2002
Wij wandelen in geloof
Juli 2002


Wij wandelen in geloof

‘Wij gaan het onbekende tegemoet, maar de weg wordt door ons geloof verlicht. Als wij dat geloof ontwikkelen, zullen we nooit in duisternis ronddolen.’

Het is een prachtige sabbatmorgen in april. De tulpen zijn de grond uitgekomen en zullen binnenkort prachtig bloeien. In de onzekere winter hoopten we op het voorjaar. We wisten dat het zou aanbreken. Ons geloof was gebaseerd op onze ervaring in de afgelopen jaren.

En dat geldt ook voor onze geest en ziel. Ieder mens heeft momenten van twijfel, ontmoediging of teleurstelling. In dergelijke omstandigheden kijken sommigen met het licht van het geloof vooruit, maar velen struikelen in het donker en verdwalen zelfs.

Ik wil u vanmorgen graag aanmoedigen om geloof te hebben. Het geloof is volgens Paulus ‘de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet’ (Hebreeën 11:1).

Tijdens het bekeringsproces krijgt de onderzoeker van de kerk iets te horen. Hij leest misschien iets. Hij begrijpt het wonder van alles nog niet, en dat kan ook niet. Maar als hij oprecht zoekt, als hij bereid is om op zijn knieën te gaan en te bidden, zal de Geest zijn hart aanraken, misschien maar lichtjes. Daardoor wordt hem de juiste weg gewezen. Hij ziet een beetje van wat hij nog nooit eerder gezien heeft. En met geloof, herkenbaar of niet, neemt hij een aantal voorzichtige stappen. En dan opent zich een ander perspectief.

Lang geleden werkte ik voor de spoorwegen. De spoorlijnen liepen door de bergpassen in deze westelijke bergen. Ik reisde ook geregeld met de trein. In die tijd waren er nog stoomlocomotieven. Die grote monsters waren kolossaal, snel en gevaarlijk. Ik vroeg me vaak af hoe de machinist de lange reis door de nacht aandurfde. Toen besefte ik dat het niet zozeer één lange reis was, maar een voortdurende opeenvolging van kleine reizen. De locomotief had een felle koplamp waarmee vierhonderd tot vijfhonderd meter van het spoor verlicht werd. De machinist zag alleen die afstand, en dat was voldoende omdat het licht er de hele nacht voortdurend was, totdat het ochtend werd.

De Heer heeft daar ook iets over gezegd. Namelijk: ‘Hetgeen niet opbouwt, is niet van God, doch is duisternis.

‘Hetgeen van God is, is licht; hij, die licht ontvangt en in God voortgaat, ontvangt meer licht; en dat licht neemt toe in helderheid tot de volle dag toe’ (LV 50:23–24).

En dat geldt ook voor onze eeuwige reis. We nemen één stap tegelijk. Daarmee gaan we het onbekende tegemoet, maar de weg wordt door ons geloof verlicht. Als wij dat geloof ontwikkelen, zullen we nooit in duisternis ronddolen.

Ik wil u graag vertellen over een man die ik ken. Ik zal zijn naam niet noemen, want ik wil hem niet in verlegenheid brengen. Zijn vrouw had het gevoel dat er iets in hun leven ontbrak. Ze sprak op een dag met een familielid dat lid van de kerk was. Het familielid adviseerde haar om contact op te nemen met de zendelingen. En dat deed ze. Maar haar man was onbeleefd tegen hen en zei dat ze niet meer mochten langskomen.

Er gingen maanden voorbij. Een andere zendeling las op een dag het verslag van dat bezoek. Hij besloot dat hij en zijn collega nog een poging zouden wagen. Hij was een lange zendeling uit Californië met een grote glimlach op zijn gezicht.

Ze belden aan, de man deed open. Ze vroegen of ze even mochten binnenkomen. Dat was goed.

De zendeling vroeg: ‘Ik vraag me af of u weet hoe u moet bidden.’ De man zei dat hij het onzevader kende. De zendeling zei: ‘Dat is goed, maar ik wil u graag vertellen hoe u persoonlijk kunt bidden.’ Hij legde uit dat we nederig voor de God van de hemel op onze knieën gaan. En dat deed de man. Toen zei de zendeling: ‘Wij spreken Hem aan als onze Vader in de hemel. We bedanken Hem voor zijn zegeningen, zoals onze gezondheid, onze vrienden en ons voedsel. We vragen Hem om ons te zegenen. We vertellen Hem over onze hoop en verlangens. We vragen Hem om de behoeftigen te zegenen. En dat alles doen wij in de naam van zijn geliefde Zoon, de Heer Jezus Christus. En dan besluiten we met “amen”.’

Dat was een goede ervaring voor de man. Hij had wat licht en kennis verkregen, een beetje geloof. Hij was klaar om de volgende stap te proberen.

Geduldig onderwezen de zendelingen hem, regel op regel. Hij reageerde naarmate zijn geloof tot een gedimd licht van kennis uitgroeide. Vrienden uit de gemeente schaarden zich om hem heen om hem gerust te stellen en zijn vragen te beantwoorden. De broeders speelden tennis met hem, en hij en zijn vrouw werden bij hen thuis uitgenodigd om te komen eten.

Hij liet zich dopen, en dat was een grote stap voor hem. De gemeentepresident vroeg of hij scoutleider van vier jongens wilde worden. Dat leidde tot andere taken, en het licht van het geloof werd door al die ervaringen versterkt.

En dat is zo doorgegaan. Momenteel is hij een bekwaam en liefdevol ringpresident, een wijs en begripvol leider, maar bovenal een man met een groot geloof.

Ieder lid van de kerk moet op enig moment die volgende stap nemen, de taak aanvaarden waarvoor hij geroepen is, ook als hij er niet geschikt voor denkt te zijn. En dat moet hij met geloof doen en vol verwachting dat de Heer de weg voor hem zal verlichten.

Ik wil u een voorbeeld geven van een vrouw in São Paulo (Brazilië). Tijdens haar studie werkte ze om aan het onderhoud van haar familie bij te dragen. Ik zal het verhaal in haar eigen woorden vertellen. Ze zegt:

‘De universiteit had een regel dat studenten niet aan examens mochten deelnemen als er nog rekeningen openstonden. Daarom betaalde ik altijd eerst mijn tiende en gaven als ik mijn salaris kreeg en vervolgens de universiteit en mijn andere rekeningen.

‘Ik kan me nog herinneren dat ik (…) een ernstig financieel probleem had. Ik kreeg mijn salaris op donderdag. Toen ik mijn maandelijkse begroting opstelde, merkte ik dat er niet genoeg geld was om [zowel] mijn tiende als de universiteit te betalen. Ik zou een keus moeten doen. De tweemaandelijkse examens begonnen de volgende week, en als ik die zou missen, kon ik mijn studiejaar verspelen. Ik was vertwijfeld. (…) Ik leed eronder. Ik moest een pijnlijke beslissing nemen, en ik wist niet wat ik moest doen. Ik overwoog mijn opties: geen tiende betalen of het risico lopen dat ik mijn studiejaar niet zou kunnen afmaken.

‘Mijn ziel werd door dit gevoel verteerd en het bleef me tot en met zaterdag bezighouden. Toen herinnerde ik me dat ik bij de doop beloofd had dat ik de wet van tiende zou naleven. Ik had een verplichting op me genomen, niet ten opzichte van de zendelingen, maar ten opzichte van mijn hemelse Vader. Op dat moment begon de pijn te verdwijnen en kreeg ik een prettig gevoel van rust en vastberadenheid.

‘Toen ik die avond bad, vroeg ik de Heer of Hij mij mijn besluiteloosheid wilde vergeven. Op zondag sprak ik vóór het begin van de avondmaalsdienst met de bisschop en betaalde ik met genoegen mijn tiende en gaven. Dat was een bijzondere dag. Ik voelde me gewoon gelukkig en tevreden ten opzichte van mezelf en mijn hemelse Vader.

‘De volgende dag op mijn werk probeerde ik een manier te vinden om aan de examens deel te nemen die op woensdag zouden beginnen. Hoe meer ik erover nadacht, hoe verder de oplossing weg leek. Ik werkte op een advocatenkantoor, en mijn werkgever was de nauwkeurigste en strengste persoon die ik ooit ontmoet had.

‘De werkdag was bijna voorbij toen mijn werkgever langskwam om de laatste instructies te geven. Toen hij dat gedaan had, en met zijn koffertje in zijn hand afscheid nam, (…) bleef hij plotseling staan, keek me aan en vroeg: “Hoe gaat het met je studie?” Ik was verbaasd en kon niet geloven wat ik hoorde. Het enige wat ik met trillende stem kon uitbrengen, was: “Alles gaat goed!” Hij keek me peinzend aan en nam toen weer afscheid. (…)

‘Plotseling kwam de secretaresse binnen en zei dat ik geluk had! Toen ik vroeg wat ze bedoelde, zei ze: “De werkgever heeft gezegd dat van nu af aan het bedrijf je collegegeld en je boeken betaalt. Kom even bij me langs voordat je vandaag weggaat om door te geven wat de kosten zijn. Dan zorg ik dat er morgen een cheque voor je klaarligt.”

‘Toen ze weer weg was, voelde ik me erg nederig en moest ik huilen. Ik knielde ter plekke neer en bedankte de Heer voor zijn milddadigheid. Ik (…) zei tegen mijn hemelse Vader dat Hij me niet zo overdadig had hoeven zegenen. Ik had alleen maar de kosten van één maand nodig, en de tiende die ik op zondag had betaald was niet veel in vergelijking met wat ik nu zou krijgen! Tijdens mijn gebed kwamen de woorden van Maleachi in mijn gedachten: “Beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten” (Maleachi 3:10). Tot op dat moment had ik nog nooit de omvang van de belofte in die tekst gevoeld, en dat dit gebod daadwerkelijk een getuigenis was van de liefde die onze hemelse Vader zijn kinderen op aarde geeft.’

Geloof is de vezel die dit werk kracht geeft. Overal waar de kerk gevestigd is, over de hele wereld, is dat duidelijk te zien. Het is niet beperkt tot één land, één natie, één taal of één volk. Het is overal te vinden. Wij zijn een gelovig volk. Wij wandelen in geloof. We gaan stap voor stap voorwaarts op onze eeuwige reis.

De belofte van de Heer aan alle gelovigen is groot. Hij heeft gezegd:

‘Ik, de Here, ben barmhartig en genadig jegens hen, die Mij vrezen, en Ik schep er behagen in hen te eren, die Mij in gerechtigheid en waarheid tot het einde toe dienen.

‘Groot zal hun loon zijn, en eeuwig hun heerlijkheid.

‘En aan hen zal Ik alle verborgenheden openbaren, ja, alle verborgen geheimen van mijn koninkrijk van dagen vanouds, en voor toekomende eeuwen (…).

‘Ja, zelfs de wonderen der eeuwigheid zullen zij kennen. (…)

‘En groot zal hun wijsheid zijn, en hun kennis zal tot de hemel reiken, en voor hen zal de wijsheid der wijzen vergaan, en het verstand van de voorzichtigen zal worden tenietgedaan.

‘Want door mijn Geest zal Ik hen verlichten, en door mijn macht zal Ik hun de geheimen van mijn wil bekendmaken, ja, namelijk die dingen, die geen oog heeft gezien, noch het oor gehoord, noch in des mensen hart zijn opgekomen’ (LV 76:5–10).

Hoe kan iemand meer vragen? Wat is dit een glorierijk werk waaraan wij bijdragen. Wat zijn de wegen van de Almachtige wonderbaarlijk als wij in geloof voor Hem wandelen.

Het geloof van een onderzoeker is als een stuk groen hout dat in een helder vuur wordt gelegd. Gewarmd door de vlammen, droogt het en vat vlam. Maar als het uit het vuur wordt gehaald, zal het niet blijven branden. Het zal uitdoven. Maar als men het in het vuur laat liggen, begint het helder te branden. Spoedig maakt het deel uit van het vuur en zal ander groen hout aansteken.

Broeders en zusters, zo gaat dit grote werk van geloof voorwaarts om de mensen op aarde te onderwijzen in de wegen van de Heer. En als zij zijn voorbeeld volgen, zullen zij meer geluk ontvangen.

Moge God, onze eeuwige Vader, steeds glimlachend op dit, zijn koninkrijk, neerkijken en het meer doen bloeien, naarmate wij, zijn kinderen, in geloof wandelen. Dat bid ik nederig, in de naam van Jezus Christus. Amen.