Er zijn mannen die hun vrouw slaan en afbekken, haar zowel verbaal als fysiek mishandelen. Wat een drama, als een man de moeder van zijn kinderen vernedert.

Het is waar dat er ook vrouwen zijn die hun man mishandelen. Maar vanavond spreek ik niet tot hen. Ik spreek tot de mannen van deze kerk, mannen aan wie de Almachtige zijn heilig priesterschap heeft verleend.

Broeders, als er onder mijn gehoor mannen zijn die zich schuldig maken aan dergelijk gedrag, dan roep ik u tot bekering. Ga op uw knieën en vraag de Heer om vergeving. Bid Hem om de kracht om uw tong en uw harde hand in bedwang te houden. Vraag ook uw vrouw en uw kinderen om vergeving. President McKay zei altijd graag: ‘Geen enkel ander succes weegt op tegen falen in het gezin.’ (Citaat van J. E. McCulloch, Home: The Savior of Civilization, [1924], blz. 42; Conference Report, april 1935, blz. 116.) En president Lee heeft gezegd: ‘Het belangrijkste werk dat u ooit voor de Heer zult doen, is het werk dat u binnen de muren van uw eigen huis verricht.’ (Harold B. Lee, Doing the Right Things for the Right Reasons, Brigham Young University Speeches of the Year, 19 april 1961, blz. 5.)

Ik ben ervan overtuigd dat als wij voor de rechterstoel van God staan er weinig gezegd zal worden over de rijkdom die we in het leven vergaard hebben, of de eer die we gekregen hebben. Maar er zullen diepgaande vragen zijn over onze huiselijke relaties. En ik ben ervan overtuigd dat alleen zij die hun hele leven liefde, respect en waardering hebben getoond voor hun partner en kinderen van onze eeuwige Rechter de volgende woorden zullen horen: ‘Wél gedaan, gij goede en getrouw slaaf (…), ga in tot het feest van uw heer.’ (Matteüs 25:21.)

Ik noem ook een andere vorm van mishandeling. Mishandeling van bejaarden. Ik geloof niet dat het erg veel voorkomt onder ons. Ik hoop van niet. Ik bid van niet.

Ik geloof dat bijna al onze mensen zich aan het gebod van weleer houden: ‘Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal’ (Exodus 20:12).

Maar hoe tragisch, hoe afschuwelijk is mishandeling van bejaarden.

We leven steeds langer dankzij het wonder van de moderne wetenschap en de medische wereld. Maar met de hoge leeftijd verminderen de fysieke vermogens en soms ook de mentale vermogens. Ik heb al eerder gezegd dat ik ontdekt heb dat er veel lood schuilgaat onder de bovenlaag van de gouden jaren. Ik ben bijzonder dankbaar voor de liefde en zorg die onze kinderen voor hun vader en moeder hebben. Het is zo mooi om te zien dat een zoon of dochter echt moeite doet om een bejaarde ouder vriendelijk en welwillend te helpen.

Nu wil ik ook nog een andere vorm van mishandeling noemen die erg veel aandacht heeft gekregen in de media. Het is het verachtelijke, kwaadaardige misbruik van kinderen door volwassenen, meestal mannen. Dat misbruik is niet nieuw. Er zijn aanwijzingen dat het al een eeuwenoud kwaad is. Het is uiterst verachtelijk, tragisch en verschrikkelijk. Het spijt mij te moeten zeggen dat we dit monsterlijke kwaad in zeer beperkte mate ook onder ons hebben aangetroffen. Het is iets dat niet aanvaard of getolereerd kan worden. De Heer zelf heeft gezegd: ‘Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee’ (Matteüs 18:6).

Dat is erg sterke taal van de Vredevorst, de Zoon van God.

Ik citeer uit het Handboek kerkbestuur: ‘Het standpunt van de kerk is dat mishandeling in welke vorm dan ook niet kan worden getolereerd. [Op] wie [zich schuldig maken aan mishandeling] is de kerkelijke discipline van toepassing. Zij kunnen geen kerkfunctie vervullen en krijgen geen tempelaanbeveling. Zelfs als iemand die kerkelijke discipline is opgelegd voor het seksueel of lichamelijk mishandelen van een kind, zijn status als goed lid weer terugkrijgt of weer door de doop wordt opgenomen in de kerk, moeten leiders hem in geen enkele functie roepen waarin hij met jongeren of kinderen werkt, tenzij het Eerste Presidium toestemming geeft voor het verwijderen van de notitie op de lidmaatschapskaart.

‘In geval van mishandeling is het de eerste taak van de kerk hulp te bieden aan wie is mishandeld en bescherming te bieden aan mogelijke andere slachtoffers.’ (Handboek kerkbestuur: ringpresidiums en bisschappen [1998], blz. 157–158.)

We hebben al heel lang aan dit probleem gewerkt. We hebben bisschoppen, ringpresidenten en anderen aangespoord om slachtoffers de helpende hand toe te steken, ze te troosten, sterken en ze te laten weten dat wat er gebeurd is, verkeerd was, dat die ervaring niet hun schuld was, en dat het nooit meer hoeft te gebeuren.

We hebben publicaties uitgegeven, een telefoonnummer opengesteld waar kerkfunctionarissen om raad kunnen vragen voor de afhandeling van dergelijke gevallen, en we hebben door middel van LDS Family Services professionele hulp geboden.

Deze daden zijn vaak misdadig van aard. Ze zijn strafbaar volgens de wet. Professionele consulenten, waaronder advocaten en maatschappelijk werkers, zijn beschikbaar via de hulplijn om bisschoppen en ringpresidenten te adviseren in hun verplichtingen in deze. Leiders in andere landen moeten hun gebiedspresident bellen.

Het werk van de kerk is een heilswerk. Daar wil ik de nadruk op leggen. Het is een werk om zielen te redden. Wij willen zowel het slachtoffer als de overtreder helpen. Ons hart gaat uit naar het slachtoffer, en wij moeten echt iets doen om hem of haar te helpen. Ons hart gaat uit naar de overtreder, maar we kunnen de zonde waaraan hij schuldig kan zijn niet tolereren. Op een overtreding staat een straf. De burgerlijke wet zal zijn werk doen. En de kerk zal haar werk doen, wat vaak resulteert in excommunicatie. Dit is zowel een gevoelige als een ernstige zaak.

Niettemin zien we in, en dat moeten we altijd inzien, dat als de prijs is betaald en aan de eisen der gerechtigheid is voldaan, er een behulpzame, vriendelijke hand moet zijn om te helpen. Er kunnen nog beperkingen zijn, maar er zal ook medeleven zijn.

Nu, broeders, ik heb vanavond misschien wat negatief geklonken. Dat wil ik niet. Maar ik wil wél een stem van waarschuwing laten horen aan de priesterschap van deze kerk in de hele wereld.

God heeft ons allen een kostbare, fantastische gave verleend. Die omvat het gezag om de kerk te besturen, de aangelegenheden ervan te regelen, met gezag in de naam van de Heer Jezus Christus te spreken, als zijn toegewijde dienstknechten op te treden, de zieken te zalven, onze gezinsleden en vele anderen te zegenen. Het is een leidraad voor ons leven. In zijn volheid strekt zijn gezag zich uit tot achter de sluier des doods, tot in de eeuwigheid die voor ons ligt.

Niets in deze wereld kan ermee vergeleken worden. Bescherm het, koester het, heb het lief, leef ernaar.

‘Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken’ (Matteüs 5:16). Dat is mijn nederig gebed, waarbij ik mijn zegen over u uitspreek en u mijn liefde betuig, in de naam van Jezus Christus. Amen.