2002
De wet van tiende
Juli 2002


De wet van tiende

‘De Heer heeft de wet van tiende als de wet van inkomsten van zijn kerk ingesteld. (…) Het is ook een wet waardoor we onze trouw aan de Heer kunnen tonen.’

Afgelopen Kerstmis kreeg ik een bijzonder geschenk van mijn moeder. Ze had een boekje, dat ik op mijn tiende voor het eerst in 1944 van mijn ouders had gekregen, al die jaren zorgvuldig bewaard.

Dit is het boek. Het is een verslagboekje waarin ik wekelijks mijn inkomsten en uitgaven leerde noteren.

Bij de week van 29 juli 1944 staat bijvoorbeeld dat ik aan het begin van de week 24 dollar en 5 cent had en 7 dollar met werk op de boerderij van mijn ouders verdiende. Mijn uitgaven waren: 5 cent voor snoep, 3 dollar 45 cent voor een aankoop, 20 cent voor de film, en 2 dollar 37 voor kleren. Ik zette ook 20 dollar op een spaarrekening en betaalde 70 cent tiende. Aan het eind van de week had ik dus nog 4 dollar 28 over.

Ik weet nog dat ik met mijn vader overlegde of ik geen opslag kon krijgen van mijn 25 cent per uur. Maar als ik er nu aan denk dat de film 20 cent kostte en snoep maar 5 cent, besef ik dat ik waarschijnlijk al te veel betaald kreeg.

Toen ik dit boekje van ruim 50 jaar geleden doorbladerde, zag ik dat ik in de jaren 1944 en 1945 elke week 10 procent van mijn inkomen van die week aan tiende had betaald. Bij december 1944 stond dat ik dat jaar 12 dollar 35 aan tiende had betaald — een eerlijke tiende.

Zo heb ik tiende leren betalen.

Mijn vrouw en ik hebben onze kinderen geleerd dat het belangrijk is dat ze elke week hun tiende apart legden van hun zakgeld of van het geld dat ze verdiend hadden met babysitten of klusjes. Ze deden hun tiende in een doosje. En op vastenzondag gaven ze hun tiende aan de bisschop. Ze ontdekten ook de waarde van geld door een behoorlijke portie van hun inkomsten op te sparen voor een zending of een opleiding.

Onze kleinkinderen doen nu hetzelfde.

Laten we onze kinderen dit beginsel bijbrengen en zorgen dat zij zien dat wij tiende betalen. President Joseph F. Smith heeft gezegd: ‘Zodra onze kinderen oud genoeg zijn om iets te verdienen, moeten we hun tiende leren betalen, opdat hun namen in het boek van de wet van de Heer geschreven mogen worden.’1

Toen ik klein was, leerden we in het jeugdwerk het volgende versje:

‘Wat is tiende?

Dat is niet moeilijk, dat zul je zien:

Tien cent van een dollar

en een cent van elke tien.’

De leer van tiendebetaling loopt als een rode draad door de Schriften. Abraham betaalde tiende aan Melchizedek.2 De kinderen van Israël werd opgedragen om hun tiende aan de Heer te brengen.3 De waarschijnlijk meest geciteerde verzen over tiende in het Oude Testament staan in Maleachi: ‘Mag een mens God beroven? Toch berooft gij Mij. En dan zegt gij: Waarin beroven wij U? In de tienden en de heffing. (…)

‘Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.’4

De hoeveelheid tiende die we betalen is de meest volmaakte en billijke regeling die ik ken. Het is een tiende deel van ons inkomen. Iedereen, van arm tot rijk, betaalt hetzelfde percentage. Christus leerde ons dat beginsel met het verhaal van het penningske van de weduwe:

‘En [Jezus] (…) ging tegenover de offerkist zitten en zag met aandacht, hoe de schare kopergeld wierp in de offerkist. En vele rijken wierpen er veel in.

‘En er kwam een arme weduwe, die er twee koperstukjes in wierp, dat is een duit.

‘En Hij riep zijn discipelen en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft het meeste in de offerkist geworpen van allen, die er iets in geworpen hebben.

‘Want allen hebben er in geworpen van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede erin geworpen, al wat zij had, haar ganse levensonderhoud.’5

Een duit was een heel klein muntje. Het was het kleinste koperen muntje dat de Joden hadden. De waarde was een zesenveertigste deel van een Romeinse, zilveren penning.

In deze bedeling heeft de Heer de wet van tiende als de wet van inkomsten van zijn kerk ingesteld. Zonder die wet zouden we de eeuwige doeleinden van de Heer niet kunnen uitvoeren. Het is ook een wet waardoor we onze trouw aan de Heer kunnen tonen en kunnen bewijzen dat we bepaalde voorrechten, verordeningen en zegeningen waardig zijn.

Ik was onlangs in Independence (Missouri) en voelde de behoefte om een ritje van een uur naar het noorden te maken, naar Far West. De heiligen der laatste dagen vestigden zich in 1836 in Far West als een veilige haven voor vervolging. Far West werd het centrum van de county met naar schatting drie- tot vijfduizend inwoners. Het was enige tijd de hoofdzetel van de kerk. Mijn voorouders hebben daar gewoond.

Toen ik in Far West aankwam en om me heen keek, zag ik alleen maar golvende landerijen. Ik zag geen stad, geen straten of gebouwen. Er was slechts een vredige, grasrijke plek voor de tempel. Daarop lagen vier hoekstenen, omgeven door een bescheiden hek.

In 1838 werden de heiligen uit Far West verdreven. Joseph Smith en anderen werden gearresteerd en naar de nabijgelegen gevangenis van Liberty gebracht. Daar verkommerden zij gedurende zes maanden onder de meest verschrikkelijke omstandigheden. Mijn voorouders hebben in Far West vreselijk geleden en zijn bijna omgekomen.

Terwijl ik daar in Far West stond en me voorstelde hoe het eens geweest was, pakte ik mijn Schriften en las afdeling 119 van de Leer en Verbonden. Deze openbaring is op 8 juli 1838 te midden van al die vervolging bij monde van Joseph Smith gegeven: ‘En dit zal de aanvang zijn van het vertienden van mijn volk.

‘Hierna moeten allen, die aldus zijn vertiend, jaarlijks één tiende van al hun inkomsten betalen; en dit zal voor eeuwig een vaste wet voor hen zijn, voor mijn heilige priesterschap, zegt de Here.’6 Ik bedacht dat de wet van tiende niet op een ongunstiger moment door de leden van de kerk ontvangen had kunnen worden dan toen. Maar ze ontvingen hem, en de leden begonnen deze nieuwe wet na te leven in een periode waarin ze hun bezittingen kwijt raakten en in sommige gevallen het leven lieten. Toen ik Far West bezocht, kreeg ik een sterker en dieper geestelijk getuigenis van de wet van tiende dan ik ooit tevoren had gehad.

Ik zou graag een advies geven aan de vele duizenden mensen die momenteel lid van de kerk worden als gevolg van de ijverige inspanningen van onze zendelingen. Oefen uw geloof. Betaal tiende. Deze wet is misschien anders dan wat u vóór uw doop gewend was, maar niets van wat u als bekeerling doet, zal u vollediger voorbereiden op de heerlijke zegeningen die u wachten — namelijk de tempelzegens — dan tiende betalen.

Nu een klein advies aan de zendelingen. Onderwijs uw onderzoekers op zo’n manier in de tiende dat ze een getuigenis van dit fantastische evangeliebeginsel zullen krijgen.

De moeder van Joseph F. Smith stond bekend als ‘weduwe Smith’. Ze was de weduwe van Hyrum Smith, die samen met Joseph Smith als martelaar was gestorven. Zij berispte de jonge man die de tiende in ontvangst moest nemen eens omdat hij zei dat zij vanwege haar armoede geen tiende zou moeten betalen. Ze zei: ‘Wil je me een zegening onthouden? Als ik geen tiende betaalde, zou ik verwachten dat de Heer me zijn zegeningen onthield. Ik betaal mijn tiende niet alleen omdat het een wet van God is, maar ook omdat ik er een zegening voor verwacht. Als ik deze wet en andere onderhoud, verwacht ik dat ik het goed zal hebben en voor mijn gezin zal kunnen zorgen.’7 Had zij het goed? Haar zoon en haar kleinzoon werden president van de kerk, en onder haar huidige nakomelingen bevinden zich een lid van het Quorum der Twaalf Apostelen en vele andere belangrijke kerkleiders.

Joseph F. Smith heeft eens over zijn moeder gezegd dat ze tiende betaalde ‘van haar schapen en haar vee, iedere tiende pond boter, haar tiende kip, een tiende deel van haar eieren, haar tiende varken, haar tiende kalf, haar tiende veulen — een tiende deel van alles wat ze had.’8 Ik legde de wet van tiende eens uit aan een groep kerkleiders in Afrika. Een broeder zei: ‘Ouderling Tingey, hoe kan ik tiende betalen als ik geen inkomen heb?’ Ik stelde een paar vragen en stelde vast dat hij een groot gezin met zeven of acht kinderen had en werkeloos was. Ik vroeg hem hoe hij zijn gezin te eten gaf. Hij zei dat hij een moestuintje had en ganzen fokte. Ik vroeg: ‘Wat doen de ganzen?’ Hij antwoordde: ‘Ze leggen eieren.’ Ik zei: ‘Stel u voor dat u op een goede morgen tien eieren in de nesten van uw ganzen vond.’ Er ging hem een lichtje op. ‘Ik zou daar een van aan de gemeentepresident kunnen geven’, antwoordde hij. Hij had het begrepen en hij kon nu een eerlijke tiendebetaler worden.

Door onze tiende te betalen en onze kinderen dat bij te brengen, creëren we een gezin dat diep geworteld is in het sluiten en naleven van tempelverbonden. De meest heerlijke zegeningen die we in dit leven en in de eeuwigheid ontvangen, vloeien voort uit de zekerheid dat onze gezinsleden voor alle eeuwigheid aan elkaar verzegeld zijn. Sommigen zijn zich misschien bewust dat zij zichzelf die voorrechten onthouden doordat ze geen tiende betalen. Wie zich in die situatie bevinden, adviseer ik geloof te oefenen, de Heer daarmee te beproeven en tiende te betalen.

Een bijzondere rust die alle begrip te boven gaat, zal op u en uw gezin neerdalen als u een eerlijke tiende betaalt. U zult merken dat al uw zorgen aangaande financiën en onderhoud van uw gezin zullen afnemen. U zult merken dat uw hemelse Vader van u houdt.

Ik ben dankbaar dat mijn ouders me hebben geleerd tiende te betalen. Ik getuig nederig dat tiende betalen een waar beginsel van het evangelie van Jezus Christus is. In de naam van Jezus Christus. Amen.

Noten

  1. Gospel Doctrine, 5de druk, (1939), blz. 231.

  2. Zie Genesis 14:20.

  3. Zie Deuteronomium 12:6.

  4. Maleachi 3:8, 10.

  5. Marcus 12:41–44.

  6. LV 119:3–4.

  7. Gospel Doctrine, blz. 229.

  8. Gospel Doctrine, blz. 229.